kunstbus











1962

Karel Appel

Nederlandse schilder, beeldhouwer, tekenaar en dichter, geboren 25 april 1921 Amsterdam - overleden 3 mei 2006 in Zürich, Zwitserland.

Karel Appel wordt beschouwd als een prominent exponent van het expressionisme uit de tweede helft van de twintigste eeuw. Zijn naam zal ook altijd verbonden blijven aan de CoBrA-groep (Copenhagen, Brussel, Amsterdam), die de schilderkunst drastisch vernieuwde. Karel Appel schildert, ook volgens eigen zeggen, nooit de abstractie, al benadert zijn werk dat wel sterk. Er zijn altijd herkenbare figuren te ontdekken, of dit nu mensen, dieren of zonnen zijn. Behalve schilderijen maakt hij gouaches, litho's en fel gekleurde beelden en reliëfs van hout, aluminium en polyester.

Ik rotzooi maar wat an.' is een vaak geciteerde uitspraak van Karel Appel. Dat de expressionist allerminst een knoeier was bleek wel uit de film die Jan Vrijman in 1961 over hem maakte. Appels werkwijze bestond uit lang kijken, de spanning opbouwen en als de verftubes dan eindelijk ter hand werden genomen, barstte alle opgekropte energie in een haast dierlijke explosie het doek op.

Zijn latere werk, zoals de series Kampong bloed en Crime paintings, bewees zijn geëngageerdheid. 'Ik schilder als een barbaar in deze barbaarse tijd', stelde hij zelf. Op het canvas goot hij zijn verontwaardiging in 'kinderlijke' vormen en felle kleuren, aanvankelijk met sterke contouren maar gaandeweg steeds vrijer. Ook beeldhouwde en musiceerde hij — met sloophout en luidruchtig trommelend.

levensloop
Karel Christiaan Appel werd op 25 april 1921 in Amsterdam-Oost geboren in de Dapperstraat, midden in een volksbuurt, als zoon van een muzikale moeder en een kapper.

Op zijn veertiende kreeg hij een schilderskist van zijn oom. Samen met die broer van zijn moeder, een verwoed amateurschilder, trok hij de natuur in om landschapjes in de stijl van Monet te maken. Na enkele jaren in de zaak van zijn vader te hebben gewerkt (‘Ik was een haarverfspecialist') werd hij vlak voor de oorlog het huis uitgestuurd omdat hij liever wilde gaan schilderen. Een te louche bestaan vond zijn omgeving. 'Toen ben ik op straat gaan leven. Want als schilder ben je gedoemd als een zwerver te leven in Nederland', knorde hij nog toen roem en rijkdom allang zijn deel waren en hij al sinds jaren in New York verbleef. In 1997 schatte het blad Quote zijn vermogen op 65 miljoen gulden (zo'n 30 miljoen euro).


Vroeg bloemstilleven in een impressionistische stijl door de toen 19 jarige Karel Appel, gemaakt in zijn eerste jaar aan de Rijks Akademie voor Beeldende Kunst te Amsterdam. Aanvankelijk werd Karel Appel vooral door Matisse en Picasso beïnvloed, wat onder meer veroorzaakt werd door een groot aantal tentoonstellingen van contemporaine kunst, die vlak na de oorlog in Amsterdam en Brussel gehouden werden.

1940-1943 schilderkunst aan de Rijksakademie van Amsterdam
Appel meldde zich in 1940 aan op de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten. Op de rijksacademie ontmoette hij o.a. Constant en Corneille wat in 1948 zou leiden tot de oprichting van de Nederlandse Experimentele Groep en even later CoBrA.
Dat hij in de Tweede Wereldoorlog van 1942 tot 1944 studeerde aan de Rijksakademie in Amsterdam werd hem later kwalijk genomen. Appel kon de Rijksacademie van Beeldende Kunsten alleen bekostigen met een beurs van het door de Duitsers ingestelde departement van Volksvoorlichting en Kunsten. Zelf zei hij later dat hij weliswaar een Duitse beurs accepteerde, maar nooit aan het Duitse nazi-regime heeft meegewerkt.
Adriaan Venema en Jan Fred van Wijnen beschreven in Vrij Nederland (VN) van 3 november 1990 hoe Appel geregeld correspondeerde met de nationaal-socialist Ed Gerdes, hoofd van de afdeling Bouwkunst, Beeldende Kunsten en Kunstnijverheid, met onder andere het verzoek hem te helpen met materiaal en het vinden van een werkruimte. Nog weer later zou Appel meegaan op excursie naar kamp Amerongen om er te tekenen. Aldus nog steeds Adriaan Venema. 'Maar Appel was absoluut geen nationaal-socialist', benadrukten de auteurs al aan het begin van hun artikel.
Appels gedrag werd op deze 'kritiek' afgedaan als 'naïveteit, zelfbescherming, (...) egocentrisme of opportunisme'. Tegenover het laatste punt, de tekenexcursie naar strafkamp Amerongen, brengt Appel in dat dit 'pertinent onwaar' is.
Een paar maanden later reageerde Appel tegenover Vera Illès in Elseviers Weekblad: 'Als ik rijke ouders had gehad, had ik geen beurs voor de academie hoeven aanvragen. Dan had Adriaan Venema mij niet zwart kunnen maken. Dat van die beurs is waar, voor de rest is alles gelogen. Hoe kan ik mij verweren? Ik heb in de oorlog mijn broer verborgen om hem uit Duitsland te houden en toen dat uitkwam, heb ik door het land gezworven. Niemand had iets over voor kunstenaars. Ik heb tot 1953 honger geleden, ik ben bij elkaar zo'n vijftien jaar van mijn leven ondervoed geweest.'

Zijn latere werk, zoals de series Kampong bloed en Crime paintings, zou zijn geëngageerdheid aantonen. 'Ik schilder als een barbaar in deze barbaarse tijd', stelde hij zelf. Op het canvas goot hij zijn verontwaardiging in 'kinderlijke' vormen en felle kleuren, aanvankelijk met sterke contouren maar gaandeweg steeds vrijer. Ook beeldhouwde en musiceerde hij — met sloophout en luidruchtig trommelend.

Aan het begin van de hongerwinter verliet Appel Amsterdam, mede uit angst om door de Duitse bezetters te worden opgepakt vanwege zijn weigering om in Duitsland te gaan werken. Hij overleefde door naar het platteland te trekken, richting Heerenveen waar zijn broer vertoefde, waar hij in ruil voor voedsel en een tijdelijke slaapplaats schilderijen van vooral landschappen maakte voor boeren.

Na de oorlog, toen hij terugkeerde naar Amsterdam, kwam er geen einde aan zijn armoede. Zelf beweerde hij dat zijn situatie zelfs nog slechter werd: ''Voor iedereen was er te eten, maar niet voor de schilders.'' Hij kreeg een relatie met Truusje, die echter al snel overleed aan tuberculose.

Corneille over het einde van de oorlog: "Het was een enorme opluchting, we gingen meteen naar Limburg waar alle appelbomen in bloei stonden. We hebben als gekken geschilderd." Onder invloed van Picasso, Matisse en Jean Dubuffet wierp Karel Appel nu alles wat hij op de academie had geleerd van zich af. Hij was niet geïnteresseerd in traditie, het ging hem in de eerste plaats om emotie. Na kennismaking met Corneille reisde hij in 1946 met hem naar Luik om daar in 1947 samen met hem te exposeren. Met corneille maakte hij eveneens een reis naar Parijs: ''In Nederland was ik een verschoppeling. Niet alleen moesten ze niets hebben van vernieuwingen in de kunst, maar überhaupt niets van schilderkunst, van artiesten.'' Bij terugkeer leerde hij Constant kennen en in 1948 exposeerden zij gedrieën in Amsterdam.

In 1946 had Appel in Het Beerenhuis in Groningen zijn eerste solo expositie. Iets later nam hij deel aan de expositie Jonge Schilders in het Stedelijk Museum in Amsterdam.

In 1947 begon Appel nadat hij beeldhouwer Carel Kneulman om een paar adviezen had gevraagd met beeldhouwen. Hij verzamelde afval, sloopte de houten luiken van zijn ramen en de haak van de hijsbalk van zijn zolderkamer. Van dat hout, een bezemsteel en een stofzuigerslang maakte hij het werk Drift op Zolder. Met rode en zwarte verf bracht hij de vorm van een hoofd en ogen aan. In deze periode leeft Appel samen met Tony Sluyter.

Aandacht voor het Spijkerbeeld (1947) van Karel Appel, aangekocht door het Cobra Museum in Amstelveen. geschiedenis.vpro.nl/themasites/mediaplayer

In 1948 veroorzaakte de onthulling van een houten reliëf in het stadhuis van Amsterdam een schandaal.

Nederlandse Experimentele Groep
Op 16 juli 1948 richtten Appel, Corneille en Constant samen met Anton Rooskens, Theo Wolvecamp, Jan Nieuwenhuys (de broer van Constant) en Tjeerd Hansma de Nederlandse Experimentele Groep op die later overgaat in CoBrA. In de loop van het daaropvolgende jaar kwam ook de Belgische schrijver Hugo Claus (1929-) in contact met deze beweging. Er was ook een dichtersgroep de experimentelen met o.a. Lucebert (1924-1994), Gerrit Kouwenaar (1923), Remco Campert (1929) en Simon Vinkenoog (1928).
In de eerste publicatie van de groep verscheen een sterk links georiënteerd manifest van Constant. Appel voelde zich hier niet bij behoren, het ging hem om de kunst alleen (l'art pour l'art). Als Appel een serie schilderijen maakt, genaamd Kampong bloed, naar aanleiding van de politionele acties van Nederland in Indonesië, gaat het hem eerder om de menselijke verontwaardiging, over het leed van de individuele mens, dan om een achterliggend marxistisch standpunt uit te dragen.
Het werk van de Experimentele Groep wordt in Nederland intussen niet gewaardeerd.

CoBrA
Karel Appel is op 8 november 1948 mede-oprichter van de CoBrA groep (1948 - 1951) waarin schrijvers, dichters en beeldende kunstenaars zich verenigden om vanuit Kopenhagen, Brussel en Amsterdam samen te werken. Het collectieve aspect overheerste hierbij. Onder leiding van de Belgische schrijver Dotremont kwamen het tijdschrift cobra, boeken en spraakmakende exposities tot stand.
Cobra toonde een nieuwe mentaliteit, een nieuwe werkwijze en nieuwe voorstellingen. De groep CoBrA keerde zich af van het traditionele schilderen en zocht naar een spontane, experimentele en uitbundige schilderswijze. Cobra kunstenaars vinden het niet belangrijk om deze exact na te bootsen. Zij laten de motieven uit hun fantasie ontspruiten. Zij lieten zich inspireren door de kunst van natuurvolkeren en de naïviteit van kindertekeningen. Mens- en diermotieven zijn kenmerkend voor de Cobra beweging. De belangrijkste leden van Cobra waren Karel Appel, Constant (1920), Corneille (1922), de Belgen Dotremont (1922-1979) en Alechinsky (1927) en de Deen Asger Jorn (1914-1973).

Het werk van Appel en dat van Cobra roepen weerstand op: op straat schelden mensen hem uit. Niettemin exposeert De Bijenkorf het werk van Appel, Corneille en Constant, waar het onder andere onder ogen komt van de architect Aldo van Eyck. Willem Sandberg bood hen later, hoewel aanvankelijk niet helemaal overtuigd van de kwaliteiten van de Cobra-schilders, enkele zalen in zijn hoofdstedelijke museum aan. Karel Appel maakt speciaal voor de tentoonstelling twee doeken op groot formaat.
Hoewel De Volkskrant Sandberg destijds betichtte van 'minachting van de kunst der eeuwen', Het Vrije Volk de generatie van experimentele schilders en dichters als 'knoeiers, kladders, verlakkers' typeerde en het Christelijke tijdschrift Op den uitkijk hun schilderijen een belediging aan het adres van de Nederlandse burgerman vond en dergelijke schilderijen volgens het blad thuis in het IJ hoorden, bleek Sandberg toch een gelukkige greep te hebben gedaan. De naïeve expressionistische werken werden in Amsterdam dan wel bijzonder slecht ontvangen maar in Denemarken wordt het werk van Cobra door de pers welwillend ontvangen. Als Appel naar Kopenhagen reist geniet hij daar volop van de gemoedelijke sfeer die daar heerst. In Parijs werd de betreffende tentoonstelling nog in hetzelfde jaar herhaald en eveneens positief beoordeeld, net als een solo-expositie van Appel, waarna de beweging zich hier vestigde.


mrt 1949, Karel Appel maakt wandschildering in de kantine
Vragende kinderen (De Twistappel)
Tijdens een treinreis door het overwonnen Duitsland werd Karel Appel getroffen door de blik van een groepje hongerige kinderen. Het beeld liet hem niet los. Terug in Nederland maakte hij een serie schilderijen en collages met priemende kinderogen. Appel wilde schilderijen maken met de onbevangenheid van een kindertekening. Zijn 'vragende kinderen', fel gekleurde fantasiewezens met grote ogen, doen inderdaad aan kindertekeningen denken.
In 1949 kreeg hij via Sandberg een opdracht van de gemeente Amsterdam voor een wandschildering in de kantine van het stadhuis aan de Oudezijds Voorburgwal. Ook daar schilderde hij 'vragende kinderen', tot groot ongenoegen van de ambtenaren die tijdens hun lunch niet herinnerd wilden worden aan het leed uit de oorlogsjaren.
De befaamde muurschildering 'Vragende kinderen' uit 1949 in de kantine van het stadhuis wordt de 'twistappel' genoemd. De ambtenaren vinden het maar niks om naar een muur te kijken met kinderen die slechts uit een paar gekleurde vlakken bestaan. Met stippen zijn de ogen aangegeven en een van de armen is een rechte lijn met drie streepjes om de vingers aan te duiden. In de krant wordt met deze kinderen gespot: 'Zij kunnen niet zitten, zij hebben geen billetjes'. Ook wordt geschreven dat zij meer op een verzameling kilometerpaaltjes lijken. De gemeente besluit uiteindelijk het werk achter behang te verbergen. Na tien jaar mag de muurschildering weer tevoorschijn gehaald worden.

1950 Parijs
Zij waren lang niet de enigen die Appels vernieuwende Cobra-beeldtaal totaal niet begrepen. Sandberg gaf Appel, Corneille, Constant en andere leden van de groep vernieuwers uit Kopenhagen, Brussel en Amsterdam in 1949 weliswaar een grote expositie in zijn museum en kocht geregeld werken aan, dat kon het vertrek van de Nederlanders naar Parijs niet voorkomen. Nederland kon in de jaren na de Tweede Wereldoorlog geen enkele waardering opbrengen voor een kunstschilder, die dingen maakte die ieders zoontje óók kon maken als je hem verf en kwast in de handen drukte. Bij het grote publiek verguisd, ontvluchtte ook Appel het benepen kunstklimaat in de Lage Landen om zich te laven aan de avant-garde in de Franse hoofdstad. In zijn vroege Parijse jaren fungeert het atelierpand van Appel in de Rue Santeuil als zoete inval voor jonge schilders en dichters als Remco Campert, Bert Schierbeek, Simon Vinkenoog en Hugo Claus. Hoe hij daar vanaf 1950 in armoedige omstandigheden woonde en werkte, is bekend door de vele interviews die hij in de loop van tientallen jaren gaf (in latere interviews mocht Appel graag vertellen hoe hij woonde en werkte in een slooppand tegenover een hevig stinkende leerlooierij).
Appel zou nooit meer terugkeren naar Nederland. En wannneer hij zijn geboorteland aandeed, liet hij nooit na de Nederlanders nog eens in te wrijven hoe slecht zij hem hadden behandeld in het begin van zijn carrière.

Karel Appel heeft altijd de oproep tot directe expressie in verf voorgestaan, meer dan de door Constant bepleite marxistische analyse van de westerse beschaving. Aan de theoretische pamfletten van Constant en Dotremont heeft hij dan ook nooit veel aandacht besteed. In de Cobrajaren schilderde hij in felle kleuren en in simpele vormen en stevige lijnen vriendelijke onschuldige kindwezens en fantasiedieren. Al vóór, maar ook tijdens de Cobra periode experimenteert Appel veel. Hij verzamelt allerlei afvalmaterialen. Met stukken hout, rubber, kurk en ijzer maakt hij assemblages (reliëfs). Appel kijkt niet alleen wat hij kan doen met gevonden voorwerpen, maar experimenteert ook met diverse materialen zoals olieverf, gouache (plakkaatverf), aquarel (waterverf) en keimverf (een speciaal soort muurverf). Hij houdt van felle kleuren en maakt de vormen zo eenvoudig mogelijk: in een paar lijnen en vlakken zet hij een figuur, dier of plant neer. Zijn werken zien er vaak kinderlijk uit, zodat Appels stijl ook wel aangeduid wordt als 'de volwassen kinderlijke stijl'.

Karel Appel werkt soms ook samen met andere schilders of dichters. Zo tovert hij met de schilder Constant enorme angstaanjagende dieren en figuren tevoorschijn op de wanden in het huis van Constant. Met Constant en Corneille beschildert hij eveneens het interieur van de boerderij van Erik Nyholm. Niet alleen de wanden, maar ook het plafond en de deuren moeten het ontgelden. Appel maakt tevens tekeningen bij gedichten van Hugo Claus en bij teksten van Hans Andreus.

Het 'Vragend kind' uit 1950, een olieverfschilderij opgezet uit enkele lijnen en kleurvlakken, schenkt Appel aan Willem Sandberg, de toenmalige directeur van het Stedelijk Museum. Lange tijd is het te zien op diens werkkamer. Sandberg is heel belangrijk voor de Cobra kunstenaars. Hij toont hun werk in zijn museum en speelt soms een bemiddelende rol bij speciale opdrachten. Appel mag bijvoorbeeld in 1951 een kleine ruimte in het Stedelijk beschilderen. In deze zogenaamde Appelbar komt het vragend kind motief weer terug, evenals op enkele houten reliëfs.

Eind 1950 maakten Appel en Hugo Claus samen een set geïllustreerde gedichten, De blijde en onvoorziene week, die mensen op voorinschrijving konden ontvangen. Er bleken slechts drie inschrijvers te zijn. Het boekje verscheen in 200 exemplaren, gekopieerd, en eigenhandig ingekleurd. Claus schrijft hierover in 1968: Het was onze ‘policy' om zo'n boekje op één namiddag te maken. Met een minieme aanmoediging hadden we er toen vijftig per jaar gemaakt. Maar die aanmoediging bleef gezien het aantal intekenaars uit. Momenteel is zo een boekje één van de 100 hoogtepunten van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag.

Tijdens de Cobra periode schilderde Appel simpele vormen met stevige contourlijnen, opgevuld door felle kleuren. In 1951 viel de cobra uiteen. Na de Cobra tijd smeert Appel de verf steeds dikker op het doek. Hij zet in impasto lijnen en vlakken in heftige bewegingen neer.

Art Autre
In Parijs introduceren Elly en Hugo Claus Appel bij de criticus Michel Tapié, die daarop verschillende tentoonstellingen van het werk van Appel organiseert, waaronder een spraakmakende tentoonstelling in de Nina Dausset Galerie te Parijs met naast Appel werken van Pollock, De Kooning, Dubuffet, Wols en Hartung. Tapié zal Appel later introduceren bij de Martha Jackson Gallery in New York. In 1953 bezoekt Martha Jackson hem in zijn atelier en koopt verschillende werken. Het is het begin van een meer dan twintigjarige samenwerking.
Appel neemt meer en meer afstand van Cobra en sluit zich aan bij Art Informel (of Art Autre), de groep rond Michel Tapié met kunstenaars als Henri Michaux, Willem De Kooning, Jean-Paul Riopelle, Jackson Pollock en Sam Francis. In zijn Art Autre-periode sluit Appel zich meestal af van andere kunstenaars. Hij heeft meer contact met dichters

In 1953 had Appel een eigen tentoonstelling in het Paleis van Schone Kunsten in Brussel en was zijn werk te zien geweest op de Biennale van Sao Paulo. Het was het begin van een lange zegetocht langs biënnales, twee Documenta's (1959, 1964) en musea in Basel, New York, Brussel, Parijs en in 1968 uiteindelijk ook in Nederland.

Hij wint in 1954 de Unesco-prijs op de Biennale van Venetië.

In 1954 kreeg hij solotentoonstellingen in Parijs en New York. Deze markeerden het begin van een internationale carrière. Vanaf zijn succesvolle Amerikaanse debuut in 1954 bij Martha Jackson in New York lag de armoede definitief achter hem en kon Appel zich reizend van atelier naar atelier zonder materiële zorgen ontplooien. Eerst in Parijs, dan op het landgoed L'Abbaye de Roselande bij Nice en op het kasteel dat hij in de jaren '60 koopt in Molesmes in de Franse Bourgogne en weer verkoopt in 1977.

Truusje en Tonie heetten zijn vrouwen eind jaren ’40. Daarna kwam, in 1955, Machteld van der Groen, als de enige echte muze in zijn leven. Zij overleed in 1970, 35 jaar oud, aan kanker. Dan volgen een Evelyne en een Henny, en tenslotte Harriet de Visser, met wie hij sinds 1976 samen was. Kinderen heeft Appel niet.

In 1955 deed Appel in Vrij Nederland tegenover Jan Vrijman zijn meest geciteerde uitspraak: 'Ik rotzooi maar een beetje aan. Ik leg het er tegenwoordig flink dik op, ik smijt de verf er met kwasten en plamuurmessen en blote handen tegenaan, ik gooi d'r soms hele potten tegelijk op.' Humoristisch bedoeld, maar koren op de molen van de sceptici. In Van de schoonheid en de troost (geschiedenis.vpro.nl/themasites/mediaplayer) vertelde Appel lang nadien nog eens bevlogen hoe zorgvuldig hij juist te werk ging bij het kiezen en mengen van zijn kleuren.

In 1956 maakt hij muurschilderingen voor het Stedelijk Museum in Amsterdam. Appel maakte vele monumentale werken, o.a. een wandschildering E 55 in Rotterdam (1955), zes gebrandschilderde ramen voor de Paaskerk te Zaandam (1957), een stoffencollage in het Palazzo Grassi te Venetië in het kader van de tentoonstelling Vitalità nell'Arte (1959), een decoratie in glas-appliqué voor de Spaarbank voor de Stad Amsterdam (1963) en in 1970, in nauwe samenwerking met de architect H. Maaskant, een raam van gekleurd glas in beton voor het scholencomplex van Technikon in Rotterdam. Appel maakte ook illustraties voor gedichten van o.a. Hugo Claus, Bert Schierbeek, Hans Andreus en Simon Vinkenoog.

De Appel Iep (Ed van der Elsken, 1956, 12 min)
Filmer Ed van der Elsken volgt Cobra-schilder Karel Appel tijdens zijn zogeheten ‘Iepen project’ in het Vondelpark in 1956.
geschiedenis.vpro.nl/themasites/mediaplayer

Sinds 1957 werkt Appel ook in New York, waar hij veel portretten maakte van jazzmusici die hij bewonderde.
Voor veel mensen blijft Appel altijd die verfsmijter, al schildert hij jarenlang op een veel subtielere manier, met nog wel altijd de dikke lagen verf. Zelf voelt hij zich voor zijn werk geïnspireerd door muziek. Soms door de sentimentele strijkorkesten met woeste dissonanten van Gustav Mahler, vaak ook door de jazzmusici die hij in New York ontmoette: Duke Ellington, Dizzy Gillespie, Count Basie. "Ik wilde schilderen zoals zij muziek maakten, met felle accenten", zegt hij. Grootheden als Miles Davis, Dizzy Gillespie, Sarah Vaughan en Count Basie kwamen naar Appels atelier om door hem te worden geportretteerd.

In 1958 maakt hij muurschilderingen voor de Unesco in Parijs. Hij maakte een 100 meter lange Energiewand in Rotterdam.
In 1959 en in 1964 nam hij deel aan documenta 2 en 3 te Kassel.
In 1959 wint hij ook de internationale prijs voor schilderkunst op de Biennale van Sao Paulo.
In 1960 wint hij de Guggenheim International Award in New York en ligt de VS voor hem open.

1961, 'De werkelijkheid van Karel Appel', film van Jan Vrijman over Appel (geschiedenis.vpro.nl/themasites/mediaplayer)
Appel kreeg tal van internationale prijzen. Hij schilderde en beeldhouwde tegen de verdrukking in. Zijn werkdrift is goed te zien in de film die cineast Jan Vrijman samen met Ed van der Elsken in 1961 van hem maakte. Vrijman filmde de beweeglijke schilder met de cameralens door een gat in het doek. Daarin werd Appel getoond in woest gevecht met de materie. Te zien is hoe hij kilo's verf met een paletmes tegen het canvas smijt, onder het uitspreken van pakkende oneliners. Terwijl op de achtergrond zijn compositie Musique barbare klinkt, zegt Appel: ‘Ik schilder als een barbaar van deze barbaarse tijd', ''De rauwe schilderslik, daar gaat het om.''.

Op de enige langspeler die de schilder Karel Appel in 1963 maakte, ‘Musique Barbare’, staat een brei aan expressionistische electronische klanken, die Appel maakte als soundtrack voor de film van cineast Jan Vrijman. (www.fonos.nl)

In die tijd kwam zijn werk overeen met dat van het abstract-expressionisme en zijn werkwijze kan dan ook als een vorm van action-painting beschouwd worden. Hij werkt nog steeds met meestal zwarte contourlijnen om figuren aan te duiden. Vaak gebruikt hij voor die contouren ongemengde verf, direct uit de tube geknepen. Maar de kleur die hij aanbrengt om de figuren vorm te geven, lijkt zich weinig van de contouren aan te trekken. De kleuren verspreiden zich buiten de contour, waardoor de kleurvlakken een eigen leven schijnen te leiden, los van de contour. Andersom dringt de kleur van de achtergrond vaak de figuur binnen.

Rond 1963 maken de warme kleuren en de expressionistische manier van schilderen plaats voor een koelere werkwijze. De kleuren werden bijna lichtgevend fel, dun en gelijkmatig in vlakken opgebracht.

De sculpturen die hij maakte na zijn Cobra-tijd in de jaren zestig, de zogeheten olijfboombeelden zijn abstract. In Frankrijk ontdekte hij de knoestige boomstronken van olijfbomen als nieuwe beelddragers. Door ze veelkleurig te beschilderen probeerde hij ze een dramatische lading mee te geven. Net zoals het geval is bij wolken, kun je er van alles in zien. Dat heeft iets vrijblijvends. Aan de andere kant weet hij door de expliciete naamgeving zoals de twee stronken getiteld 'Innocent Onlookers' (1960), de blik dwingend te sturen.

In 1964/1965 maakte hij grote veelkleurige reliëfs en figuren in hout en polyester.

Auxerre 1965 - 1972
Bezit kasteel De Molesmes, dat hij opknapt. Verkoopt het kasteel in 1972

Door zijn vele reizen krijgt Appel steeds betere contacten in de Amerikaanse kunstwereld. Vanaf de zestiger jaren worden er in de Verenigde Staten talloze tentoonstellingen van zijn werk georganiseerd. Zijn roem stijgt tot een hoogtepunt, eindelijk ook in Nederland; in 1968 had hij een solo-tentoonstelling in het Stedelijk Museum. Exposities volgden in de Kunsthalle in Bazel, in Brussel (1969) en in 1970 in het Centraal Museum in Utrecht. Een reizende expositie volgt door Canada en de Verenigde Staten in 1972.

In de jaren zeventig werd het schilderachtig karakter van zijn werk weer belangrijker. Appel bracht de verf weer dikker op, waarbij de kleuren in het begin vooral door elkaar liepen. Steeds vaker echter bouwde hij zijn voorstellingen zoals gezichten, bomen, dieren, stillevens, op uit uniforme verftoetsen; het beeld werd zo uit verschillend gekleurde 'strepen' gemaakt.

In 1970 werkt hij samen met architect Huig A. Maaskant aan een raam van gekleurd glas in beton voor het scholencomplex van het Technikon (Hofpleintheater) in Rotterdam

In 1971 maakte hij zijn eerste monumentale beeldhouwwerken van aluminium in de VS.

In 1974 had Appel het voorstel gedaan om zijn collectie aan Amsterdam te schenken ter oprichting van een Karel Appel Museum. Dit ging uiteindelijk niet door. Stedelijk Museum-directeur Edy de Wilde zag er niets in, waarna Appel een vrachtwagen liet voorrijden om al zijn bruiklenen uit het museum op te halen.

Vanaf 1976 leeft hij samen met Harriet de Visser.

Appel exposeerde zeldzaam weinig in zijn geboorteland. Pas in de jaren tachtig ontstond er, ook door de vernieuwingen in zijn werk, een soort revival.
Vanaf begin jaren tachtig koos hij voor dramatisch sterker geladen onderwerpen, o.a. misdaadscènes of bijv. Aan het graf (1981), Oorlog en honger (1983) of De zondvloed (1985). Daarmee veranderde ook zijn stijl, die expressiever en losser werd en aansloot bij het neo-expressionisme van de Duitse en Italiaanse schilderkunst uit die periode.

Tais-toi et sois belle
Meestal hoorde Nederland zijn gebrom geamuseerd aan, maar verontwaardiging was zijn deel toen hij halverwege de jaren tachtig tv-journaliste Sonja Barend na een te kritische vraag in het Frans toebeet: Tais-toi et sois belle (Houd je mond en wees mooi). Later legden de twee het bij in een tv-uitzending, waarvoor Barend de kunstenaar opzocht in New York.

In 1989 had appel grote overzichtstentoonstellingen in vijf Japanse musea.

1989, La Folie des Rues (de waanzin van de straat) in het atelier van de Opéra in Parijs. Het schilderij (14x4 meter) bleek echter te groot. Appel was er zeer aan gehecht en vond uiteindelijk een koper, de Universiteit van Amsterdam, waar het sinds 1997 hangt in de hal van Faculteit der Economische Wetenschappen en Econometrie aan de Roetersstraat.

Rond 1990 heeft Appel vier ateliers, in New York (city), in Connecticut, in Monaco en in Toscane. Vooral het atelier in New York gebruikt hij om te experimenteren en te vernieuwen met zijn schilderwerk. De experimenten uit New York werkt hij uit in zijn andere ateliers. Door het andere licht in bijvoorbeeld Toscane, ontstaat daar met dezelfde thema's werk dat van een geheel ander karakter is.

In een interview op 72-jarige leeftijd met het AD legde hij het accent op 'mezelf vernieuwen'. ,,Daar ben ik mijn hele leven mee bezig geweest. Niet mooie plaatjes schilderen, zoetige kleurtjes maken. Een mooie kleur kan ik ook wel mengen, maar dat is niet de behoefte, niet de geest van onze tijd.''

Karel Appel maakte in de jaren negentig sculpturen in zijn atelier in New York. 'Sculptures without a Hero', levensgrote monumentale figuratieve beelden samengesteld uit diverse 'gevonden' voorwerpen. Er zitten veel (onderdelen van) dierfiguren tussen - paarden, olifantjes, een varken, kikkers, een opgezette hertenkop - maar ook stukken sloophout en gebruiksvoorwerpen uit diverse tijden en culturen, van Mexicaanse maskers tot antieke ramen. Ook maakte Karel Appel kostuums, decorstukken en ontwerpen met beesten en monsters voor de opera o.a. voor Noach van Friso Haverkamp en Guus Janssen (1994) en Mozarts Die Zauberflöte (1996), die na opvoering niet vernietigd maar geëxposeerd worden.

'If I were a bird'
De videofilm 'If I were a bird' (1995) van Mat van Hensbergen biedt een kijkje in zijn schilderkeuken. We zien hoe hij eigenhandig de emulsie samenstelt door de kleurstof titaniumwit aan te lengen met eieren. Een procédé dat volgens hem teruggaat naar de Vlaamse primitieven en dat ook toegepast werd door Rembrandt. Opvallend genoeg werkt Appel, zoals we in de film zien, niet volkomen uit de vrije hand, maar met modellen. Daar is dan ook alles mee gezegd, want de grove lijnen waarmee hij hun lichamen op het doek vastlegt zijn erg schematisch. In de tweede fase, zonder modellen, voegt hij er kleur aan toe. Ten slotte brengt hij intuïtief de gevonden voorwerpen op de kleverige ei-massa aan, dat eenmaal opgedroogd zo hard wordt als steen. Om tot expressie te komen, moet je de materie deformeren, zegt Appel in de film.

Tot op hoge leeftijd werkte Appel door en bleef hij zich ontwikkelen. „Des te ouder ik word, des te sneller vernieuw ik. Ik leef met elan en enthousiasme.“ Combineerde hij in de jaren zestig nog abstracte en figuratieve beeldtaal, in de jaren negentig legde hij zich toe op naakten.

1999 Een lintje van de koningin.

Toen Karel Appel in 2000 door Wim Kayzer werd geïnterviewd voor de VPRO-televisieserie Van de schoonheid en de troost, was hij bijna tachtig. Omringd door acht schilderijen uit alle fasen van zijn loopbaan vatte hij de kern samen van wat hem als kunstenaar al die jaren voor ogen had gestaan. Net als Vincent van Gogh wilde Appel ‘het geheim van het leven raken'. Wat dat geheim is, vroeg Kayzer. „Dat is het onuitsprekelijke. Bij een goed doek houd je je bek“, antwoordde hij met zijn kenmerkende directheid.

Beluister het interview met Karel Appel uit 2001

Op zijn tachtigste verjaardag kreeg hij een tentoonstelling in de erezaal van het Stedelijk Museum. Zijn dertien doeken van ruim twee bij twee meter waarop Appel in de zomer van 2000 in het Stedelijk Museum een feestelijke lofzang van licht en kleur op het Nederlandse landschap schilderde waren een laat hoogtepunt van zijn voortdurende drang tot vernieuwing.
Ter gelegenheid van de tentoonstelling vertelt hij aan Rudi Fuchs, toenmalig directeur van het museum, dat hij voordat hij begint lang kijkt naar het doek, maar als hij eenmaal begint met schilderen, hij zijn impulsen om verf aan te brengen bijna niet kan bijhouden. Hij geeft de indruk te werken als een bezetene, waarbij hij echter wel veel tijd neemt om de verf in de juiste kleur te mengen. Als het doek bijna af is, werkt hij langzamer, tenslotte zet hij nog maar een enkele toets, of hij laat de laatste verbeteringen zelfs weg. Appel werkt altijd aan één schilderij tegelijk.

In 2004 nog stelde Rudi Fuchs een tentoonstelling van recent werk van Appel samen voor het museum Bozar in Brussel. De getoonde stukken waren dramatisch van karakter en stonden tegelijk bol van de felle kleuren. Daar toonde de meester dat hij nog steeds kon schilderen en beeldhouwen als een ‘spiritueel orgasme'. Aan de onderkant van de meeste recente werken van Appel op die expositie zaten touwen of kettingen, waaraan weer kleine karretjes waren bevestigd. Op die karretjes lagen beschilderde maskers, maar ook opgezette dierenkoppen. Fuchs stelde bij de opening van de expositie vast dat zelfs goedwillende bezoekers dat niet mooi vonden. Het waarom van de karretjes, maskers en dierenkoppen was volstrekt onduidelijk. Zelf zei Appel daarover: "Dat hoef je niet te begrijpen. Als je door een berglandschap loopt, met die grote bergtoppen, met sneeuw en gletsjers, dan begrijp je dat toch ook niet!" Maar vervolgens wijst Appel wel op de titel van deze serie: ‘De overwinning van de materie’. Hij wil daarmee uitdrukken dat het aardse leven vergankelijk is. ‘We zitten met kettingen geketend aan deze planeet. Daarboven is de eeuwige ruimte. Het leven en de kleur blijven, de rest is sterfelijk. Dat is het onbegrijpelijke." Appel geeft toe dat ook hij dat nog niet begrijpt. "En daarom blijf ik doorschilderen. Om dat te leren begrijpen." - (Beluister het gesprek met Karel Appel en Rudi Fuchs uit 2004)

Karel Appel is woensdag 3 mei 2006 op 85-jarige leeftijd overleden. De kunstenaar overleed in de Zwitserse stad Zürich, waar hij woonde. Appel leed onder meer aan een hartkwaal. Zelfs nadat hij ernstige hartproblemen kreeg bleef Karel Appel werken. Wie niet schildert, is dood, vond hij. In Zürich schilderde hij aan het einde van zijn leven noodgedwongen zittend. Toen ook dat niet meer lukte, sloeg hij aan het tekenen en had hij genoeg aan een vel papier en een krijtje.
Oud-directeur van het Stedelijk Museum Rudi Fuchs maakte zijn overlijden bekend. Fuchs bezocht Appel een maand geleden nog en belde hem een week geleden, ter gelegenheid van zijn verjaardag. ''Hij was erg zwak, maar we maakten grappen. Je moet blijven schilderen, zei ik.'' Het laatste wat Appel schilderde, is een onvoltooid, dik geverfd schilderij met een landschap. Het laatste voltooide schilderij van de beroemde kunstenaar is uitgerekend een portret van Fuchs zelf. ''Toevallig hoor. Hij wilde gewoon een portret maken.'' Het portret is vervaardigd met onder meer buizen en planken.

Appel maakte in zijn leven vele tekeningen, schilderijen, beelden en andere kunstonderwerpen. Onder meer in het Cobramuseum in Amstelveen, het Stedelijk in Amsterdam en het Gemeentemuseum in Den Haag, aan wie Appel in 2002 veel werken op papier schonk, is werk van hem te zien. Ook grote musea in het buitenland hebben beelden en schilderijen van Appel in de vaste collectie. Appel, een kapperszoon die begon als arme kunstenaar die met moeite verf kon betalen, stierf een rijk man. Voor een Appel worden tonnen betaald. In 1997 schatte het zakenblad Quote het vermogen van Karel Appel op 65 miljoen gulden (bijna 29,5 miljoen euro). Op de in 2006 verschenen ranglijst van Elsevier van meest succesvolle kunstenaars staat Appel op de vierde plek. Zijn werk is ook internationaal erg in trek. In 2005 zijn alleen al op veilingen 199 van zijn werken van eigenaar gewisseld. Karel Appel heeft geen kinderen. Letterlijk duizenden werken laat de kunstenaar na. Schilderijen, maar ook tekeningen, beelden en veel grafiek. De marktwaarde van zijn werk inspireerde ook criminelen; er zijn nogal wat vervalsingen van Appels werk in omloop. De inmiddels op het rechte pad teruggekeerde Nederlander Geert Jan Jansen was er in gespecialiseerd.

Reacties op overlijden:
Fuchs noemde een van de grote krachten van zijn vriend dat ''hij zich nooit heeft genesteld in zijn roem of in routine. Hij ging telkens weer iets anders doen.'' Hoewel Appel volgens Fuchs echt een Nederlandse schilder was, die werkte vanuit een Nederlandse traditie en achtergrond, is hij altijd 'buitengaats' gegaan. ''Hij was degene die altijd ging kijken waar hèt gaande was, in Parijs, in New York.'' Niettemin bleef Appel altijd Nederlander, onder meer in zijn gedegenheid, maar ook in zijn gevoelens voor Rembrandt en Van Gogh. ''Maar hij ging ook telkens naar jonge kunstenaars kijken, bij ons en in het buitenland, om op het scherpst van de snede te blijven'', zei Fuchs. Navolgers heeft Appels volgens Fuchs niet: ''Een groot schilder hééft geen navolgers.'' Op dit moment komen veel herinneringen bij Fuchs boven. Hij vindt het moeilijk te zeggen welke hem het liefste zijn. ''Wat ik me wel speciaal herinner is dat ik bij hem in Zuid-Frankrijk was en dat zijn hele kamer vol verf stond. 'Dat is mijn kapitaal', zei hij. In zijn jonge jaren kon hij de verf die hij nodig had niet altijd betalen.'' In 1997 werd Appels kapitaal op 65 miljoen gulden geschat, maar kennelijk bleef hij angst houden geen verf te kunnen kopen.

Premier Balkenende noemde Appel donderdagavond 'een icoon van de naoorlogse Nederlandse schilderkunst'. Hij kenschetste de overleden kunstenaar als 'veelzijdig en, met de andere leden van de CoBrAgroep, een inspirator voor velen.'' ''Hij heeft meer dan een halve eeuw wereldwijd geëxposeerd. Hij werd niet altijd door iedereen meteen begrepen, maar heeft een vaste schare bewonderaars verworven'', aldus de minister-president. Hij prees de productiviteit van Appel. Diens grote oeuvre straalt optimisme en levenslust uit, zo zei de premier.

John Vrieze, de directeur van het CoBrA Museum in Amstelveen, reageert bedroefd. Het museum wil een eerbetoon aan Appel organiseren. 'De Cobra-beweging was ondenkbaar zonder Appel', zegt John Vrieze, ‘Maar dat niet alleen. Hij is verantwoordelijk voor de doorbraak van de moderne kunst in ons land.'

Websites: geschiedenis.vpro.nl, www.nrc.nl

privacybeleid