kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 06 06 2017 17:21 voor het laatst bewerkt.

kunstbeschouwing

Het beoogde doel bij kunstbeschouwing.
Kunst beschouwen kun je leren. Er is een bepaalde houding voor nodig, die in het kort hierin bestaat dat je jezelf oefent je oordeel op te schorten tot je zorgvuldiger hebt gekeken en overwogen. Bij kunstbeschouwing komt het vooral aan op inzicht gevormd door geordend te kijken en te waarderen. De noodzaak dit vermogen bij elk mens tot ontwikkeling te brengen putten we uit de overtuiging dat mensen, die hebben geleerd om zich heen te kijken en een oordeel te vormen over wat ze zien als gevolg daarvan eisen aan hun omgeving zullen gaan stellen.

Wat is het doel van de beeldende vorming~ waarvan kunstbeschouwing een onmisbaar bestanddeel vormt?
Volgens Herbert Read behoort kunst de grondslag te zijn van de opvoeding. Binnen zijn opvatting wordt met beeldende vorming beoogd de algemene vorming van de persoonlijkheid. Het tot ontwikkeling brengen van bepaalde mogelijkheden, die ieder mens bij zijn geboorte heeft meegekregen. Het vrijmaken van verborgen mogelijkheden en onzichtbare krachten van de persoonlijkheid. Deze opvatting legt de nadruk op het ongeremde, op het oorspronkelijke, op het zichzelf ontplooiende. Iedere tekening of ieder beeldend werkstuk moet de persoonlijke herkomst van zijn maker afstralen.

De oude tekenmeesters daarentegen gingen er vanuit dat leerlingen het vak nodig hadden. Dat tekenen nuttig was. Zij vatten tekenonderwijs op als het aanleren van een techniek en dit kwam onmiddellijk tot uitdrukking in de methode, die zij volgden. Deze opvatting legde de nadruk op de oefening van oog en hand. Men ging uit van voorbeelden en legde het onderwijs op zonder rekening te houden met de belangstelling en de leergierigheid van de leerling.

Een derde groep beeldende vormers huldigt een opvatting waarbinnen zij allereerst betekenis hechten aan de vorming van het inzicht. Hun aandacht gaat uit naar de samenhang, die er is tussen denken en waarnemen. Inzicht ontstaat als je begrijpt wat je ziet. Zij denken daarbij vooral ook in de richting van kunstbeschouwing Kunst, zo menen zij, vertegenwoordigt zoveel beschavingswaarde, dat het de moeite waard is er inzicht in te krijgen. Kijk op kunst geeft inzicht in de cultuur. Cultuur opgevat als produkt van geestelijke en lichamelijke werkzaamheid van de mens heeft op haar beurt weer een dwingende invloed op het zien.

Het zien heeft zijn eigen geschiedenis en is afhankelijk van wat we er vóór zagen. Hoe wij hebben leren zien is uitvoerig onderzocht door F.C. Bartlett. In "Remembering" (1932) beschrijft hij proeven, die hij nam over het onthouden. Bartlett liet aan proefpersonen uit allerlei volken poppetjes zien en vroeg hen daarna deze te tekenen. Uit de vervormingen, die daarbij optraden, bleek duidelijk dat het onthouden gebeurt volgens bepaalde schema's. De schemavorming verschilde van cultuur tot cultuur en werd gebaseerd op eigen cultuurvormen. Balinezen bijvoorbeeld baseerden zich bij het natekenen op Balinese poppetjes. Cultuur heeft dus een dwingende invloed op het zien en daarmee tegelijk invloed op de wijze van waarderen.

Kunstwerken getuigen van menselijke aanwezigheid. Waar het bij beeldende kunst steeds om gaat is hoe de mens in een bepaalde tijdsorde, binnen een bepaald historisch verloop, betekenis geeft aan zijn leven. Daarvan leggen kunstwerken getuigenis af. Het gaat er om hoe het innerlijk beleefde gestalte heeft gekregen op een plat vlak of in de vorm van een drie-dimensionaal beeld. Alle beelden hebben of hadden tot doel iets beeldend tegenwoordig te stellen in de materie. Die funktie is er steeds. Het eigenlijke streven daarbij is het bereiken van zuiverheid en echtheid, met een moeilijk woord: authenticiteit.

Van belang bij het leren kijken naar kunst is de ontwikkeling van een goede smaak. Dat is het vermogen intuïtief te kunnen oordelen over wat te aanvaarden is. Waarmee niet beweerd wordt dat er één alleenzaligmakende goede smaak zou kunnen bestaan, die voor iedereen overal en altijd zou gelden. Integendeel!

Voor beeldende kunst moet je kunnen kijken naar alles waarin iets zichtbaar en/of tastbaar is gemaakt. Uitgangspunt daarbij is, dat een mens in tegenstelling tot een dier dat veel meer gefixeerd ligt in de wereld, in staat is buiten zichzelf te treden en werkelijkheid, dat wil zeggen "zijn of haar werkelijkheid", op te roepen. Dat kan op velerlei wijzen.Bijvoorbeeld kan dat op het gebied van de taal. Het kan ook op het terrein van de visuele kommunikatie of van de beeldtaal. Een mens moet om dit te kunnen bereiken bereid zijn een proces door te maken van het elkaar laten afslijpen van manieren, waarop werkelijkheid kan worden opgeroepen, zodat er zich in het zien werkelijkheid openbaart. Welnu, het leren "zien" van al de dingen om je heen wordt bevorderd door zelf met beeldtaal om te gaan en deze te onderzoeken. Door zélf te tekenen of op andere wijze beeldend te werken, maar ook door kunstbeschouwing. Het terrein van de beeldtaal of van de visuele kommunikatie moet worden opengelegd met de bedoeling te helpen bevorderen, dat er zichtbare werkelijkheid ontstaat.

Het is goed ons daarbij af te vragen in hoeverre het beschouwen speciaal van kunstwerken uit een verder of meer nabij verleden een rol speelt bij de bepaling van een eigen aktuele werkelijkheid. Laten we dat eens verder uitwerken aan de hand van een voorbeeld. Welke betekenis zal iemand in onze tijd nog kunnen ontlenen aan een Romaans beeldje dat hem of haar getoond wordt?
Het is mogelijk dat het zien van een afzonderlijk Romaans beeldje aanleiding wordt tot een uitgebreider beschouwing van de periode, die zich globaal uitstrekt van 1050 - 1200. Mij dunkt dat je zou moeten proberen uit te gaan van wat kenmerkend en wezenlijk is voor die tijd, juist in vergelijking met andere periodes. En van de vraag waarin dat kenmerkende zichtbaar gestalte heeft gekregen. Het antwoord is dan: de opkomst van de kloostercultuur en de pelgrimstochten naar Rome en Santiago de Compostela. Alleen in die samenhang kan de betekenis van een Romaans beeldje op de juiste wijze worden belicht. Vervolgens verdient het de voorkeur zo dicht mogelijk bij huis te blijven. In ons voorbeeld (Romaans) zou het kunnen betekenen dat je toch in het buitenland terecht komt, in Duitsland of in België. In dit laatste land vragen steden als Luik, Gent, St. Truijen en Tongeren de aandacht. Je zou moeten zorgen dat voldaan wordt aan de wens om aandacht te schenken zowel aan schilderkunst, bijvoorbeeld boekverluchting, als aan beeldhouwkunst, bijvoorbeeld portaalskuiptuur of kloostergangkapitelen, alsmede aan bouwkunst, bijvoorbeeld klooster annex kerk en aan ambachtelijke werkvormen, bijvoorbeeld de doopvont van Reinier van Huy in Luik of een reliekschrijn uit de schatkamer van Tongeren. En met het oog op textiele werkvormen vraagt het tapijt van Bayeux onze aandacht, hoewel, daarvoor moeten we naar Frankrijk. Maar welke parallel met onze eigen tijd dient zich hierbij aan? Wat zijn de kloosters van onze tijd? Zijn het misschien de moderne gemeenschappen, die experimenteren met nieuwe vormen van samenleven? Zijn het de meditatiecentra van de Bhagwan-beweging of zijn het de Reformgemeenschappen, die experimenteren met milieuvriendelijke vormen van landbouw? Men zou ook parallellen kunnen trekken met het moderne fenomeen gemeenschapshuis of wijkcentrum of jeugdhuis, inclusief een onder leiding van een beeldend kunstenaar door de jongeren zelf op de muur aangebrachte muurschildering. Maar als je denkt aan het herbergen van pelgrims, een funktie die de kloosters in de Romaanse tijd óók vervulden, kom je misschien uit bij jeugdherberg, sleep-in of motel. Nu moet hieraan onmiddellijk worden toegevoegd, dat het doorprikken naar de eigen tijd, naar de aktuele alledaagse werkelijkheid, weliswaar nuttig en noodzakelijk is, maar dat het niet altijd en met evenveel nadruk hoeft te gebeuren. Een dergelijke formule is goed om in het achterhoofd te houden, maar mag niet te geforceerd worden toegepast. Het dient zorgvuldig te gebeuren anders loop je het gevaar dat een symbolische koppeling van Romaanse kloosters aan 20-ste eeuwse motels aanleiding geeft tot het trekken van verkeerde konklusies.

Welke rol speelt hierbij algemene geschiedenis-informatie en kunsthistorische informatie? Het is goed om steeds uit te gaan van wat we zien. Dus eerst en vooral kijken naar de dingen zelf of naar afbeeldingen ervan. Het gaat om het doorzichtig maken van beeldtaal. Het voornaamste doel is inzicht te verwerven, pas daarna gaat het om de hoeveelheid feitenkennis, die daarbij nodig is.

Een beschouwingscyclus van een kunstwerk zou kunnen aanvangen met een beschrijving van wat er te zien is. Een beschrijving met een kunstbeschouwelijk karakter, dat wil zeggen, zeker in het begin, volgens een bepaald stramien, zij het nu ook weer niet al te strak en schematisch. Geprobeerd moet worden daarbij te vertrekken vanuit het spontane, onbevangen kijken door bijvoorbeeld af te gaan op wat in de afbeelding opvallend is, wat onmiddellijk in het oog springt, wat in beeldend opzicht de aandacht vraagt of wat ons treft omdat het afwijkt van ons verwachtingspatroon. De beschrijving moet van dien aard zijn dat het kijken er door wordt geaktiveerd en aangemoedigd.

Bij een dergelijke kunstbeschouwelijke aanpak fungeert de kunsthistorische kennis als, zij het onmisbare, achtergrond. Het aangeven van de cultuur-historische kontext of de lokalisering naar plaats en tijd komen pas in het geding nadat er onbevooroordeeld en ongehinderd door overdreven feitenkennis, aandachtig gekeken is.
In verband met de kwestie van het verschaffen van kunsthistorische feitenkennis kan men zich afvragen of het mogelijk is de bekende paradepaarden buiten beschouwing te laten. Zullen wij om Chartres en de Nachtwacht heen kunnen? Kennis en inzicht gaan altijd hand in hand. Bovendien is een redelijke hoeveelheid algemene kennis voor iedereen gewenst. Daarin past bijv. zeker het leven en het werk van Rembrandt, van Gogh, Hals en Mondriaan. De Nachtwacht maakt deel uit van onze kollektieve kennis. We moeten hierbij wel ontkomen aan het gevaar dat stereotype denkbeelden ontstaan. Dit laatste is gesignaleerd door enkele sociologen tijdens een onderzoek over de vraag hoe de roem van de kunstenaar wordt verkondigd in schoolboekjes, in encyclopedieën, in de kommercie en in de reklame. Volgens de onderzoekers wordt het beeld dat de gemiddelde Nederlander van deze kunstenaars heeft in hoge mate bepaald door de informatie uit het schoolboekje. Dit beeld blijkt te worden opgebouwd met behulp van sterk geromantiseerde levensverhalen, vaste cliché's, een nimmer wisselende reeks reprodukties en een rijke dosis fantasie. "Dit alles", wordt met grote vanzelfsprekendheid gebracht. Het schoolboekje twijfelt in kunstzinnig opzicht nooit aan zichzelf. Eén oorzaak hiervan is het raadplegen van ouderwetse en achterhaalde kunsthistorische literatuur, een andere het ongebreidelde plagiaat dat wordt gepleegd.

Bij het beschouwen van kunst kan men een zeer gestruktureerde aanpak bereiken door uit te gaan van een aantal kernvragen.
WAT is er uitgebeeld? Wat stelt het voor? Wat is het thema ? Welk moment is uitgebeeld? Er is overigens niet altijd een voorstelling aanwezig. Dat is bijvoorbeeld niet het geval bij non-figuratieve kunst, gebouwen, gebruiksvoorwerpen enzovoort.
HOE is er uitgebeeld? Welke grammatikale middelen zijn toegepast? Welke beeldaspekten kunnen we onderscheiden? Welke materialen en technieken zijn er gebruikt en hoe zijn ze toegepast? Hoe is de vormgeving?
WAAROM is het werk gemaakt? Met welk doel? Wat is de funktie?
WAAR en WANNEER is het werk gemaakt? De lokalisering naar plaats en tijd. De historische en geografische gegevens. De cultuurhistorische kontext.

Bovenstaande vragen staan niet geheel los van elkaar en dienen dan ook in samenhang met elkaar te worden behandeld. Zo is het bijvoorbeeld bij de beschouwing van een Romeins portretbeeld van belang je af te vragen hoe de funktieen de voorstelling van invloed zijn geweest op de wijze van uitbeelden.

Kunstbeschouwing begint als een beschouwer met een kunstwerk wordt geconfronteerd.

Beleven
Beschouwer
Je eigen persoonlijkheid speelt een grote rol bij de beleving en waardering van een kunstobject. Van invloed kunnen zijn: je karakter, je humeur, onder welke omstandigheden wordt je met het kunstwerk geconfronteerd, welke voorkennis heb je van het kunstwerk of van de kunstdiscipline waaruit het komt.

Kunstwerk
Het kunstwerk kan komen uit de beeldende kunst (bijvoorbeeld: schilderij, tekening, beeldhouwwerk, gebouw, foto enz.), dans, drama, film of muziek. Bij een aantal kunstwerken worden disciplines gecombineerd. Een musical bijvoorbeeld is een combinatie van drama, dans en muziek en beeld.

Beleving
Als je met een kunstwerk wordt geconfronteerd, is de eerste reactie meestal een gevoelsmatige (“Ik word er .... van”, “Ik zou wel ....”, “Het lijkt op ....”). Deze reactie wordt behalve door het kunstwerk zelf ook bepaald door eigenschappen (karakter, voorkennis) van jezelf. Soms zul je het bij die reactie laten en er meteen een waardering aan koppelen, maar je kunt het kunstwerk ook verder gaan bestuderen. In het proces van bestuderen van het kunstwerk is er dan steeds sprake van opnieuw beleven. Je doet kennis op door analyse van het kunstwerk en door onderzoek van achtergrond-informatie. Als je met die toegenomen kennis wederom het kunstwerk beschouwt, is er sprake van opnieuw beleven, maar nu door een ‘veranderde' beschouwer (met meer voorkennis).

Bestuderen
Je kunt een kunstwerk bestuderen door studie van het werk zelf met alleen je eigen voorkennis. (analyseren)
Je kunt een kunstwerk bestuderen door achtergrondinformatie te raadplegen. Als je daarna het kunstwerk opnieuw analyseert, doe je dat met meer voorkennis.

Analyse
Je gaat het kunstwerk onderzoeken op:
 inhoud
Waar gaat het kunstwerk over?
Welke sfeer straalt het uit?
Wat is de onderliggende boodschap?

Vorm
Welke middelen zijn gebruikt?
Hoe is de structuur of de compositie?

Functie
Wat is de bedoeling van het kunstwerk in zijn tijd van ontstaan en nu zoals je die uit het kunstwerk zelf kunt afleiden?

Achtergrondinformatie
Naast analyse van het kunstwerk kun je gaan opzoeken wat er is geschreven over
 - het betreffende kunstwerk (inhoud, vorm en functie),
 - de maker (zijn stijl, leven en opvattingen),
 - de maatschappelijke omstandigheden, gegevens die van belang zijn over tijd en plaats
 
 Je kunt bronnen raadplegen van de kunstenaar zelf of lezen wat anderen er over hebben geschreven.
 
 Analyse en achtergrondinformatie
 Analyse en achtergrondinformatie zullen steeds door elkaar lopen. Wat je leert uit de achtergrondinformatie kun je gebruiken bij de analyse van het kunstwerk. Daardoor kun je steeds beter en scherper analyseren. Andersom zul je de achtergrondinformatie vaak pas begrijpen als je concrete kunstwerken bestudeerd hebt.
 Bijvoorbeeld: Allegorische schilderijen bevatten veel symbolen. Je begrijpt de inhoud en de boodschap van deze schilderijen beter als je de betekenis van die symbolen kent.
 Begrijpen
 Voor het uiteindelijke begrijpen breng je alle kennis uit analyse en achtergrondinformatie bij elkaar. Je combineert deze gegevens, weegt feiten en meningen af tot je (meer) inzicht hebt in het betreffende kunstwerk in zijn cultuur-historische en sociaal maatschappelijke context. Het is dan niet de vraag of je kunstwerk wel of niet mooi vindt, maar of het kunstwerk en de intentie van de kunstenaar beter begrijpt.
 
 Cyclus
 Bij elke stap die je zet in het proces van de kunstbeschouwing neemt je (voor)kennis over het kunstwerk en zijn context toe. Steeds als je in dat proces het kunstwerk opnieuw beschouwt, is er sprake van opnieuw ‘beleven'. Dit kan feitelijk door het kunstwerk nog eens opnieuw te bekijken of beluisteren, maar ook door herinnering kun je herbeleven. Bij elke herbeleving blijft het kunstwerk hetzelfde, maar jijzelf bent als beschouwer veranderd; je hebt meer kennis en inzicht.
 Kunstwerken kunnen een combinatie van disciplines zijn:
 Een musical bijvoorbeeld is een combinatie van drama, muziek en dans. In de decors en belichting speelt ook beeldende vormgeving nog een rol. Hoewel elk van de disciplines een eigen vaktaal heeft ontwikkeld, zijn er overeenkomsten in de manier waarop je kunstwerken kunt analyseren.
 INHOUD:
 Bedoelde betekenis van de kunstenaar (of opdrachtgever) gelet op tijd en plaats <> betekenisgeving/interpretaties door de beschouwer
 Tot aan de 19e eeuw werken kunstenaars vooral voor een opdrachtgever (kerk, vorsten, adel, rijke burgerij, stadsbesturen). De betekenis en boodschap die in het kunstwerk werd gelegd,
 werd (en wordt) mede bepaald door deze opdrachtgever.
 A Voorstelling: Waar gaat het kunstwerk over? Voorstelling, verhaal, onderwerp, thema, sfeer, het kunstwerk zelf, titel.
 Bedoelde betekenis van de kunstenaar (of opdrachtgever) gelet op tijd en plaats <> betekenisgeving/interpretaties door de beschouwer.
 De maker geeft aan zijn kunstwerk een inhoud (en eventueel een boodschap). Vaak is een titel van het kunstwerk daarin richtinggevend. We spreken - afhankelijk van de betreffende discipline - over zaken als voorstelling, verhaal, onderwerp, thema, sfeer, het kunstwerk zelf.
 Bij de beschouwer is er sprake van betekenisgeving: interpretaties en associaties.
 De betekenis die een beschouwer aan het kunstwerk geeft kan een heel andere zijn dan de bedoelde betekenis door de kunstenaar. Alleen bij een optimale communicatie (de beschouwer kent de kunsttaal die de maker hanteert) zal de bedoelde betekenis en de betekenisgeving hetzelfde zijn.
 Beeldende vormgeving kan verwijzen naar iets in de werkelijkheid. Zo verwijst een portret naar de persoon die afgebeeld is. Naast het afbeelden (iets uit de werkelijkheid namaken) kan de kunstenaar ook zijn/haar verbeelding gebruiken. Ten slotte zijn er kunstwerken die niet naar de werkelijkheid of naar een fantasiewereld verwijzen. Het gaat dan alleen om de ordening van de beeldende middelen.
 B Boodschap: Wat heeft de kunstenaar daarover te vertellen? Boodschap, visie
 Uit het kunstwerk blijkt vaak de visie van de kunstenaar over het thema van het kunstwerk. Deze onderliggende boodschap, die in de verschillende kunstdisciplines op verschillende wijzen duidelijk kan worden, kan betrekking hebben op een kunstzinnig onderwerp, een persoonlijk of een sociaal-maatschappelijk onderwerp. Er zijn ook kunstwerken zonder uitdrukkelijke boodschap.
 Bijvoorbeeld: Bij het thema oorlog kan het onderwerp de strijd zijn en de boodschap het verheerlijken van de vaderlandslievende heroïsche krijgers. Bij hetzelfde thema kan het kunstwerk als onderwerp de ellende van de slachtoffers en burgers uitbeelden. De boodschap is dan een aanklacht tegen de oorlog.
 Bedoelde betekenis van de opdrachtgever/kunstenaar gelet op tijd en plaats
 De betekenis van een kunstwerk hangt samen met de tijd waarin het is gemaakt en de plaats (culturele context). Beschouwers van nu kunnen aan kunstwerken van vroeger of van andere culturen een geheel andere betekenis geven.
 Kunstwerken krijgen meestal een titel van de kunstenaar. De titel zegt iets over de ideeën van de kunstenaar over het thema. Verder kun je de visie van de kunstenaar aflezen aan de manier hoe hij het thema behandelt. Door middel van het combineren van boodschappen en symbolen vertelt hij/zij iets aan de beschouwer. Dit is de bedoelde betekenis, de intentie van de kunstenaar. De beschouwer kan een andere betekenis geven aan het kunstwerk.
 C Abstrahering: In hoeverre suggereert het kunstwerk de werkelijkheid? Figuratief <> non-figuratief - Natuurlijk spel <> gestileerd - Verhalend <> abstract - Verhalend <> absoluut
 Een kunstwerk kan zo natuurgetrouw mogelijk zijn, de werkelijkheid gestileerd weergeven. Een kunstwerk kan ook gebaseerd zijn op een abstract idee.
 
 Beeldende kunstwerken waarbij de werkelijkheid natuurgetrouw wordt weergegeven, noemen we realistisch. Wanneer het beeld een herkenbare voorstelling heeft spreken we ook wel van figuratief. Het tegenovergestelde is non-figuratief: zonder herkenbare voorstelling, ook wel abstract.
 Wanneer de kunstenaar niet zozeer naar de aanschouwing werkt, maar meer naar de verbeelding, kan hij/zij de werkelijkheid vervormen. Zo kan hij de werkelijkheid bijvoorbeeld mooier maken, veredelen. Zo'n vervorming noemen we geïdealiseerd. Wanneer hij/zij de vormen vereenvoudigt, wordt het kunstwerk gestileerd.
 Geabstraheerd is een algemene term voor een tussenvorm tussen figuratief en abstract. Gedeformeerd geeft aan dat het beeld vervormd is, bijvoorbeeld door verschuiving en verdraaiing.
 VORM: Het waarneembare
 D Waarmee is het kunstwerk gemaakt? De middelen
 Licht Kleur Ruimte Vorm Acteurs Spel Verhaalelementen Kader Camera fotografie Toneelbeeld Muziek Theatrale middelen Tempo Toonduur ritme Toonhoogte melodie Klanksterkte
 Met de middelen bedoelen wij hier datgene wat in het kunstwerk (zintuiglijk) waarneembaar is. Elke discipline heeft zijn eigen middelen. Bij de disciplines film, drama en dans (waar levende mensen als performers onderdeel zijn van het kunstwerk) zijn veel overeenkomsten.
 Onder de beeldende aspecten verstaan we de onderdelen waaruit een beeld is opgebouwd, zoals vorm, licht, kleur en ruimte.
 Onder de beeldende middelen verstaan we alle middelen die men gebruikt om een twee- of driedimensionaal beeld te maken; niet alleen de beeldende aspecten, maar ook het materiaal, het gereedschap en de techniek.
 De kunstenaar gebruikt zijn materialen op een bepaalde manier. Dat noemen we de hanteringswijze. Zowel het materiaal als de hanteringswijze geven een beeld een bijzonder karakter. Dit komt in dit analyseschema aan de orde in zoverre het zichtbaar is in de beeldende aspecten. Kennis en herkenning van materialen en technieken vallen onder CKV3.
 De volgorde van het onderzoek naar de beeldende aspecten laat zich bepalen door het kunstwerk.
 De verschillende aspecten hebben invloed op elkaar en daarom is het handig om met het meest opvallende beeldende aspect van het kunstwerk dat je analyseert te beginnen.
 
 licht Lichtsoort: getemperd <> fel Lichtrichting: meelicht, tegenlicht, zijlicht, strijklicht Gevolgen van het licht: eigen schaduw/slagschaduwd1Bij het kijken speelt licht een grote rol. Dat kan natuurlijk licht zijn, zoals zonlicht, of kunstmatig licht, zoals lamplicht. Het licht dat op een kunstwerk valt heeft een effect op ons beeld van het werk. Naast dit werkelijke licht is er in tweedimensionale kunstwerken vaak sprake van gesuggereerd licht.
 Een lichtbron kan fel licht verspreiden, maar het licht kan ook getemperd zijn, onderbroken door bijvoorbeeld wolken of een gordijn.
 De kant van waar het licht vandaan komt, vanuit de beschouwer gezien, noemen we de lichtrichting.
 Men spreekt van meelicht wanneer je als beschouwer in de richting van het licht meekijkt. Wanneer je een foto maakt met een flitsapparaat heb je ook te maken met meelicht. Schaduwen zijn dan nauwelijks te zien.
 Wanneer je tegen het licht inkijkt, zoals bij een zonsondergang, heb je te maken met tegenlicht.
 Vormen tekenen zich dan af als silhouetten. Zijlicht komt van opzij. Zowel de schaduw op het voorwerp, de eigen schaduw, als de schaduw ernaast, de slagschaduw, zijn dan duidelijk te zien. Bij strijklicht 'strijkt' het zijlicht langs een oppervlak. Alle oneffenheden in het oppervlak (textuur) worden dan zeer goed zichtbaar.
 kleur Kleursoorten: kleurverzadiging, kleurhelderheid Kleurcontrasten: kleur-tegen-kleur, licht-donker, koud-warm, complementair, monochroom <> polychroomd2Johannes Itten (docent aan het Bauhaus) heeft een kleurenleer ontwikkeld waarin hij de onderlinge beïnvloeding van kleuren duidelijk maakt. Heel bekend is zijn kleurencirkel. Centraal in die cirkel plaatste Itten de drie zogenaamde primaire kleuren: geel, rood en blauw. Deze kleuren zijn niet door menging te verkrijgen. Door de primaire kleuren te mengen, kunnen in theorie alle andere kleuren worden gemaakt.
 Volgens Itten spreken we van kleurverzadiging, wanneer de kleur niet is gemengd met een andere kleur of met zwart en wit. Je hebt dan te maken met de kleur in zijn meest zuivere, pure vorm. De kleurhelderheid wordt bepaald door de mate waarin de kleur het licht weerkaatst. Een kleur wordt helderder naarmate je er meer wit doorheen mengt. Als kleuren tegen elkaar afsteken, een tegenstelling vormen, is er sprake van kleurcontrast.
 De bekendste vier kleurcontrasten zijn:
 kleur-tegen-kleur-contrast: tegenstelling tussen zuivere kleuren. Dit contrast is het sterkst tussen de primaire kleuren en geeft een bont effect;
 licht-donker-contrast: tegenstelling tussen lichte en donkere kleuren;
 koud-warm-contrast: Itten onderscheidt koude en warme kleuren. Blauw is bijvoorbeeld koud en oranje warm. Wanneer koude en warme kleuren naast elkaar gebruikt zijn, spreken we van koud-warm-contrast;
 complementair contrast: tegenstelling tussen kleuren die in de kleurencirkel tegenover elkaar liggen. Als ze direct naast elkaar gebruikt worden leveren deze kleuren een zeer sterk contrast op. Zo versterken de combinaties van bijvoorbeeld rood en groen of geel en paars elkaars werking.
 We spreken van monochroom kleurgebruik wanneer de kunstenaar zich beperkt tot één kleur of met verschillende tonen van één kleur. Polychrome objecten zijn met verschillende kleuren beschilderd.
 ruimte Ruimtelijkheid: tweedimensionaal <> reliëf <> driedimensionaal, ruimte-innemend (gesloten, massief) <> ruimte-omvattend (open) textuur Ruimtesuggestie door: groot-klein, overlapping, afsnijding lijnperspectief, kleurperspectief, atmosferisch perspectiefd3De ruimtelijkheid van een object is de mate waarin het ruimtelijk lijkt (twee-dimensionaal <> ruimtesuggestie) of echt ruimtelijk is (driedimensionaal).
 Een reliëf staat eigenlijk tussen twee- en drie-dimensionaal in: het is een beeld waarbij de voorstelling uit de vlakke achtergrond naar voren komt.
 Een gesloten, massieve driedimensionale vorm noemen we ook wel ruimte-innemend.
 Daartegenover zijn ruimte-omvattende vormen open. Je kunt er als het ware doorheen kijken (b.v. de beroemde Rietveld-stoel). Dan valt de restvorm op.
 Onder textuur verstaan we de oppervlakte-kwaliteit van het kunstwerk. Deze kan bijvoorbeeld glad, korrelig, zacht, ruw, enz. zijn. De textuur is niet alleen te zien (vooral bij strijklicht), maar ook te voelen.
 Bij tweedimensionale beelden, dus op een plat beeldvlak, kan ruimtelijkheid worden gesuggereerd.
 Er zijn verschillende manieren van ruimtesuggestie:
 groot-klein: de vormen in de voorgrond worden groter weergegeven, verder weg kleiner;
 overlapping: gedeelten van vormen zijn niet te zien omdat er andere vormen voor staan. De ene vorm lijkt achter de andere vorm te zitten;
 afsnijding: het kader overlapt de vorm;
 lijnperspectief: ruimtesuggestie volgens een wiskundige methode, met behulp van lijnen die naar
 vluchtpunten op de horizon lopen. Lijnen die in werkelijkheid evenwijdig aan elkaar lopen komen bij
 elkaar in één vluchtpunt. Zo lijkt een weg aan de horizon te verdwijnen in een punt;
 kleurperspectief: ontstaat wanneer warme kleuren op de voorgrond worden gebruikt en koude kleuren op de achtergrond. De koude kleuren lijken te wijken, terwijl warme kleuren naar voren lijken te komen;
 atmosferisch perspectief: bereik je door bijvoorbeeld in een landschap naar de horizon toe te vervagen.
 
 vorm Vormcontrasten: Geometrisch/constructief <> organisch/plastisch Enkelvoudig <> samengesteld Positief <> negatief (restvorm) Duidelijk <> vaagd4Elk beeld is opgebouwd uit vormen. Bij drie-dimensionale beelden zijn de vormen niet alleen zichtbaar, maar ook tastbaar. Bij twee-dimensionale beelden is de vorm zichtbaar door lijnen en vlakken. Er zijn allerlei soorten vormen met verschillende karakters. Zo kan een vorm rond zijn of plastisch, regelmatig of vaag. Vaak zie je dat beeldende kunstenaars vormen met een tegengesteld karakter naast elkaar zetten. Zo'n vormcontrast heeft het effect dat de karakters van de gecombineerde vormen duidelijker uitkomen.
 De volgende vormcontrasten kom je vaak tegen:
 geometrisch/constructief <> organisch/plastisch
 Met een geometrische vorm wordt een meetkundige vorm bedoeld, zoals een rechthoek, een cirkel of een driehoek. Drie-dimensionale geometrische vormen zijn dan bijvoorbeeld: een kubus, een bol of een piramide.
 Wanneer een beeld overzichtelijk is opgebouwd uit geometrische vormen spreken we ook wel van
 constructieve vormen. Het geheel doet denken aan een technische constructie.
 In tegenstelling tot geometrische vormen zijn organische vormen geïnspireerd op de natuur. Ze zijn vaak grillig en zien eruit of ze gegroeid zijn.
 Van een plastische vorm spreken we wanneer de vorm is gemodelleerd uit een plastisch, kneedbaar materiaal.
 enkelvoudig <> samengesteld
 Een enkelvoudige vorm is een eenvoudige vorm, die als uitgangspunt kan dienen voor een samengestelde vorm. De samengestelde vorm is opgebouwd uit verschillende delen.
 positief <> negatief (restvorm)
 Restvormen zijn vormen die overblijven tussen de eigenlijke ('positieve') vorm(en).
 duidelijk <> vaag
 De contour is de omtrek, de begrenzing van de vorm. Wanneer de contour zich niet duidelijk aftekent, hebben we te maken met een vage vorm.
 E Hoe zijn de middelen geordend (in tijd en ruimte)?
 Hoe werkt de beeldend kunstenaar, regisseur, choreograaf of componist/dirigent met de middelen? Hoe maakt hij er een geheel van?
 compositie Compositiegrondvormen: Horizontaal-verticaal-diagonaalcompositie, driehoekscompositie, centraalcompositie, 'over-all'-compositie Gevolgen van ordening: Statisch <> dynamisch, Symmetrisch <> asymmetrische1Binnen een beeld zijn verschillende onderdelen, beeldende aspecten te onderscheiden. Met het begrip compositie (letterlijk 'samenstelling') duiden we de manier aan waarop die beeldaspecten tot een geheel zijn geordend. Bij tweedimensionale beelden spreken we ook wel van vlakverdeling. Er zijn bepaalde ordeningen, bepaalde compositiegrondvormen te onderscheiden, zoals bijvoorbeeld:
 Horizontaalcompositie: de compositie is geordend rond een denkbeeldige horizontale lijn. Zo'n ordening
 maakt een rustige, stabiele en brede indruk.
 Verticaalcompositie: de ordening kan ook plaatsvinden rond een verticale lijn.
 Diagonaalcompositie: de vormen zijn bijvoorbeeld gegroepeerd van links-onder naar rechts-boven. Zo'n opstelling maakt een actieve, dynamische, onrustige indruk.
 Driehoekscompositie: de onderdelen kunnen als het ware in een driehoek gesloten worden.
 Centraalcompositie: hier zijn de vormen gegroepeerd rond een centrum.
 Over-all-compositie: onderdelen verspreid over het vlak.
 
 Gevolgen van de ordening:
 Zoals al aangegeven wordt de werking van het totale beeld sterk beïnvloed door de compositiegrondvorm.
 Een symmetrische compositie heeft bijvoorbeeld een statisch effect. Dat wil zeggen dat er geen
 bewegingssuggestie vanuit gaat. Dit in tegenstelling tot een dynamische compositie. Daar is wel sprake van bewegingssuggestie. Bijvoorbeeld bij de diagonaalcompositie.
 Wanneer het beeld in twee spiegelbeeldige helften is geordend is de compositie symmetrisch. Het geeft een harmonisch/statisch effect. Bij de asymmetrische compositie ontbreekt de symmetrie. Deze ongelijkheid kan een extra spanning aan de ordening geven.

 tijd Bewegingssuggestie Bewegend beeld, video, ict, performancee
 Over het algemeen kun je stellen dat beeldende kunst - in tegenstelling tot b.v. muziek - zich niet afspeelt in de tijd. Toch kan er sprake zijn van echte beweging.
 Wanneer vormen in een kunstobject werkelijk van plaats veranderen spreken we wel van 'kinetische kunst'.
 Door motorische of natuurlijke krachten (bijv. de wind) worden de vormen in beweging gebracht.
 Bewegingssuggestie: in stilstaande beelden wordt wel vaak de suggestie, de indruk van beweging gegeven.
 Een lijn kan bijvoorbeeld heel bewegelijk getekend zijn. Ook ritme en herhaling kunnen bijdragen aan bewegingssuggestie. We spreken van ritme wanneer in een compositie bepaalde beeldaspecten regelmatig herhaald worden.
 Een bijzondere vorm van beeldende kunst waarin beweging een rol speelt is de performance (letterlijk 'voorstelling'). Het kunstwerk is geen stilstaand object of installatie, maar een actie door de kunstenaar uitgevoerd. De uitvoering is het eigenlijke kunstwerk, al wordt de handeling soms wel geregistreerd met behulp van fotografie of video. De beeldende kunst is dan heel dicht genaderd aan een toneelvoorstelling, aan drama.
 Video-apparatuur wordt ook gebruikt als medium om te experimenteren met bewegende beelden. In deze video-kunst kan de computer worden ingezet om de video-beelden te manipuleren. De beeldende aspecten kunnen digitaal naar de hand van de kunstenaar worden gezet (ICT). Wanneer camera en personages een belangrijke rol spelen komen we op het terrein van de filmkunst.
 
 FUNCTIE
 F Met welk(e) doel(en) wordt het kunstwerk gebracht? Wat wil de maker (of opdrachtgever) of de beschouwer ermee bereiken?
 Bedoelde functie van de maker (of opdrachtgever) gelet op tijd en plaats <> functiegeving door de beschouwer
 Net als bij INHOUD geldt hier:
 I het onderscheid tussen maker (of opdrachtgever) <> beschouwer
  Vanuit de maker (of opdrachtgever) is er sprake van een bedoelde functie. De beschouwer kan aan het kunstwerk een heel andere functie geven: functiegeving.
 II tijd en plaats aspecten
  De oorspronkelijke functie van een kunstwerk wordt bepaald door de tijd en plaats van ontstaan. Deze functie kan in de loop der tijd veranderen.
 Bijvoorbeeld: De religieuze cantates van Bach zijn oorspronkelijk (tijd) gemaakt om uitgevoerd te worden in de kerk (plaats). Ze hadden een duidelijk religieuze functie. In onze tijd zijn er nog altijd mensen die om die reden naar cantates van Bach luisteren. Veel mensen die nu naar cantates van Bach luisteren doen dat vanuit een heel andere houding. De muziek heeft voor hen dan bijvoorbeeld een esthetische of recreatieve functie.
 Een kunstwerk kan meerdere van onderstaande functies tegelijk hebben. Hetzelfde kunstwerk kan voor verschillende mensen verschillende functies hebben.
 Levensbeschouwelijk
 Het uitdrukken van religieuze gevoelens, ondersteuning van rituelen en vieringen.
 bijvoorbeeld Muziek in de kerk. Kerkelijk drama in de Middeleeuwen om het volk een voorstelling te geven van godsdienstige verhalen.
 Esthetisch
 Bij de maker gaat het om het vertolken van schoonheid of het oproepen van vervreemding, confrontatie (anti-schoonheid).
 Bij de beschouwer staan hier inleven en het genieten van schoonheid centraal.
 bijvoorbeeld Een steeds terugkerend thema is de vraag of de natuur ‘naar de werkelijk' moet worden afgebeeld of ‘geïdealiseerd'. Soms wordt de werkelijkheid in kunstwerken zoveel ‘geweld' aan gedaan dat deze kunst voor het publiek zeer confronterend waren.
 Politiek
 Kunstwerken kunnen de status van de machthebbers ondersteunen en deze huldigen.
 Kunstwerken kunnen ook uiting geven aan protest of oproepen tot politieke bewustwording.
 bijvoorbeeldHet bezitten van grote verzamelingen kunstschatten wordt nog steeds gezien als iets dat statusverhogend is. Toneelstukken van Brecht, 20e eeuw, bevatten vaak een duidelijk politieke, socialistische boodschap.
 Economisch
 Kunst vertegenwoordigt in de maatschappij een bepaalde waarde. De maker maakt kunstwerken om geld mee te verdienen. Kunstwerken worden ook in reclame ingezet.
 bijvoorbeeldWordt kunst door de staat gesubsidieerd of opereren kunstenaars geheel of gedeeltelijk op de vrije markt?
 Educatief
 Kunstwerken kunnen informatief zijn of bepaalde attitudes (houdingen) onderstrepen.
 Daardoor kunnen ze een rol spelen in de opvoeding, therapie, voorlichting of training.
 Bij een beschouwer die geconfronteerd wordt met kunstwerken kan dat leiden tot meer zelfinzicht (zelfreflectie).
 bijvoorbeeldIn de tijd van Romantiek en Realisme in de 19e eeuw organiseerden musea hun tentoonstellingen steeds meer ter lering en vermaak.
 Vermaak
 Kunstwerken kunnen een rol spelen bij amusement. Kunstwerken kunnen de beschouwer een weg bieden om zich los te maken van de dagelijkse werkelijkheid en voor zichzelf. Kunst kan ook een puur decoratieve functie hebben.
 bijvoorbeeldPopmuziek, soaps, videoclips, musicals.
 
 autonoom <> toegepast
 Wanneer we het hebben over de functie van beeldende kunst kunnen we onderscheid maken tussen autonome kunst en toegepaste kunst. Autonome kunst is 'onafhankelijk' en staat op zich zelf. We spreken ook wel over 'vrije kunst', op het eerste gezicht kunst zonder functie. Zoals je hierboven al hebt gezien staat ook de autonome kunst in een bepaalde context in de samenleving, vervult daar een bepaalde rol, heeft een bepaalde bedoeling. Vormen van kunst die een doelmatige praktische functie hebben worden toegepaste kunst genoemd. Het kunstwerk heeft dan een heel concrete gebruiksfunctie. Tot toegepaste kunst kunnen allerlei gebruiksvoorwerpen behoren zoals affiches en kleding, maar ook architectuur, meubels en serviesgoed, industriële vormgeving


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 1645.