kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 22 03 2017 16:51 voor het laatst bewerkt.

Johan Dijkstra

Johan dijkstra (1896 - 1978)

kunstschilder (Groningen 23-12- 1896 - Groningen 21-2- 1978 ). Zoon van Derk Dijkstra, huisschilder, en Elizabeth Bousema.

Het tekentalent van Johannes Dijkstra bleek al op jeugdige leeftijd: op zijn ULO-eindexamenlijst prijkte een negen voor handtekenen tussen allemaal zessen voor de overige vakken.

Dijkstra volgde na de ULO de driejarige HBS in Groningen. Zijn moeder had hem een carrière in de handel toegedacht. Om zijn tekenvaardigheid verder te ontwikkelen volgde hij vanaf 1915 op de woensdag- en zaterdagmiddagen een voorbereidende cursus tekenen op de Academie Minerva. Het advies van niemand minder dan Otto Eerelman (1839 - 1926) om met zijn gave toch zeker de dagopleiding te gaan doen, maakte op de jonge Dijkstra zeer veel indruk. Met financiële hulp van deze vermaarde kunstenaar werd Dijkstra in staat gesteld een jaar later inderdaad het officiële Minerva-lesprogramma te volgen. Hij sloot deze in 1919 af met een middelbare onderwijsbevoegdheid voor tekenen.

Rond 1918 schilderde Johan dijkstra, mede onder invloed van F.H. Bach, zijn leraar op Academie Minerva, impressionistisch.

In 1918 was Johan dijkstra één van de initiatiefnemers geweest van de oprichting van De Groninger Kunstkring De Ploeg. Zestig jaar lang (tot aan zijn overlijden) zou hij lid blijven.

In 1919 werd hij toegelaten tot de Amsterdamse Rijksacademie van Beeldende Kunsten om zich het schilderen naar levend model verder eigen te maken. De lessen in monumentale kunst van R.N. Roland Holst waren essentieel voor zijn latere ontwikkeling.

Behoefte aan licht en ruimte van het Groninger land deden hem in 1920 plotseling besluiten de hoofdstad te verlaten. Hij vestigde zich, terug in Groningen, aan de Spilsluizen, waar de met hem bevriende architect Evert van Linge een atelier voor hem bouwde. Dijkstra leefde in deze periode vooral van het vervaardigen van illustraties en reclamekunst. Bovendien schreef hij, als secretaris van De Ploeg, regelmatig artikelen in verschillende kranten en tijdschriften. Hij zou zijn hele leven een actief publicist over kunst blijven.

Gehuwd op 21-3-1922 met Maria van Veen. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.

Zijn stijl is in het begin van de jaren twintig geïnspireerd op het werk van Van Gogh en de Luministen. Eén van de hoogtepunten uit deze periode is het monumentale schilderij 'Rustende Zichters', dat zich in het Groninger Museum bevindt, waarmee hij de Willink van Collenprijs in 1925 won. Zijn schilderijen ontwikkelen zich tussen 1921 en 1924 geheel in de lijn van deze grote meester van bijna monochroom donker naar pointillistisch. Hiermee stond hij buiten het expressionisme van de andere Ploegleden, die evenals hij via Jan Wiegers kennis hadden gemaakt met de kunst en ideeën van E.L. Kirchner, maar deze aanvankelijk met meer enthousiasme en getrouwheid volgden dan Dijkstra. Dijkstra koos zijn onderwerpen steeds uit het Groningse plattelands- of stadsleven; verder schilderde hij portretten van mede-Ploegleden. Dezelfde thema's keren terug in zijn grafiek, waarmee hij, al experimenterend, een hoog niveau bereikte.

Pas rond 1924, later dan zijn Ploeggenoten, kwam ook Dijkstra in de ban van het expressionisme. Zijn bewondering voor Kirchner, Van Gogh en Edvard Munch werd toen evident.

Omstreeks 1926, na de terugkeer van Jan Wiegers uit Davos, laat Dijkstra zich evenals de andere Ploegleden steeds meer inspireren door een Duits-expressionistische stijl. Hij ging over op de wasverftechniek die Wiegers bij Kirchner had leren kennen; als verdunningsmiddel werd benzine met was gebruikt. Hij vereenvoudigde het gekozen beeld met felle kleuren om tot een snelle spontane weergave van zijn emoties te komen; hierbij traden soms sterke 'vertekeningen' op. Schilderijen in felle kleuren, impulsief gekraste lijnetsen en krachtige houtsneden in decoratief zwart/wit kenmerken deze periode. Merkwaardigerwijs zijn voor een aantal van dergelijke 'impulsieve' stukken voortekeningen bekend. In zijn grafiek kwam hij tot een zelfde dynamiek en expressiviteit, vooral in etsen en houtsneden.

In 1926 werd hij leraar bij De Linetreckers, een tekenvereniging van Groningse studenten.

Tegen het einde van de jaren twintig ontwikkelt Dijkstra zich in de richting van een ingetogen impressionisme. Het is tevens de tijd dat hij zich concentreert op de glasschilderkunst en de mozaïek. Talrijke opdrachten, waaronder de aularamen van het Academiegebouw van de Universiteit van Groningen, zijn hiervan het resultaat, waarbij de lessen van Roland Holst hem van pas kwamen. Daarnaast leerde hij bij van Duitse glasschilders in Groningen. Hij bleef wel vrij tekenen en schilderen, zij het meer natuurgetrouw dan voorheen.

Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog maakt het uitvoeren van monumentale opdrachten onmogelijk, waarop Dijkstra terugkeert naar penseel en doek. Hij maakt uitgebalanceerde aquarellen -gereserveerd van toon. Tijdens de Tweede Wereldoorlog legde hij in deze kunstvormen het Groningse landschap vast, onder meer om de schoonheid van dit land, dat hem lief was, voor het nageslacht te bewaren.

Zijn eerste grote monumentale opdracht vóór de oorlog was de vervaardiging van ramen voor de aula van de Groninger universiteit, die in 1951 voltooiing vond. Na de oorlog volgden glasopdrachten in Dordrecht - het grote transeptraam in de Grote Kerk (1951-1954), Coevorden (1962 en 1969) en Utrecht (1957, 1960 en 1964). Voorts vervaardigde Dijkstra mozaïeken in Manchester en Malmö en wandschilderingen in Assen. Op het eind van de jaren '50 namen zijn creatieve impulsen af en werd zijn werk zwakker.

Culturele Prijs van Groningen 1956.

Dijkstra publiceerde met grote regelmaat. Hij schreef teksten voor De Ploeg (zoals het manifest De Ploeg Groningen 1927 en stukken in het Ploegtijdschrift Het Kouter) en artikelen in onder meer de Vrije Bladen, het Cultureel maandblad en het Nieuwsblad van het Noorden. Hij toonde zich een kundig maar strijdbaar kunstcriticus, die emotioneel kon uithalen tegen kunstuitingen die hij niet kon waarderen - de abstracte kunst moest het vooral ontgelden. Deze houding was, met zijn neiging tot ijdelheid en een zekere geldingsdrang, een reden, waarom hij weinig hartelijke contacten onderhield met collega's. In zijn geschreven herinneringen aan de vroege Ploegtijd verheerlijkte Dijkstra vaak het verleden; door zijn subjectief gekleurde visie zijn deze 'memoires' niet altijd historisch betrouwbaar.

Zijn aanleg voor grafisch werk kwam onder andere tot uiting in boekillustraties, reclamedrukwerk en schoolplaten. Zijn gevoel voor monumentale kunst resulteerde in diverse opdrachten voor gebrandschilderde ramen, maar ook voor wandschilderingen (bijv. in het stadhuis van Groningen). Zijn grafische oeuvre is groot. Behalve vrij werk vervaardigde Dijkstra onder meer illustraties bij vertaalde Russische romans, bij gedichten van onder meer Josef Cohen (1923) en bij Groninger volksvertellingen, door E. J. Huizenga-Onnekes verzameld onder de titels Het boek van Trijntje Soldaats (1928) en Het boek van Minne Koning (1930). Dijkstra maakte ook enkele beeldhouwwerken. Behalve van De Ploeg was hij lid van De Onafhankelijken, Arti et Amicitiae, en de beide verenigingen De Grafische en De Hollandsche aquarellistenkring. Naast een-mansexposities nam hij deel aan vele tentoonstellingen van De Ploeg en was hij enkele malen vertegenwoordigd op exposities in het buitenland, waaronder de Biennale van Venetië.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 367.