kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 11 01 2017 13:39 voor het laatst bewerkt.

Kunstfilosofie

Kunstfilosofie (esthetica)

 Al sinds Plato denken filosofen na over schoonheid, de waarde van esthetische oordelen, en de mogelijkheid - of onmogelijkheid! - kunstwerken te interpreteren. Hoewel elk van ons vele uitingen van muziek, literatuur of beeldende kunst apprecieert, is het een filosofische vraag bij uitstek waarin zo'n appreciatie nu precies bestaat.

Het wezen van de kunst wordt van oudsher in verband gebracht met de natuur der dingen. Het klinkt ook heel aannemelijk - twee zo nobele zaken als waarheid en schoonheid moeten in laatste instantie wel ergens samenvallen. Maar waar? Waar houdt de 'natuur van de dingen' zich schuil? Hoe slaagt het kunstwerk erin het wezen van de werkelijkheid aan het licht te brengen en gestalte te geven? Zit de natuur der dingen in de dingen? In het kunstwerk? In het hoofd van de kunstenaar, of in dat van zijn publiek?

Met waarheid is kunst altijd in verband gebracht, maar dan op heel uiteenlopende manieren. Van oudsher zagen filosofen het wezen van kunst gelegen in louter imitatie en representatie, in het afbeelden van de natuur. De kunstenaar legde zich zogezegd toe op het vervaardigen van knappe reproducties. Schoonheid bestond in het goed geproportioneerd nabootsen van de waarheid van de dingen. Dat was alles, en het was in feite een peuleschil. Het vergde van de artiest niet meer dan een zekere ambachtelijke bedrevenheid in het vervaardigen van copieën. Zo luidde ongeveer de opvatting van onder anderen Plato en diens leerling Aristoteles, twee Griekse filosofen uit de vierde eeuw voor Christus. De geschiedenis van de Westerse wijsbegeerte wordt wel beschouwd als een reeks voetnoten bij hun werk. Gelukkig geldt dit niet voor hun visie op kunst.

Ergens in de daaropvolgende tweeduizend jaar heeft een kentering plaatsgevonden in de kunstfilosofie. Sedertdien wordt van de kunstenaar méér gevraagd dan louter ambachtelijkheid. Hij is niet langer een bedreven copieermachine, maar voegt in zijn product een originele, creatieve meerwaarde toe aan de afbeelding van de werkelijkheid.

Wat niet verandert is het verband dat wordt gelegd tussen kunst en waarheid. De waarheid is echter niet langer voorhanden, klaar om door de kunstenaar gecopieerd te worden; zij geldt voortaan als iets dat met moeite gevonden of veroverd moet worden. De kunstenaar moet doordringen tot het verborgen wezen van de dingen. Zo stelt volgens Arthur Schopenhauer (1788-1860) 'elk kunstwerk zich ten doel ons het leven en de dingen zò te tonen als zij in werkelijkheid zijn.' Daartoe moet volgens hem de beeldend kunstenaar de natuur der dingen 'ontsluieren' door 'de mist die hen doorgaans aan het zicht onttrekt weg te nemen.'

In onze eeuw vinden wij dit verband tussen waarheid en kunst vooral terug in Martin Heideggers (1889-1976) idee van 'onverborgenheid'. 'Schoonheid is een van de wijzen waarop waarheid geschiedt als onverborgenheid', aldus Heidegger. Hij grijpt hiermee terug op de oorspronkelijke betekenis van het Griekse woord voor 'waarheid', alhqeia (alètheia), wat letterlijk zoveel betekent als het 'niet-verborgen-zijn' (a-lanthanoo). De kunstenaar toont ons de dingen zoals zij in werkelijkheid zijn. Hij onthult ons hun natuur. Deze natuur toont zich dus niet vanzelf. Wat tot onverborgenheid komt in het kunstwerk, moet eerst verscholen zijn geweest. De dingen delen ons niet uit eigen beweging hun natuur mede, maar moeten daartoe worden - aangespoord, wellicht. In een fameus voorbeeld heeft Heidegger geprobeerd deze stelling toe te lichten. Hij keek naar Vincent Van Goghs Boerenschoenen.

Afgebeeld is een paar duidelijk tweedehands werkschoenen, geschikt en gebruikt voor werk op het land. Maar is dit alles? Neen. Heidegger blikt diep in het binnenste van de boerenschoen. 'Uit de donkere opening van het versleten binnenste staart de zwoegende gang van de werkvrouw ons aan. Uit de stugge, ruwe logheid van de schoenen spreekt de samengebalde vastberadenheid van haar trage tred over de wijdse, altijd regelmatige voren van het veld waarover een schrale wind waait. Over het leer liggen de vochtigheid en de rijkdom van de bodem. Onder de schoen glijdt de eenzaamheid van het pad in de avondschemering. In de schoen resoneert de stille roep der aarde, haar rustige gave van het rijpend graan en haar onverklaarde zelfontzegging in de verlatenheid van het braak liggende veld in de winter.'[ noot 3]

Sommigen zullen menen dat Heidegger hier te ver gaat. Maar het is dan ook moeilijk het uitgebeelde wezen, dat toch pas in het schilderij tot onverborgenheid komt, onder woorden te brengen. Ieder heeft er wellicht zijn eigen woorden voor. Ieder mens, zoals Schopenhauer zei, peilt de diepte van het kunstwerk naar zijn eigen vermogen, 'zoals in diepe wateren elke schipper zijn peillood zo diep kan laten zakken als zijn touw lang is.'[noot 4]

Andere voorbeelden spreken in dit verband wellicht meer aan. Al gaat het mij hier niet zozeer om veranderingen in de kunst zelf, als wel om de veranderde opvattingen over kunst, toch is het nuttig om te signaleren dat de kunstenaar in de afgelopen decennia met toenemend gemak de oppervlakte van de realiteit verlaat en een sprong in de diepte waagt. Het lijkt mij een cliché dat geen betoog behoeft. Expressionisme, kubisme, diverse vormen van 'abstracte' en 'experimentele' kunst zoeken naar nieuwe manieren om door te dringen tot diepere lagen van betekenis. Zij proberen in die zin gestalte te geven aan de intiemere natuur van de dingen. Niemand zal willen beweren dat Picasso's Violen en druiven ons een alledaags straattafereel tekent; toch opent het een wereld waarin meetkunde en muziek met vrolijkheid gepaard gaan. Onze huiskamers ogen niet als Miró's Hollands interieur (1928), en vrouwen lijken als regel niet op een plastiek van Henry Moore; toch maken zij elk op hun manier iets manifest over de ons omringende realiteit. Een Giacometti vertelt ons niet hoe wij er uitzien, maar zegt iets over - onze eenzaamheid, wellicht.

Elk van deze voorbeelden grijpt voorbij de onmiddellijke waarneming, onderzoekt nieuwe, leerzame vormen van aanschouwelijkheid. Elk onderneemt een eigenwijze poging tot 'onverborgenheid', tot ontsluiering van de natuur der dingen. De kunstenaar is verre van een copiist. 'Overeenkomst met wat is werd lange tijd gehouden voor de essentie van waarheid. Maar zijn wij dan van mening dat het schilderij van Van Gogh een concreet paar werkelijk bestaande schoenen afbeeldt, en dat het een kunstwerk is omdat het dit zo voortreffelijk doet?', zo vraagt Heidegger weerom. 'Geenszins. Het werk is niet een reproductie van een bepaald, toevallig aanwezig, concreet ding; het is integendeel de reproductie van het algemene wezen van het ding. Maar waar en hoe is dan dit algemene wezen, dat kunstwerken ermee in overeenstemming kunnen zijn?'

Een kunstwerk is een poging tot 'onverborgenheid', 'de brug tussen wil en zijn'. Het probeert nieuwe betekenissen te vinden, uitdrukking te geven aan een nieuwe omgang met de werkelijkheid. In die zin kan het kunstwerk een nieuwe wereld scheppen - het zoekt een nieuwe natuur voor de oude dingen. Wederom geldt dat dit niet zomaar een willekeurig verzinsel van de kunstenaar is. Zijn creativiteit en transpiratie ten spijt, is hij het niet zozeer zelf die nieuwe betekenissen aandraagt, zij overkomen ook hem, net als andere mensen. Hij is een medium, een koploper, een antenne onder de mensen. Zijn atelier is geen fabriek maar een laboratorium, betekenissen worden er niet gemaakt, zij ontstaan er.

De taal die het kunstwerk tot ons spreekt, de natuur van de dingen die het vertolkt, is noch een copie van de taal der dingen, noch een verzinsel van de kunstenaar zelf. 'Voor een schilderij staat iedereen als voor een vorst, afwachtend of en hoe het tot hem zal spreken. En net als de vorst moet men niet zelf het schilderij toespreken: want dan zou men alleen zichzelf horen.' Toen Schopenhauer dit schreef, had hij natuurlijk het publiek op het oog, de toeschouwer van het kunstwerk. Het paradoxale is nu, dat zijn opmerking evenzeer opgaat voor de kunstenaar zelf. Nog voordat het kunstwerk zijn handen verlaat, is het een nieuw en eigen leven begonnen.

Kunst drukt het wezen der dingen uit - maar dit is niet iets dat bestaat, geen ding binnenin het ding; het is iets dat gebeurt. De natuur der dingen bestaat dus niet, maar geschiedt, zij overkomt u. Waar? Om u heen. Nu.

Van-Plato-tot-Nietzsche: acht inleidingen in de esthetica


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 185.