kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 25-03-2008 voor het laatst bewerkt.

John Buckland Wright

Nieuwzeelands grafisch kunstenaar (Redroofs (Dunedin, Nieuw-Zeeland), 3 december 1897 - Londen, 1954)

Vanuit Nieuw-Zeeland vestigde Buckland Wright zich in Engeland. Buckland Wright studeerde geschiedenis in Oxford en architectuur in Londen. Hij was echter liever een kunstenaar dan een architect en vanaf 1921 woonde hij in België en werd gekozen als lid van de Gravure Originale Belge in 1925.

In juni 1929 hadden Stols en de Nieuwzeelander John Buckland Wright (1897-1954) elkaar ontmoet, doordat Greshoff Stols attent had gemaakt op het werk van Wright dat te zien was op de tentoonstelling ‘Les Xylographes Belges’ in Brussel. Vanaf John Keats' The collected sonnets, die in 1930 als zevende uitgave van The Halcyon Press zou verschijnen, heeft Wright meer dan enige andere illustrator het gezicht van Stols' uitgaven mede bepaald. Tot 1933 ontving Buckland Wright illustratie-opdrachten uitsluitend van Stols of via hem. Illustreren was voor Buckland Wright nooit een routineklus: hij was hyperkritisch, zowel voor zichzelf als voor de drukker. Stols leerde technisch en artistiek veel van hem.

Buckland Wright is later ook bekend geworden bij de Nederlandse Ex-libris verzamelaars waarvoor hij een aantal ontwerpen heeft gemaakt.

JOHN BUCKLAND WRIGHT BIJ BOUCHER IN DEN HAAG
Deze te Parijs werkzame en goeddeels verfranschte Angelsaks, van geboorte een Nieuw Zeelander, is een schilder en een graficus, al geloof ik
niet dat hij ooit zijn schilderwerk tentoon stelde. Zeker dankt hij zijn naam aan zijn houtsneden, meer in 't bijzonder nog waarschijnlijk aan zijn boekillustraties.
Hier te lande bij A.A.M. Stols geïntroduceerd door Greshoff, die hem in het jaar 1929 ontdekte op de Exposition des Xylographes belges, stelde deze uitgever hem in de gelegenheid de sonnetten van Keats, Poe's verhalen en — naar ik meen nog onlangs — A. Roland Hoist's Tusschen
Vuur en Maan met houtgravures te verluchten. Een tentoonstelling van zijn grafiek bij Scheltema en Holkema te Amsterdam werd gevolgd door een bij Boucher in Den Haag, en het is naar aanleiding dezer laatste expositie dat ik hier graag eens de aandacht vestig op dit werk, zoo rijk aan smaak en tevens zoo kundig.
Wie op de tentoonstelling de moeite nam, zorgvuldig alle jaartallen na te gaan op de gravures of drogenaaldetsen, kon tot de heugelijke gevolgtrekking komen dat Buckland Wright jaar in, jaar uit gegroeid is, dit zoowel technisch als geestelijk gesproken. Laat men hier dadelijk aan toevoegen, dat dit zeker noodig was, want de innemend vlotte graficus had, en heeft nog wel tot op een zekere hoogte, veel te winnen aan gevoelsdiepte en zich tevens ook los te maken van bepaalde onpersoonlijke maniërismen.
De neiging tot deze, aanvankelijk cubistisch geaccentueerde maniërismen was steeds duidelijker aanwezig in de landschappelijke omgeving der figuren, dan in de figuren zelf. Deze gestalten, in den regel badende vrouwen, boeiden den kunstenaar vermoedelijk méér dan de romantische entourage waarin hij ze plaatste en die hij min of meer bleek op te vatten als „toegift", als „decor" — met dit gevolg echter, dat de éénheid der prent soms te wenschen overliet. De vast gebouwde, sierlijk strakke en nagenoeg klassiek gegeven gestalten toch waren aanmerkelijk plastischer van behandeling dan de eenigszins decoratief onwezenlijke, hoewel compositorisch soms heel fraai geordonneerde plant-, boom-, water- of rots motieven. Tot in zijn laatste uitingen blijkt nu en dan dit te bedachte en tooneelmatige der landschappelijke achtergronden niet geheel van de baan.
Daarom schenen ook gewoonlijk die prenten het volkomenst, het volledigst bevredigend, waarin Buckland Wright zijn figuren gezet had in bijv. een sober interieur. Aan zijn feilloos zekeren teekentrant paart dan de van huis uit oer-Engelsche, evenwel duidelijk onder Fransche en soms Picasso-achtige invloeden gevormde graficus een fijne bekoorlijke dichterlijkheid en een frisch compositorisch vermogen. Eenigszins koel, maar voornaam en bijzonder innemend, als het ware hoffelijk werk, dat mede door den gestagen groei in het verleden nog veel goeds in de toekomst doet verwachten. W. Jos. DE GRUYTER 1933/01 www.elseviermaandschrift.nl


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 111.