kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 21-01-2016 voor het laatst bewerkt.

Japanse kunst

Japanse kunst wordt vaak geroemd om de prachtige inkt schilderingen van landschappen, dieren en personen. Deze schilderingen, de sumi-e, werden gemaakt van inkt. De intensiteit van de kleur werd bepaald door de hoeveelheid water die werd toegevoegd bij het fijnwrijven van het inktblokje. Tegenwoordig wordt dit gedaan nog steeds gedaan door de inkt te verdunnen.

Ook de kalligrafiekunst, het met een penseel op kunstzinnige wijze schrijven van een karakter of korte tekst, staat hoog aangeschreven.

Kakemono
De kalligrafie en de sumi-e tekeningen worden op zijde of papier geschilderd en worden daarna op een langere strook papier of stof (zijde, damast) geplakt. Deze strook wordt aan beide zijden afgesloten door een staafje van hout of siersteen dat iets breder is dan de strook. Hierdoor ontstaat een oprolbaar schilderij of kakemono, Japans voor lengteschildering. Kakemono's worden wisselend, naargelang de tijd van het jaar in een apart kamertje met bijbehorende bloemen tentoongesteld. Kakemono's met religieuze voorstellingen werden gebruikt als altaarstuk. Als de Kakemono's niet worden gebruikt, worden deze opgerold bewaard in dozen.

Ukiyo-e
Een andere geliefde Japanse kunstvorm zijn de houtblok prenten, de veelkleurige Ukiyo-e. De naam betekent 'prenten van de vlietende (drijvende) leven (wereld)', dat wil zeggen de wereld zoals zij zich aan het oog van de kunstenaar vertoont in al haar vormen en nuances met het dagelijks leven als onderwerp.

Lange tijd werd het als een lage kunstvorm gezien. Het waren dan ook vaak prenten met afbeeldingen van geisha, bekende courtisanes, of andere mooie vrouwen of prenten die als reissouvenirs dienden. Rijke kooplieden bestelden bij de schilders kostbare rolschilderingen op zijde of papier, minder welvarenden vonden in prenten een goedkoop alternatief. Met de opkomst van het theater werden de prenten een soort reclame biljetten met afbeeldingen van acteurs tijdens een belangrijk moment in het verhaal.

Ukiyo-e ontstond in het begin van de 17de eeuw, toen in Japan een periode van economische welvaart en politieke rust aanbrak. De opkomende koopmansklasse vormde het publiek voor de prenten en schilderingen in Ukiyo-e-stijl en hun belevingswereld bepaalde de onderwerpen: mannen en vrouwen in frivole situaties, mooie courtisanes in elegante poses, acteurs van het Nô-theater en scènes uit hun toneelvoorstellingen en het Kabuki-theater. Kabuki is een Japanse theatervorm die zeer populair was in de steden van Japan gedurende de Edo-periode (1600-1868). Aanvankelijk was kabuki een verhulde manier om prostitués te presenteren. De acteurs waren vrouwen die ook mannenrollen vertolkten en na de voorstelling hun gunsten verkochten. In 1629 werd het vrouwen-kabuki verboden. Jongemannen namen hun rollen over, zowel op als buiten het toneel. Enkele maatregelen halverwege de 17de eeuw moesten het kabuki-toneel serieuzer maken, met representatief repertoir. Beroepsacteurs speelden serieus toneel. Mannen bleven de vrouwenrollen spelen.

Keramiek
Ook het vervaardigen van sier en gebruiksvoorwerpen van keramiek is een belangrijke kunstvorm in Japan. Zo is er het veelkleurig Imari porselein maar ook raku: grof gevormde donkergeglazuurde stukken, en het met bladgoud beschilderde Kyomizudera aardewerk.

Toegepaste kunst
Ook de Japanse handnijverheid is veel gezocht. Volgens de Japanse tradities leerden handwerkslieden het werk van vader op zoon of werden ze jong aangenomen als leerling van een meester. De vele technieken om hout te snijden, lakwerk te laten glanzen, netsuke uit ivoor, hout of ander materialen te maken of patronen voor het verven van kimono stoffen te snijden, werden zo steeds meer geperfectioneerd. Hierdoor zijn de vele voorwerpen als lakwerkdozen, waterdruppelaars en zelfs de stootplaten van zwaarden kunstwerkjes op zich.

Tot de traditionere Japanse kunst behoren ook de toneelvoorstellingen van 'kabuki' en 'noh', de theeceremonie, 'ikebana' (bloemschikken), calligrafie, en het schrijven van 'haiku'.

De oudste bekende cultuur van Japan gaat terug tot ong. 10.000 v. C. Het gevonden aardewerk uit deze periode is simpel, glad en verder onbewerkt. Deze periode, tot ong. 7500 v. C. wordt wel pre- of proto Jômon periode genoemd omdat deze vóór de periode ligt waarin het aardewerk met ingedrukte touwmotieven (Jômon in het Japans) wordt bewerkt.

Vanaf 7500 v. C. wordt, kunsthistorisch gezien, de Jômon periode opgedeeld in perioden:
Jômonpot, Umataka (Midden Jômon), Laat Jômon (ong. 2500 - 1000 vC) en in de Laatste Jômon (1000 - 300 vC) zien we aardewerk gebruiksvoorwerpen maar ook voorwerpen waarvan het doel niet duidelijk is. Ook worden figuren uit klei gemaakt, sommige met hele grote, insectenachtige ogen, ogen met kleine spleten, mogelijk werden deze figuren gebruikt voor religieuze doeleinden.

Yayoicultuur (300 v. C. - 300 nC)
Men denkt dat Yayoicultuur naar Japan werd gebracht door mensen die vanuit Korea Japan binnenkwamen. De Yayoicultuur vestigde zich, komend uit Kyushu, in Yamato, de streek in buurt van het huidige Kyoto en Nara. Yamato zal een heel belangrijk gebied voor Japan worden en het woord Yamato is eigenlijk synoniem met Japan. Er wordt nu gebruik gemaakt van de draaischijf. We zien nu ook verschillende gebruiksvoorwerpen van aardewerk, maar nu met gladde oppervlakken. Het bewerken van metaal is ook door hen meegenomen, zodat we zowel ijzeren als bronzen voorwerpen tegenkomen. Er zijn spiegels en dôtaku. De dôtaku zijn typische bronzen bellen, die we uitsluitend in deze periode tegenkomen.

Kofun periode (300 - 710 n. C.)
De kofuncultuur is genoemd naar de grafheuvels (tumuli, in het Japans: kofun) waar belangrijke personen werden begraven. Rondom een dergelijk tumulus werden velen kleine voorwerpen geplaatst, de zgn. haniwa. De kofun priode wordt, kunsthistorisch gezien, opgedeeld in: de Yamato periode (300-552), de Asuka periode (552-645) en de Hokuhô periode (645-710). De Kofun periode is heel belangrijk geweest voor Japan omdat in 538 (of in 552) het boeddhisme vanuit Korea wordt ingevoerd en een grote invloed heeft op de kunst, met name sculptuur en architectuur. Tot de geïmporteerde cultuurinvloeden behoorden de geschreven karakters, Boeddhisme, Confucianisme en de kennis om steden te ontwerpen en bouwen. Japan ontwikkelde vervolgens zijn eigen alfabet, geschreven met twee soorten karakters, 'hiragana' en 'katakana', afgeleid van Chinese karakters, en er werden vele inheemse Boeddhistische sekten opgericht.

Taika
In 645 luidt een omwenteling op staatsrechtelijk gebied, die Taika (Grote Verandering) wordt genoemd, de Asuka periode in. Nu wordt ook de eerste Japanse nengô ingevoerd, d.w.z. voor het eerst krijgt een bepaalde periode een naam, deze eerste periode heet dan ook Taika.

Zoals al eerder is vermeld is het boeddhisme een geweldige insparatiebron voor kunstenaars, zoals overigens bijna alle religies. Zo worden er veel sculpturen van boeddha's en bodhisattva's gemaakt (van -geschilderd- klei of hout) maar ook veel tekeningen en schilderingen. Tekende men aanvankelijk voornamelijk op (boeddhistisch) Chinese wijze, d.w.z. men tekende zelfs typisch Chinese landschappen, later ging men over tot het tekenen van meer Japanse taferelen en dit waren dan voornamelijk hoftaferelen die men veelal op horizontale 'scrolls' (rollen) tekenden. De Chinese prenten zijn veelal monochrome prenten (zwart-wit, soms met lichte kleuren) en worden met subtiele penseelstreken neergezet terwijl de yamato-e fijnere details vertonen en gebruik maken van meer kleuren. Tegenwoordig verstaat men onder yamato-e meer de umakimono, horizontaal oprolbare en verhalende schilderingen op papier, zoals het verhaal van prins Genji op een beroemde umakimono uit de 11e eeuw.

De twee 'scholen' blijven lange tijd naast elkaar bestaan, mede door de opkomst van het zenboeddhisme later waardoor de (Chinese) Zen-inkt-tekeningen populair worden. De typisch Chinese landschappen hebben dan al plaatsgemaakt voor de Japanse tegenhangers, maar we zien nog wel de kenmerkende Chinese tekenstijl. Een belangrijke vertegenwoordiger van deze schilders is de priester-schilder Sesshu.
De yamato-e vertegenwoordigers komen veelal voort uit de bekende en invloedrijke Tosa-school, die op steun van hofedelen van Kyoto kan rekenen. Deze steun wordt eind 16e eeuw steeds minder door de tanende macht van het hof in Kyoto. De twee genoemde stijlen (de Chinese en Japanse) worden gecombineerd door de volgelingen van de Kanô school (opgericht in de 10e eeuw). Zij combineren de typische Chinese kenmerken met het kleurengebruik en taferelen van de yamato-e. In de 17e eeuw, de Tokugawa tijd, krijgen zij de steun van militaire heersers. Uit hun gelederen komen de de eerste ukiyo-e schilders. Overigens wordt vanaf ongeveer de 15e eeuw de Chinese stijl 'kanga-e' genoemd, terwijl kara-e meer betrekking heeft op de Chinese stijl uit de Heian en Kamakuratijd.

Nara periode (710 - 794) ook wel Tenpyô periode (kunsthistorisch)
In 712 komt de Kojiki gereed en in 720 de uitbreiding op de Kojiki, de Nihon shoki. Hiermee wordt de (mythische) geschiedenis van Japan voor het eerst vastgelegd. Tot de komst van de Chinese schrifttekens heeft Japan immers nooit schrift gekend. In 752 komt de Grote Boeddha van Tôdaiji gereed en wordt deze op indrukwekkende wijze ingewijd.

Heianperiode (794 - 1192)
De Heian periode is zeer belangrijk geweest voor de kunst in Japan. Voor belangrijke regerings- en andere functies aan het Japanse keizerlijke hof achtte men de mate waarin men kunsten als kalligrafie en poëzie kon bedrijven belangrijker dan welke andere capaciteiten dan ook. Bij het schrijven bedienen de mannen zich voornamelijk van de Chinese schrifttekens, de kanji, die eigenlijk niet geschikt zijn voor het weergeven van het Japans, maar wel een zekere status geven, hetgeen dan heel belangrijk is. De vrouwen gebruiken de afgeleide karakters, de hiragana, waarmee exact de Japanse taal kan worden weergegeven. Rond het jaar 1000 verschijnen twee boeken van twee hofdames. Beide boeken behoren nu tot de top van de oude Japanse literatuur. Sei Shonagon schreef: Het hoofdkussenboek (Makura no Soshi). Belevenissen aan het hof, begin 11e eeuw en Murasaki Shikibu schreef: Het verhaal van prins Genji (Genji Monogatari). Het verhaal van een prins aan het hof, Hikaru Genji, die zoals gewoon was in zijn tijd, vele minnaressen had. Hij kon echter zijn vorige liefdes niet vergeten. Het boek is gepubliceerd rond 1020.

Kamakuraperiode (1192 - 1333)
Het boeddhisme wordt in deze periode heel belangrijk, voornamelijk omdat het gewone volk nu ook toegang kreeg tot de tempels. Binnen het boeddhisme ontstonden nieuwe sekten, zoals de Jodosekte, maar ook het zenboeddhisme dat heel belangrijk gaat worden. In 1252 werd de 13,5 meter hoge bronzen Grote Amida Boeddha van Kamakura gegoten. Dit enorme beeld stond in de Kotokuin tempel van de Jodosekte. Oorspronkelijk stond het beeld in een grote hal maar deze hal is verwoest tijdens een storm in 1369. Het toegepaste perspectief, waardoor het beeld in de juiste proporties lijkt als men er vlak voor staat, wijst op Griekse invloeden, mogelijk via de Zijderoute.

Muromachiperiode (1333 - 1573)
De Muromachi periode, genoemd naar de wijk in Muromachi in Kyoto waar de shôguns gehuisvest waren, wordt ook wel Ashikaga periode genoemd naar de shôguns van de Ashikaga clan. Het was een onrustige en onstabiele tijd waardoor men zich meer ging richten tot geestelijke zaken als zenboeddhisme, theeceremonie, ikebana en de Japanse tuinarchitectuur. Het zenboedhisme kreeg een grote invloed op de verschillende kunstuitingen. Er werden veel zentempels gebouwd met al hun benodigde versieringen waardoor de kunst weer een grote vlucht nam. Ook de bij deze tempels horende tuinen, de kare sansui tuinen (de droge zentuinen) ontstonden, zoals bijv. de Daisen-in in Kyoto.

Azuchi-Momoyamaperiode (1573 - 1600)
Deze periode wordt wel de gouden eeuw van de Japanse kunst genoemd. Niet alleen omdat de kunst vele hoogtepunten kende maar ook omdat er veel goud in de kunst gebruikt werd, zoals heel goed te zien bij kamerschermen uit die tijd. Ook later nog in de Edoperiode wordt veel (blad)goud gebruikt. Deze periode wordt ook gekenmerkt door het bouwen van burchten, waarvan die van Himeiji tot de bekendste behoort.

Edoperiode (1600 - 1868)
De Edoperiode is v.w.b. de kunst voornamelijk bekend geworden door de prentkunst.

Halverwege de 17e eeuw was het Iwasa Matabei die het alledaagse leven vastlegde met een nieuwe techniek, waarbij de afbeelding in een houtblok werd gesneden. Aanvankelijk alleen in zwart/wit. Hoewel men wel de techniek voor meerkleurendruk kende en toepaste bij meer technische werken werd dit pas in de 18e eeuw voor prenten gebruikt. Deze prenten werden ukiyo-e genoemd, hetgeen 'afbeelding van de vlietende wereld' betekent. Het waren realistische afbeeldingen van het leven van alledag, inclusief erotische prenten die openlijk vertoond werden en pas later verboden werden. Waarschijnlijk was het Suzuki Harunobu die in het midden van de 18e eeuw, als één van de eersten, meerkleurendrukprenten maakte.

Aanvankelijk werden er veel prenten gemaakt uit het 'vlietende leven', het leven zoals zich dat afspeelde in de uitgaanswijken. Veel prenten van beroemde geisha's, overigens een beroep met een hoge status, en veel prenten van kabukiacteurs, meestal tijdens het uitoefenen van hun beroep, in een bepaalde rol. Hele geslachten van beroemde acteurs zijn op die manier vastgelegd. Andere dankbare onderwerpen waren de 'bijin', (letterlijk vertaald 'mooie vrouwen' maar veelal werden hier prostituees mee aangeduid) en de samuari (deze prenten werden musha-e genoemd). Ook populair waren de erotische prenten (shunga), die vaak alles toonden alsof het door een vegrootglas was bekeken. Landschappen werden als minderwaardig beoordeeld, maar later zien we die toch verschijnen, zoals van Hokusai en Hiroshige. Het zijn dan veelal series, zoals de 'zesendertig gezichten van de berg Fuji' (Hokusai en Hiroshige) en bijv. 'drieenvijftig stations langs de Tôkaidô' van Hiroshige.

Ukiyo-e
Hoewel ukiyo-e en de in die tijd toegepaste houtdruktechniek veelal in één adem worden genoemd, staat ukiyo-e voor het type afbeelding en dat staat in principe los van de gebruikte druktechniek. Er bestaan ook enkele geschilderde ukiyo-e. Wel heeft de gebruikte druktechniek gezorgd voor grote (goedkope) oplagen en voor grootschalige verspreiding onder de bevolking.

De term 'ukiyo' komt uit het boeddhisme en betekende aanvankelijk 'een wereld van pijn'. Hierbij doelde men op het leven van lijden in een vergankelijke wereld. De betekenis is wat verschoven en later bedoelde men hiermee de vergankelijke wereld op zich en kreeg toen de betekenis van het vlietende leven. Aangezien 'e' afbeelding of prent betekent, betekent ukiyo-e, een afbeelding van het vlietende leven, het leven van alledag dat aan ieder voorbijgaat. Het zijn prenten, veelal dus gedrukt m.b.v. houtdruktechniek, waarbij aanvankelijk de onderwerpen meestal werden gevormd door mooie vrouwen, (bijin, meestal waren dit courtisanes, geisha's), kabuki acteurs en sumo worstelaars. Dit waren ook meestal zeer bekende en gewaardeerde figuren. (Zo gezien kan men deze prenten beschouwen als de voorlopers van de huidige society-roddelbladen, alleen dan zonder roddels maar met afbeeldingen). Ook de 'goede' courtisanes (prostituees), waren dames van naam, die werden geadoreerd en hun afbeeldingen werden grif gekocht.
Landschappen werden eerst als minderwaardig gezien maar door toedoen van bijv. Hiroshige werd dit meer en meer geaccepteerd.
Door het gebruik van de houtdruktechniek begon de vlucht van ukiyo-e eind 17e eeuw met hoogtepunten in de 18e en 19e eeuw. Grote namen als Utamaro (1753-1806) en Hiroshige (1797-1858) hebben mede voor deze hoogtepunten gezorgd. Populair waren ook de erotische prenten, de shunga, waarvan we hier links een voorbeeld zien. Deze is van Kunisada.
Ook in het westen raakten de ukiyo-e bekend en van de hand van Vincent van Gogh zijn de bekende (min of meer) kopieën van een aantal ukiyo-e.
Ukiyo-e zijn tot ver in de 20e eeuw gemaakt maar ook (bijv. in de Meijitijd) werden oude prenten weer opnieuw uitgebracht, vaak met een iets mindere kwaliteit.

Men kent een aantal belangrijke perioden voor de Ukiyo-e:
. Edo periode (1600-1868), Dit is de periode waarin de ukiyo-e ontwikkeld wordt.
. Meiji periode (1868-1912), In deze periode, als Japan is opengesteld voor het buitenland, wordt de invloed van het westen duidelijk zichtbaar, de ukiyo-e gaan er meer westers uitzien.
. Shin Hanga (1913-1962), De Shin Hanga (nieuwe prenten) is een stroming die de oude ukiyo-e weer wil doen herleven maar wel met nieuwe inzichten als perspectief. Onderwerpen zijn over het algemeen dezelfde als de oude ukiyo-e.
. Sosaku Hanga, Gelijkertijd met Shin Hanga ontstaat een andere stroming, de Sosaku Hanga (creatieve prenten). Hier worden nieuwe, vaak op westerse ideeën geïnspireerde inzichten gebruikt. Ook de onderwerpen zijn niet meer traditioneel Japans. De Sosaku Hanga is dus duidelijk beïnvloed door Europese schilders.

Kunstenaars
Veelal werden de kunstenaars bekend onder hun 'voornaam' of eigenlijk hun artiestennaam. Ook veranderde deze naam nogal eens tijdens het leven van een kunstenaar.
Andô Hiroshige bijv. is bekend onder de naam Hiroshige of Hiroshige I, maar Tanaka was zijn eigenlijke familienaam. Hij werd geadopteerd door de Andô familie en nam, toen hij 14 was, de artiestenaam Hiroshige aan, vandaar Andô Hiroshige. Hij studeerde bij Utagawa Toyokuni en Utagawa Toyohiro, die hem later toestonden de naam Utagawa te gebruiken. Onder de naam Utagawa Hiroshige is hij ook bekend.
Ook kon een 'school' ontstaan, als de opvolgers onder dezelfde naam verder gingen, zoals Hiroshige II, Hiroshige III en Hiroshige IV. Dit waren niet noodzakelijkerwijs eigen kinderen maar eerder studenten van de grote meester. Hiroshige II was Suzuki Chimpei, een student van Hiroshige, die trouwde met een dochter van Hiroshige. Hiroshige III was ook student en trouwde ook met diezelfde dochter, nadat ze gescheiden was van Hiroshige II. Men schilderde wel in ongeveer dezelfde stijl.

Bekende namen zijn: Kitagawa Utamaro (1753-1806), Suzuki Harunobu (1725-1770), Katsushika Hokusai (1760-1849), Andô Hiroshige (1797-1858), Tsunoda Kunisada (1786-1864), Hishikawa Moronobu (1631-1694), Sugimura Jihei (actief 1680-1690), Katsukawa Shûnko (1743-1812), Katsukawa Shûnsho (1726-1792), Keisai Eisen (1791-1848) en Taiso Yoshitoshi (1839-1892).

Prenten en de signaturen
Japanse prenten hebben veelal verklarende teksten, die overigens niet op een vaste plaats in de prent staan. Soms zijn dit korte verhaaltjes maar het kunnen ook gedichtjes als haiku zijn. Ook staan op de meeste prenten een signatuur van de schilder een aantal zegels van de censuur, die het Tokugawa shogunaat had ingesteld. Alles werd door het shogunaat gecontroleerd. Alles dat gepubliceerd werd, moest de toestemming hebben van het shogunaat, d.w.z. van de locale autoriteiten. Het aratame-zegel. Dit betekent 'bekeken en goedgekeurd'. Het jaarzegel welke meldtwanneer de prent is uitgegeven. Overigens werd lang niet altijd een jaarzegel geplaatst, maar alleen in sommige perioden. Tenslotte het zegel van de uitgever. De uitgever was zeer belangrijk voor een goede kwaliteit van de prent. Bedenk dat de kunstenaar alleen de tekening zelf maakte maar het uitsnijden in hout in de verschillende blokken en het drukken in de vereiste kleuren door de uitgever werd verzorgd.

Bunjinga
In de 18e eeuw ontstond er in Japan weer een hang naar de Chinese kunsttraditie. Helaas was Japan van de buitenwereld afgesloten en had men dus weinig voorbeelden om op terug te vallen, maar met de voorbeelden die er waren begon men toch een eigen stijl te ontwikkelen. Nu was de Chinese kunst van oudsher min of meer opgedeeld in twee 'scholen'. Men sprak wel van de 'noordelijke' en de 'zuidelijke' school. Hierbij was de noordelijke school wat conventioneler en met oog voor details, zo men wil schilderde men objectief terwijl de noordelijke school zeer subtiel werkte meer vanuit het innerlijk. Men schilderde eigenlijk meer achter het schilderij, eigenlijk meer subjectief en men vertelde het liefst in zo weinig mogelijk, veelal in meer gestileerde stijl. Het is deze zuidelijke school die nu navolging kreeg en dan vooral onder de intelligentsia, zoals onder de geleerden en dichters. In Japan werd deze richting daarom wel de 'bunjinga', de kunst van de intelligentsia genoemd. In de Engelse literatuur spreekt men dan van de 'literati style'.

Deshima, de enige toegang tot Japan
Van 1641 tot 1859 was Japan voor buitenlanders vrijwel afgesloten. De Zeeuwen en de Hollanders waren de enige Westerlingen die er mochten verblijven en handel mochten drijven. Ze moesten zich wel aan strenge voorschriften houden en mochten alleen op Deshima wonen, een kunstmatig eilandje dat in de haven van Nagasaki was gebouwd. Via de Nederlandse VOC schepen, kwam West-Europa in contact met de Japanse cultuur, waaronder de Japanse prenten.
Een aantal van deze prenten is in het beheer van het Zeeuws maritiem muZEEum. Uit de serie Meiso Edo Hyakei (honderd beroemde gezichten op Edo) worden drie prenten getoond. Deze serie verscheen tussen 1856 en 1858 in 118 afdrukken. Alle bladen zijn in de marge voorzien van een datumstempel. Het zijn fraaie zeegezichten met schepen en bruggen; afbeeldingen die voor veel Europeanen het beeld van Japan bepaalden.
Uit een serie met geisha’s worden onder andere de beroemde courtisane Yomoyasen getoond. Daarnaast worden twee afbeeldingen getoond uit het verhaal uit de 11e eeuw van Prins Genji, die met zijn vrouw over zijn minnaressen praat.
Tot slot worden drie prenten uit een heel beroemde kabukistuk (een vorm van dans en toneel) ‘Chushingura’ getoond. Het is het waargebeurde verhaal van de rônin. Een rônin is een samoerai die zijn meester heeft verloren. Het verhaal speelt zich af rond 1700 ten tijde van de shôgun Tokugawa Tsunayoshi.

Tot 1853 was Deshima ingericht als handelspost van de VOC. Het was voor het keizerrijk het enige punt van contact met de buitenwereld. Op het eiland mochten maar 20 Nederlanders verblijven. Behalve een jaarlijks bezoek aan de shogun in Edo (zoals Tokyo tot 1867 heette), kwamen ze het eilandje niet af. Naast de 20 Nederlanders werd Deshima bewoond door zo'n 200 zogenoemde dwarskijkers. Deze Japanners hielden ‘die gevaarlijke barbaren’ in de gaten. Het eiland werd regelmatig bezocht door geisha's die de Nederlanders het 'kezen' leerden. Nu nog staan de Nederlanders in Nagasaki vooral om hun bedverrichtingen bekend.
Na 1853 werd Japan opengesteld voor buitenlanders. De collectie Japanse prenten die te zien is in het Zeeuws maritiem muZEEum, komt uit deze periode. Deze prenten werden gemaakt met behulp van houtblokken. Voor elke kleur een apart blok, een heel nauwkeurig en precies werk.

Toen Europese kunstenaars in de tweede helft van de negentiende eeuw kennis maakten met de Japanse stijl van tekenen en met de Japanse prenten, maakte dat een onuitwisbare indruk. Veel van de Japanse vormprincipes sloten niet alleen aan bij de wens van Europese kunstenaars om de kunst te vernieuwen, maar leverden ook de uitgangspunten voor een nieuwe vormentaal. Dit Japonisme maakte deel uit van een veel breder modeverschijnsel, dat zich ook in de literatuur, de bouwkunst en de muziek manifesteerde.

Moderne tijd
Natuurlijk komen uit Japan ook moderne kunstenaars. Een van de bekendste uit deze eeuw is de beeldhouwer Isamu Noguchi. Nog recenter is het werk van Japanse filmregisseurs als Kurosawa en fotografen als Araki. Daarnaast maken veel Japanse kunstenaars deel uit van de internationale kunstwereld. Ze maken video-art of houden zich bezig met het maken van conceptuele kunst.

Japanse kunstenaars hebben tegenwoordig, ook in het westen, veel naam gemaakt. Denk aan de grote hoeveelheid geproduceerde teken- en speelfilms. Deze kunstenaars hebben zeker een nieuwe dimensie toegevoegd aan de tekenfilmindustrie ('anime', afgeleid van het Engels 'animation'), met als bekend voorbeeld Akira, oorspronkelijk een stripboek (manga) uit 1982 van Otomo Katsuhiro. De tekenfilm Akira wordt wel gezien als een van de beste tekenfilms allertijden. De film werd in 1988 in de Verenigde Staten uitgegeven en was meteen een succes.

In de speelfilmindustrie is natuurlijk Kurosawa Akira (hier bekend als Akira Kurosawa) een van de bekendste regisseurs, vooral door zijn film 'The Seven Samurai'. Deze film heeft model gestaan voor de bekende Amerikaanse uitvoering, 'The Magnificent Seven'.

Ook als designers van (huishoudelijke) voorwerpen maar bovenal in de architectuur hebben de Japanners veel nieuwe en gedurfde ontwerpen op hun naam staan. Veel van de moderne en gewaagde ontwerpen in Japan en daarbuiten zijn van de hand van Japanse architecten.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 1278.