kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 25-07-2008 voor het laatst bewerkt.

Joep Nicolas

Nederlandse glazenier, kunstschilder en tekenaar, geboren 6 oktober 1897 in Roermond - overleden 25 juli 1972 in Steyl.

Josephus Antonius Hubertus Franciscus (Joep) Nicolas wordt beschouwd als een vernieuwer in de glasschilderkunst in de 20e eeuw. Hij hoorde bij een bekende generatie Limburgse kunstenaars, waar ook o.m. Charles Eyck, Henri Jonas, Harry Koolen, Edmond Bellefroid, Han Jelinger, Hub Levigne, Jos Postmes, Jef Scheffers bij hoorden.

Het werk van Joep Nicolas is expressief, expressionistisch en kleurrijk. De christelijke symboliek speelt een grote rol. Hij beschouwde het lood niet alleen als functioneel, maar ook als onderdeel van de compositie; zo trok hij de loodlijnen soms dwars door personen heen. Sommige van zijn werken zijn abstract. In Amerika wordt zijn werk zakelijker en minder romantisch.

Nicolas bedacht ook enkele technische verniewingen in de glasschilderkunst, onder andere het vermurail (muurglasschildering), grisaille (glasschilderverf) en het gebruik van opaline (dun melkglas).

Biografie
Nicolas werd geboren in de Lindanusstraat in de bisschopsstad Roermond als zoon van glazenier Carolus Antonius Hubertus Nicolas en Henriette Marie Josephina Hortense Schieffer. Het vak leerde hij in het goedlopende atelier voor gebrandschilderd glas van zijn vader Charles Nicolas, dat in 1855 opgericht was door zijn opa Frans Nicolas.

Samen met zijn twee broers en zuster kende Joep een onbezorgde jeugd, waarop het rooms-katholicisme een zwaar stempel drukte. Joep kreeg een degelijke, burgerlijke opvoeding, met Frans als omgangstaal en een gymnasiumopleiding aan het plaatselijke Bisschoppelijk College.

Na het behalen van zijn gymnasiumdiploma in 1916 begon Nicolas aan de studies filosofie en kunstgeschiedenis aan de katholieke universiteit in het Zwitserse Fribourg. Maar toen zijn vader erachter kwam dat hij meer tijd besteedde aan uitgaan en amoureuze avonturen dan aan zijn studie, riep deze hem terug naar Roermond. In 1919 ging Nicolas rechten studeren aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij - op suggestie van zijn vader - tegelijkertijd een cursus tekenen volgde aan de Rijkskunstnijverheidsschool. De rechtenstudie bleek evenwel niet aan hem besteed en werd alras gestaakt.

In Amsterdam maakte de 'rusteloze' Nicolas zich het tekenen en houtsnijden eigen om weldra van zijn artistieke hobbies zijn beroep te maken. Limburgse kennissen hielpen hem aan zijn eerste opdrachten: hoofdzakelijk geschilderde portretten. Bij wijze van studie maakte hij (naakt)tekeningen, gouaches (landschappen), houtsneden en lino's.

Een doorbraak kwam in 1922, toen Nicolas werd gevraagd enkele fresco's en twee gebrandschilderde ramen te maken in de crypte van het Romaanse kerkje in Asselt ten noorden van Roermond. Terzelfder tijd maakte de militaire dienstplicht abrupt een einde aan Nicolas' onbezorgde leventje, maar vrije tijd voor zijn kunstzinnige bezigheden was er genoeg.

In de zomer van 1922 - toen Nicolas tijdens een militair verlof zijn ouders in Roermond bezocht - ontmoette hij op een tennisbaan de Belgische Suzanne Nys, een telg uit een textielhandelaarsfamilie, op wie hij verliefd werd. Om deze knappe negentienjarige beeldhouwster voor zich te winnen, betrok hij haar vol enthousiasme bij zijn werk voor de kerk in Asselt, waarvoor zij een crucifix zou vervaardigen.

Bij toeval hoorde de opnieuw opgeroepen reserve-sergeant van Amsterdamse vrienden over het bestaan van de Vigeliusprijs. Nicolas waagde een kansje en toog in de kazerne hard aan het werk met een doek, getiteld: De droefenis om den dood van Christus. Tegen ieders verwachting in viel hij in 1923 met dit schilderij in de prijzen.

In 1924 trouwde hij met de Belgische beeldhouwster Suzanne Nys (Suzanna Melania Charlotta Maria Nys (1902-1984)) waarna het paar in Groet (Noord-Holland) ging wonen. Uit dit huwelijk werden in 1925 en 1928 de dochters Claire en Sylvia geboren. Door met Nys in het huwelijk trad, werd hij de zwager van Aldous Huxley. Deze erudiete Britse romanschrijver werd een van zijn culturele leermeesters en weldra ook een belangrijke pleitbezorger van zijn werk in de Angelsaksische wereld.

In het katholieke dorp Groet zou de kinderoptocht op Sint Maartensdag Nicolas inspireren tot het maken van een uitzonderlijk tableau vivant in glas-in-lood. Intussen deed zijn vader steeds vaker een beroep op hem. Nillens willens moest hij in de historische stijl van de firma Nicolas kartons aanleveren. De praktische kanten van het gecompliceerde glazeniersvak leerde hij van G. Mesterom, meester-glazenier in het atelier van zijn vader. Tussen de bedrijven door experimenteerde hij met zijn eigen opdrachten.


In 1924 verzochten dezelfde juryleden die hem eerder met de Vigeliusprijs hadden bekroond, Nicolas werk in te sturen voor de Exposition internationale des Arts décoratifs et industriels modernes die in 1925 in Parijs zou worden gehouden. Voor het eerst in zijn leven zag hij ernaar uit om een glas-in-loodwerk te maken. Hoewel het Sint Maartensraam allerminst de goedkeuring van zijn vader kon wegdragen - het raam met incomplete gezichten zonder ogen of neus zou niet af zijn - liet Nicolas zich niet van de wijs brengen. In 1925 won hij hiermee de Grand Prix des Maîtres des Verriers. Had Nicolas bij het St. Maartensraam nog vastgehouden aan de heersende traditie om de loodlijnen de contouren van de figuren te doen volgen, weldra zou hij ook daarmee breken en de loodlijnen dwars door figuren heen trekken. Met dit kunstwerk had Nicolas de glasschilderkunst ontdaan van haar decoratieve dienstbaarheid aan de monumentale architectuur en haar verzelfstandigd tot een volwaardig expressiemiddel. Met dit levendige, strak gecomponeerde en kleurrijke raam werd Nicolas' internationale reputatie als glazenier in één klap gevestigd. Nog tweemaal zou hij de Grand Prix winnen: in 1933 in Milaan en in 1935 in Brussel.

Er kwamen nu veel opdrachten binnen, vooral voor religieuze glas-in-loodramen en voor ramen in openbare gebouwen.

Begin jaren twintig kwam Nicolas in contact met Pieter van der Meer de Walcheren. Uiteraard ondersteunde hij het initiatief van deze tot het rooms-katholicisme bekeerde schrijver om jonge kunstenaars een forum te bieden in De Gemeenschap. Maandschrift voor Katholieke Reconstructie (1925). Nicolas leverde bijdragen aan dit tijdschrift in de vorm van illustraties, maar soms gaf hij daarin ook zijn opvattingen prijs over het glazeniersvak en - meer in het algemeen - over het katholieke kunstenaarschap tijdens het interbellum. Zo wees hij de frescokunst af als te weinig monumentaal, en was de mozaïekkunst hem te statisch. Met de glasschilderkunst kreeg hij echter de beschikking over een middel tot 'spontane expressie'. Zijn leven lang zocht Nicolas de uitdaging bij dit 'heerlijke overbodige werk' om een compromis te vinden met doelmatigheid: 'Zodoende is lichtdoorlating en gedeeltelijke rantsoenering, naar behoefte, steeds de hoofdtaak gebleven, terwijl het doel iets hoger lag, in de ideologische orde' ('Oriëntatie van een kunstenaar', 50).

In 1933 keerde Nicolas met zijn gezin vanuit Groet terug naar Roermond. Aan het eind van de jaren dertig ontwierp hij een paar vazen voor de glasfabriek van Leerdam en legde hij zich ook wat meer toe op het schilderen. In een serie zelfportretten beeldde hij zichzelf het liefst af als schilder. Nicolas maakte niet onverdienstelijke landschappen in de traditie van de Franse naturalistische school, maar meer zeggingskracht hebben ook nu nog zijn portretten van D.H. Lawrence (1929), Suzanne met schaar (1931), Aldous en zijn zoon Matthew Huxley (beide uit 1932), zijn Vader (1934) en enkele zelfportretten.

Toen de uitvoering van zijn vele ontwerpen steeds vaker zijn aanwezigheid vereiste in het Roermondse atelier, verlieten Nicolas en zijn jonge gezin Groet en vestigden zij zich in november 1933 op een etage van de ouderlijke woning. Nicolas werkte er een ontwerp uit van W.A. van Konijnenburg voor een herdenkingsraam ter gelegenheid van het derde eeuwfeest van Hugo de Groots De jure belli et pacis (1625) in de Grote Kerk te Delft. De American Bar Association koos uit vier inzendingen de zijne (1931), waardoor hij al enige bekendheid verwierf in de Verenigde Staten.

Nicolas maakte vooral naam met zijn tientallen kerkramen, zoals die in de Sint Martinuskerk in Oud Zevenaar (1931), het 'Laatste Oordeel' in de Grote Kerk van Hulst (1934), een groot roosvenster voor de Belgische abdij van Orval (1936) en 'Opstanding' in de kerk van het West-Brabantse Wouw (1937). Daarnaast verfraaide Nicolas ook heel wat openbare gebouwen met kleurrijke vensters. Hij beglaasde ramen van stadhuizen in Breda (1926), Hilversum (1931) en Tilburg (1938), hoofdkantoren van grote ondernemingen als de Nederlandsche Handel-Maatschappij in Amsterdam (1924), Philips in Eindhoven (1929), de Amstelbrouwerij in Amsterdam (1930), Unilever in Rotterdam (1931), het St. Canisiusziekenhuis (1927) in Nijmegen, verschillende middelbare scholen, maar ook het nieuwe KRO-gebouw in Hilversum (1936) en de aula van de Rijksuniversiteit te Utrecht (1936). In 1938 decoreerde Nicolas de eersteklasse eetzaal van de S.S. 'Nieuw Amsterdam', het vlaggenschip van de Holland-Amerika Lijn, in vermurail. Opnieuw naar ontwerp van Van Konijnenburg voltooide hij eind 1939 twee ramen ter gelegenheid van het regeringsjubileum van koningin Wilhelmina in de Amsterdamse Nieuwe Kerk.

In de jaren dertig werd de 'ideologische orde' voor Nicolas nog bepaald door het rooms-katholieke geloof. Kende de profane glasschilderkunst louter een representatief karakter, de religieuze glas-in-loodramen waren in de vooroorlogse verzuilde samenleving juist nauw verbonden met de beleving van het katholieke volksdeel. De glazenier diende daarom zelf gelovig te zijn en over voldoende bijbelse en iconografische kennis te beschikken. In Wij glazeniers (1938) hield Nicolas een warm pleidooi voor geïnspireerd werk en vakbeheersing. Hij introduceerde ook enige vernieuwingen: de vondst en toepassing van opaline (: dun melkglas, waarop hij in 1937 octrooi nam), het gebruik van grisaille (: glasschilderverf) en de techniek van het meerkleurige vermurail (: muurglasschildering). Na de Tweede Wereldoorlog wist hij de arbeidsintensieve vervaardiging van het glas-in-lood door nieuwe technieken te bekorten.

In 1939 liet Nicolas' echtgenote Suzanne weten het naderende oorlogsgeweld te willen ontvluchten. Aldous Huxley en zijn gezin waren al naar de Verenigde Staten uitgeweken, en deze trachtte ook Nicolas te overreden dit voorbeeld te volgen. Toen er tegelijkertijd een opdracht in het Holland House in New York voor hem in het verschiet kwam, was het pleit snel beslecht. Nicolas verkocht zijn atelier en scheepte zich met zijn gezin in. Maar achter de façade van oorlogsdreiging en nieuwe vooruitzichten wist Suzanne een huwelijkscrisis te bezweren. Eind jaren dertig had de 'groots en meeslepend levende' Nicolas namelijk de beeldend kunstenares Gisèle van Waterschoot van der Gracht (geb. 1912) als leerlinge in zijn huis opgenomen en waren zich de contouren van een ménage à trois gaan aftekenen.

In 1939 vertrok Nicolas naar de Verenigde Staten, hij werd er Amerikaan en werkte voor het atelier van Harold Rambuseh. Toch bleef hij in Nederland werk maken, dat hoofdzakelijk door glazenier louis Smeets in Venlo werd uitgevoerd. Nicolas' betekenis reikte over de grenzen van de glazenierkunst.
Zijn moderne interpretatie van het ambachtelijke werk inspireerde velen, zelfs de Glasfabriek leerdam gaf hem enkele opdrachten voor het maken van vazen.

Van 1939 tot 1958 woonde Nicolas in de Verenigde Staten. Het verblijf van Nicolas in de Verenigde Staten bleek geen onverdeeld succes. Vooral in het begin was het sappelen. Suzanne moest beeldhouwlessen geven, en Huxley sprong financieel bij. Later ging het hem door toedoen van Harold Rambusch beter. Rambusch Decorating Co. bezorgde hem allerlei opdrachten, maar de ongemakkelijke verstandhouding tussen een aan vrijheid gewende kunstenaar en zijn nieuwe baas vormde een van de thema's van Nicolas in verscheidene (later gepubliceerde) causerieën. Tijdens zijn jarenlange verblijf in de Verenigde Staten beglaasde hij 22 Amerikaanse kerken en voorzag hij diverse publieke gebouwen van wandschilderingen.

Negentien jaar lang woonde Nicolas in de Verenigde Staten, een verblijf dat hij als 'een retraite in de woestijn' zou omschrijven. Toen allengs de druk om terug te keren naar zijn verwoeste vaderland groter werd, sloeg bij hem de twijfel toe. Nicolas zou nog tot en met juni 1958 pendelen tussen zijn huis in Islip op Long Island en Nederland, vooraleer hij en Suzanne zich in 1958 opnieuw vestigden in Limburg, en wel in Steyl in de buurt van Venlo. Nadat hij in 1953 de Amerikaanse nationaliteit had verworven, herkreeg hij bij wet van 30-3-1961 (Staatsblad nr. 104) de Nederlandse nationaliteit.

De wederopbouw in Nederland samen met zijn opdrachten in de Verenigde Staten bezorgde Nicolas opnieuw veel werk. Desondanks was er vooral onder jongeren veel kritiek op het werk van deze 'geamerikaniseerde' kunstenaar, terwijl Nicolas op zijn beurt gruwde van de abstracte kunst en het expressionisme, die juist in de jaren vijftig furore maakten. Hij weigerde zich op een bepaalde stijl vast te leggen. Evenmin diende kunst, volgens hem, een doel. Zijn drie koorramen uit 1953 in de Roermondse kathedraal werden door lang niet iedereen gewaardeerd.
Pas in de 25 ramen in de gerestaureerde, laat-romaanse basiliek van Sint Odiliënberg nabij Roermond (1954) en in de acht ramen uit de cyclus Apocalyps in de Sint Pancratiuskerk van Tubbergen wist hij zich los te maken van Amerikaanse invloeden en haalde hij weer zijn vooroorlogse niveau.

In 1955 kreeg hij de opdracht om de ramen voor de Oude Kerk in Delft te maken, waaraan hij in 1958 begon. Deze ramen (het laatste werd geplaatst in 1972) zijn zijn bekendste werk. In 1956 maakte hij een eerste 'Bevrijdingsraam'. Nadat hij de Verenigde Staten verruild had voor Nederland kon hij zich vanaf 1958 aan zijn magnum opus te wijden. Op 13 juni 1964 kon hij de laatste van de 24 ramen officieel overdragen aan de kerkvoogd.

In de jaren zestig kreeg Nicolas niet veel opdrachten meer en werd zijn werk, en de glasschilderkunst in het algemeen, minder gewaardeerd: enkele van zijn scheppingen konden zelfs ternauwernood voor sloop worden behoed.

In 1963 bij de voltooiing van zijn Delftse ramen, werd de altijd onvermoeibare Nicolas getroffen door een lichte beroerte. Als stevige whiskydrinker moest hij de fles voortaan laten staan en diende hij het kalmer aan te doen. In 1964 schreef hij zijn dochter Claire: 'Mijn legende loopt af en ik weet niet eens hoe ik er een keurig slot voor moet verzinnen' (Nicolas White, Joep Nicolas, 110).

Zijn laatste opdracht voor drie koorramen in de Utrechtse Sint Catharinakerk voerde Nicolas uit in 1966.

Eind juli 1972, ruim twee maanden na de onthulling van zijn laatste raam, stierf Nicolas thuis aan een hartaanval. Overeenkomstig zijn wens werd hij begraven aan de voet van de basiliek van Sint Odiliënberg.

In 1972 overleed hij. Hij werd begraven op het kerkhof bij de basiliek van Sint-Odiliënberg, waarvoor hij de ramen ontworpen had.

Joep Nicolas was een temperamentvolle, innemende, soms overdonderende persoonlijkheid. Hij genoot intens van het leven, was een onderhoudend causeur, een gulle gastheer en 'un homme à femmes' met een 'chaotisch liefdesleven' (Nicolas White, In glas gebrand, 11). Nicolas was een formidabel netwerker met een groot gevoel voor publiciteit, die de pers vaak naar zijn hand wist te zetten. Hoewel niet gespeend van zakelijk talent, raakte hij door zijn overdadige levensstijl soms in grote geldzorgen. Als kunstenaar was hij soms te haastig en te oppervlakkig, dan weer heel aansprekend in kleurgebruik, diep geïnspireerd door christelijke symboliek en doorgaans met een sterke compositie. Nicolas was een van de eersten die in spaarzame geschriften bijdroegen aan de emancipatie van de glazenier. Op zijn naam staan ook enkele vernieuwingen in de glasschilderkunst. Het was teleurstellend voor hem dat het (kerkelijke) glas-in-lood tegen het eind van zijn leven uit de mode raakte. Nicolas' artistieke nalatenschap is te vinden op vele plaatsen in Nederland en ver daarbuiten.

Werken van Nicolas bevinden zich onder andere in:
. de Oude Kerk in Delft
. de Pancratiusbasiliek in Tubbergen (gebrandschilderd glas van vijf generaties Nicolas; de kruisweg is gebeeldhouwd door Suzanne Nicolas-Nys)
. kerk van Sint-Dionysius de Areopagiet in Asselt
. kerk van Onze-Lieve-Vrouw van de Zeven Smarten in De Meulenhoek
. de Sint Hubertuskerk in Groot Genhout
. de Sint-Christoffelkathedraal van Roermond
. het stadhuis van Roermond
. de Basiliek van de H.H. Wiro, Plechelmus en Otgerus van Sint Odiliënberg
. de abdij van Orval (België)
. 't stadhuis van Breda
. de kerk van Spaubeek
. O.-L.-Vrouwekerk (Kortrijk, België)

GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Joep_Nicolas


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 10.