kunstbus









Kees van Dongen

Frans schilder van Nederlandse afkomst, geboren 26 januari 1877 te Delfshaven - overleden 28 mei 1968 in Monte Carlo.

Kees Van Dongen werd vooral bekend door zijn portretten en figuurstukken, maar hij schilderde ook enkele Hollandse landschappen. Sinds 1897 verbleef Van Dongen in Parijs op Montmarte en kwam er in contact met Picasso, Max Jacob, Gris e.a. Tot 1913 werkte hij in fauvistische trant, maar na de Eerste Wereldoorlog werd zijn werk realistischer. Hij was de grote modeschilder van Parijs, de portrettist bij uitstek van de mondaine wereld en een talentvol, boeiend en soms onbarmhartig chroniqueur van de periode 1918-1940. Zijn werk is gekenmerkt door een scherp psychologisch inzicht. Hij maakte ook illustraties bij het werk van Proust en bij de uitgave van Duizend-en-Eén-Nacht. (Summa; Encarta 2001)

Biografie
Cornelis Theodorus Marie van Dongen was als zoon van mouter Johannes van Dongen en Helena Francisca Geurts geboren in Delfshaven, een midden in de polders gelegen voorstad van Rotterdam.

Van Dongen bracht zijn jeugd in Rotterdam door. Al vroeg bleek zijn tekentalent. Daar er geen geld was om hem te laten studeren moest hij als veertienjarige zelf de kost verdienen. In 1895 reisde hij als steward naar Amerika.

Na terugkeer volgde hij in 1896 en 1898 avondlessen van J. Striening en J.G. Heyberg aan de Rotterdamse Academie van beeldende kunsten en technische wetenschappen. Daar de lessen hem niet bevielen liep hij, aangetrokken door het bohémienleven, van huis weg en betrok in Rotterdam een kamer boven het atelier van de schilder Martinus Schilt (Schildt). Hier woonde hij drie jaar met de eveneens van huis weggelopen dichter-zanger Koos Speenhoff.

Gefascineerd door de rosse buurten van Rotterdam tekende hij in vlotte krabbels prostituées en matrozen; illustraties die o.a. gebruikt werden voor het boek van M.J. Brusse Het rosse leven en sterven van de Zandstraat (Rotterdam, 1912).

Als schilder bewonderde Van Dongen de stadsimpressies van Breitner. In een Zelfportret van 1895 (Musée National d'Art Moderne, Centre Pompidou, Parijs), waar hij nonchalant tegen een raam leunt, weergegeven in grote blauwe en gele kleurvlakken, zonder binnentekening of ruimteaanduiding, toonde Van Dongen al een stijl die vooruitliep op zijn latere 'fauvisme'.

Al in Rotterdam geboeid door de stadstypes van de Parijse tekenaar Th.A. Steinlen reisde hij met een retourbiljet op 14 juli 1897 naar de lichtstad en bleef daar enige maanden in het atelier van de schilder Siebe ten Cate op Montmartre. In 1898 weer terug in Rotterdam maakte hij illustraties van straattypes voor het Rotterdamsch Nieuwsblad.

In 1900 vestigde Van Dongen zich voorgoed in Parijs. In de eerste moeilijke jaren verdiende hij vooral de kost met het verkopen van kranten en het optreden als worstelaar. Zijn bewogenheid brengt hem in contact met anarchistische milieus. Hij ontmoet er de schrijver Felix Feneon, met wie hij onmiddellijk een diepe en blijvende vriendschap sluit. Hij keert zich enige tijd van de schilderkunst af om zich aan illustraties te wijden en werkt mee aan politiek en sociaal geëngageerde tijdschriften. In de trant van Steinlen en De Toulouse Lautrec tekende Van Dongen in rake weergave Parijse types voor het satirische blad L'Assiette au Beurre (nr. 26, okt. 1901) en het weekblad Gil Blas (nr. 24, jan. 1902), zo mede in zijn onderhoud voorziend.

Gehuwd op 11-7-1901 met Juliana Augusta (Guus) Preitinger, die hij nog kende van de Rotterdamse Academie en die veelal voor hem model stond. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren.

Als bewoner van Montmartre bezoekt hij regelmatig de beroemde gelegenheden van de buurt. Hij gaat ook dikwijls naar Medrano en schildert aldaar met veel interesse de circusartiesten. Het milieu van prostituees en courtisanes is zijn geliefkoosd onderwerp en vormt het centrale thema dat hij voortaan zal uitwerken.

Tijdens een verblijf te Fleury-en-Biere maakt Van Dongen een sprongetje naar het 'neo-impressionisme'. Terug in Parijs werkt de reeks met de stoomcarrousels uit, waarbij hij zich zowel een getalenteerd illustrator als colorist toont.

In 1905 deed Kees van Dongen mee aan de geruchtmakende tentoonstelling Salon d'Automne.

Hij betrok in 1906 een atelier in de 'Bateau-Lavoir' (een huizenblok gelijkend op een wasboot, tegen de heuvels van Montmartre), Rue Ravignan 13 (nu Place Emile-Goudeau), waar ook Picasso woonde met zijn vriendin Fernande Olivier, wier portret Van Dongen maakte. Onder invloed van Jasmy Jacob en anderen ontwikkelde hij een fauvistische stijl.

Op den duur begon Van Dongen succes te boeken en kreeg hij goede commerciële contacten bij vooraanstaande kunsthandelaren als Druet, Ambroise Vollard, D.H. Kahnweiler en G. Bernheim Jeune. In 1905 baarde Van Dongen opzien op de Salon d'Automne (de Herfsttentoonstelling) in het Grand Palais te Parijs. Hier exposeerde hij met kunstenaars als Henri Matisse, Albert Marquet, Andre Derain en Maurice de Vlaminck. Zo trof men er o.a. zijn Vrouwenportretten: in felle, onvermengde kleuren, met grote zwart-gerande ogen en helle rode mond, niet meer natuurgetrouw en zonder perspectief weergegeven. Daar een Franse criticus deze schilders uitmaakte voor Fauves (wilde beesten), geeft dit woord sinds 1905 de stijl van dit Franse expressionisme aan : het schilderen van mens en natuur in felle, zo uit de tube opgebrachte kleuren als rood, geel, blauw, groen, paars en zwart, in grote vlakken, bijna zonder perspectief. Daarbij kon elke schilder in kleur- en vormkeuze eigen voorkeur volgen. Van Dongen koos naar eigen schoonheidsgevoel groene neusschaduw en overgrote ogen. Van Dongen werd een van de pioniers van dit fauvisme, dat kenmerkend is voor al zijn werk. Deze onder Franse invloed temperamentvolle en spontane benadering stak af bij die van zijn landgenoten Jan Sluyters en Otto van Rees, met wie Van Dongen in Parijs wel contact had.

Tussen 1900 en 1907 kwam hij veel in Nederland om er felkleurige landschappen te schilderen en daar voor zijn werk ook een markt te vinden. In 1907 en 1911 exposeerde hij bij de Vereniging St. Lucas in het Stedelijk Museum te Amsterdam, maar zijn woonstad en bron bleef Parijs.

In 1908 werd Van Dongen lid van de Duitse expressionistische kunstenaarsvereniging Die Brücke te Dresden, waar E.L. Kirchner door hem beïnvloed zou zijn.

Ondertussen werd Van Dongen in Parijs een gevierd kunstenaar. Na enkele reizen in 1910 naar Italië, Spanje en Marokko woonde hij sinds 1912 op Montparnasse, en hier gaf hij feesten voor de Parijse beaumonde, onder wie de modekoning Paul Poiret en de schilder Matisse.

In de Eerste Wereldoorlog, toen zijn vrouw en dochter in Nederland waren, bleef hij in Parijs.

Na de Eerste Wereldoorlog werd zijn werk weer iets realistischer. Zijn belangstelling voor het vrouwelijk schoon bleef echter aanwezig en bleef een regelmatig terugkerend thema.

Kees van Dongen maakte naam in het interbellum in Parijs, waar hij tot de belangrijkste kunstenaars werd gerekend. Zijn werk, maar vooral ook zijn levenswijze was spraakmakend. De flamboyante feesten in zijn atelier gingen tot diep in de nacht door en werden bezocht door befaamde politici, kunstenaars, schrijvers en filmsterren. Deze uitbundige sfeer komt terug in zijn voorstelling: elegante lijnen, sprekende kleuren en bijzondere vrouwen.

Echtscheiding in 1921.

Dank zij het contact met markies Casati werd hij na 1921 vooral de portretschilder van de mondaine kringen. In deze portretkunst bleek hij zich te laten beïnvloeden door de reliëfs die hij in 1913 in Egypte had gezien: in sterk aangezette lijnen wordt het vrouwentype van de 'garçonne' aangegeven met haar slanke élégance en overgrote ogen. In dezelfde trant schilderde hij de vedettes van de Folies-Bergère met haar verentooi en schitterende juwelen en - geïnspireerd op de schilder Raoul Dufy - de gondelfeesten in Venetië (1921), het strandleven van Deauville en de Côte d'Azur.

In 1929 werd de schilder tot Fransman genaturaliseerd.

Al bleef Van Dongen naast zijn hoofdtaal Frans ook Nederlands spreken, al kwam hij nog wel eens naar Nederland, en ontmoette hij graag Nederlandse kunstenaars in Parijs, zijn verfransing was toch onmiskenbaar in zijn kunst en levensgedrag.

Net als in de Eerste Wereldoorlog bleef hij na de capitulatie van Frankrijk in 1940 in Parijs wonen. Tot op zekere hoogte behoorde hij ook tot de talrijke creatieve kunstenaars in Frankrijk die poogden het gewone leven voort te zetten en zich weinig van de door de Duitsers veranderde omstandigheden aan te trekken. Berucht bleef zijn bereidheid met vele andere bekende kunstenaars een door de Duitse bezetter georganiseerde kunstexcursie naar Duitsland mee te maken, al werd hij geen aanhanger van maarschalk Pétain, laat staan een echte collaborateur. Het werd allemaal door hem wat luchtiger opgevat dan in bezet Nederland mogelijk zou zijn geweest.

Na de bevrijding van Frankrijk bleef Van Dongen een bekend schilder in Parijs, die tot op hoge leeftijd, ook in zijn kunst, actief was: een scherp waarnemer en fel levensgenieter, de 'verslaggever' van de uitgaande wereld. In traditie en stijl was zijn naam onverbrekelijk verbonden met het fauvisme, ook na de Tweede Wereldoorlog. Daarvan is hij als portrettist een van de belangrijkste vertegenwoordigers geweest.

Kees van Dongen bleef illustraties voor boeken maken, o.a. in 1951 van Anatole France, La révolte des anges en in 1963 van Ch. Baudelaire, Les fleurs du mal.

Na echtscheiding (in 1921) gehuwd in 1953 met Marie-Claire Huguen. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren.

Later woonde de kunstenaar aan de Franse zuidkust.

Kees van Dongen overleed op 28-5-1968 in Monte Carlo (Monaco).

Zie ook www.inghist.nl

Werken:
. Portret van Madame Jasmy
. Twee parisiennes of weg der deugd

. Vrouw in het wit (Rome, Galleria d'Arte Moderna)
Dit vrouwentype is misschien geïnspireerd op de demi-monde. Ze heeft agressief rode lippen en een flets gelaat. Dit vrouwentype kreeg bij Van Dongen haar beste weergave. (Histoire)

. Femme fatale, 1905,
. Danseressen, 1906,
. Vrouw met groen halssieraad, 1906, olieverf op doek, 65x46, Parijs, verz. M. Odermalt
. Naakt jong meisje, 1907, olieverf op doek, 100x82, Wuppertal, Von der Heydtmuseum
. Portret van Kahnweiler, 1907, olieverf op doek, 65x54, Genève, privé-verz.
. Rode danseres, 1907, olieverf op doek, 99x80, Sint-Petersburg, Hermitage
. Portret van Fernande Olivier, 1907-08, pastel, 72x51, Genève, privé-verz.
. Vrouwenportret, 1907-08,
. Portret van Dolly van Dongen, 1908

. Portret van de zangeres Modjesko, 1908, olieverf op linnen, 100x82, New York, Museum of Modern Art
In zijn uit grote, heldere kleurvlakken opgebouwde vrouwenportretten verenigde hij het fauvistische principe van de zuivere kleur met een expressief, door gedurfde vereenvoudiging gekenmerkt vormidioom. De ogen, wenkbrauwen en mond worden altijd sterk geaccentueerd. Door de variaties van rood op de achtergrond krijgt de figuur enig reliëf en suggereert hij diepte. (Leinz 17-18)

. Portret van Dolly van Dongen in de kleren van haar vader, 1909,
. Wandelgang in de Folies Bergères, 1909,

. Denkende vrouw, ca. 1910, olieverf op doek, 61x55, Brussel, Museum David en Alice van Buuren
Na zijn opleiding te Rotterdam vestigt de Nederlandse kunstenaar Kees van Dongen zich te Parijs? Aanvankelijk maakt hij naam als illustrator van kranten, anarchistische en satirische bladen. Als schilder profileert hij zich pas vanaf 1904, met de tentoonstelling waarin naast impressionistisch getinte landschappen ook figuurstukken te zien zijn. Vanaf 1905 neemt Van Dongen een steeds grotere vrijheid ten opzichte van het motief: het schilderij wordt bepaald door felle kleurenassociaties die nog weinig met de realiteit verband houden. Dat jaar neemt hij deel aan de eerste tentoonstelling van de fauves te Parijs. Zijn betekenis is voor de ontwikkeling van het fauvisme erg belangrijk geweest. Zijn taal is agressiever dan die van Matisse. Door zijn weinig harmonieuze kleurencombinaties en ruwe verfaanbreng is hij verwant met Maurice de Vlaeminck.
Vanaf 1908 schilder Van Dongen nog voornamelijk portretten, sensuele naakten en danseressen. Na de Eerste Wereldoorlog wordt hij met zijn erotisch geladen doeken een gevierd schilder van de mondaine wereld.
Denkende vrouw kan stilistisch gesitueerd worden rond 1910. Het werk illustreert de typische stijl van Van Dongen: grof en informeel geborstelde kleurvlakken en breed getekende omtreklijnen. Ogen, wenkbrauwen en mond worden altijd sterk geaccentueerd. De vrouw is omgeven door een zachtblauwe schaduw waaruit zij zich als het ware losmaakt in een voorwaartse beweging. Daardoor krijgt haar figuur reliëf en wordt diepte gesuggereerd. (exp 96)

. Djilali, 1911,

. La Plaza of vrouwen aan de balustrade, 1911, Saint-Tropez, Musée de l’Annonciade
De gebogen lijnen in zijn vrouwenportretten, gesloten op de manier van de Jugendstil, herinneren af en toe aan de omtrekvormen van Maillol. Dikwijls geeft hij in modieuze dameshoeden een decoratief contrast tot al die lichaamsvormen. (ggk 12-79)

. Portret van Guus Preitinger, de echtgenote van de schilder, 1911, olieverf op doek, 146x114, Amsterdam, Museum Vincent Van Gogh
. Portret van Dolly van Dongen, 1912, olieverf op doek, 55x55, Bergamo, Galleria Carrara
. Egyptische vrouw, 1913,
. Illustratie bij Hassan-Badreddine-el-Bassqaraoui, sprookje van Duizend-en-Eén-Nacht (vertaling van dr. J.C. Mardrus voor de Editions de la Sirène, Parijs, 1918), 1918, tekening
. Portret van Marcelle Léoni, 1918-19, olieverf op doek, 100x65, Monaco, privé-verzameling
. Portret van Markiezin Casati, 1920,
. Portret van Geneviève Vix als Salomé, 1920,
. Too mai der olifanten, illustratie bij het gelijknamige verhaal van Kipling, 1920, tekening
. Portret van Brigitte Bardot, 1958,


BEVANGEN DOOR SCHOON
Vooral als er warmbloedige vrouwen in de buurt waren was Van Dongen groots.

Was Kees Van Dongen een kleine Warhol avant-la-lettre? Er zijn in elk geval enkele aardige vergelijkingspunten. Ook van Dongen liet zijn geboortestad Rotterdam voor wat ze was en trok naar parijs, om het te maken: Van Dongen vond in Rotterdam alleen maar reders, zoals Warhol in Pittsburgh alleen maar vuile industrie vond en naar New York trok.

Ook Van Dongen zocht gretig contact met de omstreden kunstenaars uit die tijd: Picasso, Derain, De Vlaeminck, Matisse. Ook Van Dongen was een schuchtere jongeman die fluisterend sprak en verlegen was voor vrouwen, maar zich tegelijk keihard oefende in public relations. Zo schilderde hij ooit zijn atelier helemaal zwart (Warhol gebruikte zilver). Ook Van Dongen gaf in die tijd in Parijs beroemde en beruchte feestjes, waar de hele beau monde op af kwam. Ook van Dongen gebruikte excentrieke figuren (zijn vriendin Jasmy Jacob) om binnen te geraken in het hoge wereldje. En ook Van Dongen schilderde graag, en voor veel geld, de portretten van de dure vrouwen en heren die dat wilden.

En, ten slotte, ook Van Dongen heeft het uiteindelijk gemaakt als artiest, en als opportunist. In die mate zelfs dat zijn latere mondaine portretwerk zijn eigenlijk oeuvre van voor de Eerste Wereldoorlog ging overschaduwen. Zijn belangrijkste artistieke werk leverde Kees Van Dongen (geboren in 1877 in het Rotterdamse voorstadje Delfshaven) tussen 1897 en 1917. Dat was de tijd tussen zijn eerste bezoek aan Parijs en de liaison met Jasmy Jacob, die hem het Grote Geld deed ruiken

Van Dongen maakte in het begin, eerst in Nederland en later in Parijs, vooral naam als illustrator voor kranten en weekbladen, van de Rotterdamsche Courant tot het toen spraakmakende, satirische L'assiette au beurre. Na een eerste trip naar Parijs in juli 1897 (zijn vader had hem geld gegeven om de viering van "le quatorze juillet" eens mee te maken, maar hij bleef er bijna een jaar), kwam van Dongen terug naar Rotterdam, leidde er een bohémien-leven en trok geregeld de rosse buurt in om er te tekenen en pret te maken.

In de Parijse tekeningen en aquarellen (vanaf 1899 vestigt van Dongen zich definitief in Parijs en trouwt er even later met vriendin Guus) tonen, na Rotterdam, zijn voorliefde voor het Parijse uitgaans- en nachtleven, wat eigenlijk allemaal culmineert in zijn éne grote passie: de Vrouw.

Kees Van Dongen begon pas in 1904 serieus te schilderen en stelde een jaar later al tentoon op het Parijse Salon d'Automne.

Twee van zijn werken pronkten in de zelfde zaal waar ook werk van Matisse, De Vlaeminck, Derain en Marquet hing. Volgens de kunstoverlevering verwees de toen gerenommeerde criticus Louis Vauxcelles naar die zaal als de plek waar Les fauves (de wilde beesten) hingen, waarmee de naam van een nieuwe kunstrichting geboren was.

Wie of wat waren die beroemde en beruchte fauves, die maar een paar jaar lang gezamenlijk naar buiten kwamen? Jan van Adrichem schrijft in de tentoonstellingscatalogus over hen als kunstenaars die tot een hoogst persoonlijke picturale interpretatie van de zichtbare werkelijkheid kwamen. Matisse, Derain en Co. maakten zich daarbij de veelheid aan stijlen eigen die sinds het impressionisme waren ontstaan en combineerden en verhevigde de vaak tegengestelde technieken: het divisionisme van Signac en Seurat, van Goghs pasteuze, stugge verfaanbreng, Cézannes kleurovergangen en Gauguins egale kleurvlakken. Voor de geïnteresseerde leek vallen bij de fauves vooral de felle kleuren op, de versterkte kleurentegenstellingen en vereenvoudigde, solide vormen.

Zangeressen
Kunsthistorici en critici voeren al lang discussie over het feit of de fauves als kunstgroep wel ooit bestaan hebben. Tegenwoordig worden trouwens wel meer zogeheten kunstrichtingen in vraag gesteld, zoals dat recent nog gebeurde met de Vlaamse expressionisten en de tweede school van Latem. (Het zijn trouwens de critici zelf die stromingen of richtingen in het leven roepen, nooit de artiesten).

De individualiteit van de artiest zelf komt nu (weer) meer aan bod, en in die zin schrijven sommigen Kees van Dongen meer een Noord-Europese dan wel fauvistische emotionaliteit toe. Daarbij vergelijkt men graag zijn werk met dat van Van Gogh, maar ook met Edvard Munch.

Vrouwen waren de grootste kracht en tegelijk de grootste zwakte van Van Dongen. Hij schilderde met voorliefde zangeressen, actrices, prostituees en andere intens levende vrouwen. Dat deed hij goed, de rest deed hij minder goed. Ooit verantwoordde hij zijn obsessie voor het vrouwenbeeld zelf met het argument van sociale bewogenheid: Ik ken van al die vrouwen de levensgeschiedenis en die is zoo diep tragisch. Zij kennen het leven in al zijn uitingen. (...) Ik kan niet anders dan die vrouwen met harde kleuren schilderen, misschien doe ik het om zoodoende de felheid van hun leven uit te drukken.

Daar gaat het Van Dongen duidelijk niet alleen om: hij is betoverd door het vrouwenlichaam, niet zomaar als seksobject, maar als geheimzinnige burcht, waar geen man ooit echt vat zal op hebben. Dat gevoel straalt van een paar doeken af: Torso, één van de twee werken die hij in 1905 op de Salon d'Automne exposeerde en waarvoor zijn vrouw Guus model stond. Of De Spaanse Sirene uit 1912, La jarretière violette, of Mika nue sur un divan uit 1908. De criticus Vauxcelles (hij weer) noemde van Dongens naakten trouwens de meest stralende en warme sinds die van Renoir.

Wellustigheid
Maar het moest daarom niet allemaal bloot zijn, ook al veroorzaakte hij er geregeld schandaal mee. Zo werd "aanstootgevend" werk van hem door de overheid weggehaald, op het Parijse Salon d'Automne van 1913, wat zelfs veel later in 1949 nog gebeurde, op een grote overzichtstentoonstelling in he museum... Boymans-Van Beuningen, in zijn eigen geboortestad.

De prachtige schilderijen die van Dongen met "zijn" geliefkoosde vrouwen maakte, waren compleet anders dan de portretten die hij konterfeitte. Neem de wellustigheid waarmee hij bijvoorbeeld Fernande Olivier schilderde. Fernande was de vriendin van Picasso, beide artiesten woonden toen in het beroemde ateliercomplex Le Bateau-Lavoir en werden vrienden. Neem de schilderijen van de buikdanseres Anita, die vele jaren Van Dongens model en vriendin is geweest. Neem ook de warme, erotiserende schilderijen die hij met zijn vrouw Guus als model maakte: het al genoemde Torso, of vooral het Tableau ou le Châle Espagnol uit 1913, een werk dat verscheidene keren uit een expositie moest gehaald worden (zie boven). En plaats die werken tegenover de typische portretten na 1917, waarvan ook enkele voorbeelden worden tentoongesteld: het portret van actrice Paulette Pax (1928), of dat van La Comtesse de Naoilles (1931). Het ene leeft, het andere ademt kunstmatig.

Ook de andere genres die van Dongen schilderde, bezitten veel minder de kracht van de doeken waarop "de vrouw" afgebeeld staat: zijn landschappen, de taferelen uit het Bois de Boulogne, en zelfs de (weinige) mannen die hij schilderde. Hier speelde de erotiek helemaal niet en kwam de ironie in de plaats. Ook daar zitten toch enkele meesterwerken tussen, zoals zijn portret van Kahnweiler, de kunsthandelaar die Van Dongen dolgraag onder contract wilde hebben maar door de lepe Hollander aan het lijntje werd gehouden. Of zijn portret van de in Parijse ballingschap levende Russische Revolutionair Charles Rappaport. Deze Litouwer was even Salonfähig als onbehouwen: Van Dongen schilderde hem op een meesterlijk-slobberige wijze in een slechtzittend driedelig pak, aandoenlijk-charmant maar niet geheel ernstig te nemen.

In Rotterdam is nog meer te zien: één van de weinige interieurs bijvoorbeeld die hij schilderde (Interieur met gele deur) of het portret van de travestie Modjesko, waarin hij voor hem opvallend felle kleuren gebruikte: saffraangeel, granaatrood, gifgroen... Maar een scharnierfunctie lijkt het portret van Jasmy Alvin te zijn, de Parijse modekoningin met wie hij in 1917 gaat samenwonen en die hem in de mondaine kringen introduceert. Dat werk heeft nog iets van Van Dongens "erotisch libertinisme", maar het lijkt tegelijk de definitieve stap naar poen, feesten en gemakkelijk kunstenaarsschap. En beroemd zou hij worden: de ware kunstenaar, de jonge gedreven Van Dongen in hem moest later herontdekt worden. Maar dat zal hem een zorg geweest zijn. (Marc Ruyters In Knack)



privacybeleid