kunstbus

Ben jij onwetend, leerling, gezel, meester of uomo universale? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Lucebert

Lucebert (1924-1994)

Nederlands schilder, dichter, tekenaar, fotograaf, ceramist en lithograaf,

'Alles van waarde is weerloos'

Lucebert is op 15 september 1924 te Amsterdam geboren onder de naam Lubertus Jacobus Swaanswijk. De dichter, tekenaar en schilder koos het pseudoniem Lucebert (lichtbrenger), wat tweemaal licht betekent, als om erop te wijzen dat zijn licht moest optornen tegen een duisternis die het oorspronkelijke licht van de schepping had weggeveegd. 'De naam is een pleonasme van Luce licht en Bert, dat ook licht betekent.'. In zijn pseudoniem Lucebert zit twee keer 'licht': luce (Italiaans voor licht) + bert (Oud-Germaans, omzetting van brecht, vgl. Engels 'bright'). Een andere uitleg is dat 'beran' Germaans is voor brenger. Dus lichtbrenger. Hij gebruikte ook het pseudoniem ***K***.

Lucebert werd geboren in de Jordaan. Zijn moeder liep weg toen hij twee jaar oud was.
Zijn vader was huisschilder, en had een eigen zaak. Hij speelde op straat met Hans Andreus, later mede-Vijftiger.

Van 1935-1937 volgde hij de driejarige ULO. De leraar Duits wekt zijn belangstelling voor Goethe en poëzie in het algemeen. Zijn tekenleraar geeft hem de hoogste cijfers en gratis privéles. Na de ULO had hij allerlei baantjes op kantoren en in het bedrijf van zijn vader. Ook bezocht hij - kort - de kunstnijverheidsschool. Zijn tekentalent werd ontdekt na de ULO toen hij bij zijn vader begon te werken.

Lucebert (voluit Lubertus Jacobus Swaanswijk), bezocht met een beurs in 1938 de Kunstnijverheidsschool in Amsterdam die hij echter na een half jaar weer verliet. Daarna sloeg hij aan het zwerven. Hij bleef tekenen en gedichten schrijven.

Lucebert werd in 1943 tewerkgesteld in Duitsland, in een springstoffabriek. Hij ontdekt daar de poëzie van Hölderlin. Hij doet zijn werk in Duitsland zo slecht, dat men hem terug laat gaan naar Nederland. Als een hyperbewust kind van zijn tijd besefte hij dat 'schoonheid haar gezicht (had) verbrand'. In bijna een halve eeuw zette hij de lyriek op haar kop, en schreef gedichten die tot het verschrikkelijkste en fascinerendste behoren wat de Nederlandse poëzie heeft voortgebracht.

Toen hij in 1947 het aanbod van het Franciscanesseklooster in Heemskerk kreeg om in ruil voor kost en inwoning een enorme wandschildering te maken, ging hij daarop in. Omdat de zusters de wandschildering niet konden waarderen hebben ze het geheel laten overschilderen met witte verf.

In 1948 werd zijn dichtwerk ontdekt door Kouwenaar. Lucebert maakte deel uit van de Nederlandse Experimentele Groep en later ook van Cobra. Vanaf zijn debuut in Reflex (1949) met het antikoloniale gedicht Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia lopen maatschappelijke en artistieke opstandigheid parallel, in de vorm van onvrede met de burgerlijke orde.

Met zijn dichtwerk nam hij deel aan de Cobra-tentoonstelling in Amsterdam in 1949, op welk moment hij uit de beweging stapte. Hoewel hij kort en zijdelings bij de beweging betrokken raakte, werd ze voor de dichter-schilder van fundamentele betekenis. Enerzijds stimuleerde Cobra hem, en de andere experimentele dichters ( Vinkenoog, Kouwenaar, Elburg, Schierbeek e.a.), om de vrijheid die zij tot dan toe tastend in de taal zochten nu in volle overtuiging ook werkelijk te kiezen; anderzijds liet zij diepe sporen na in zijn ontwikkeling als schilder. Als ongevormde kon hij zich vinden in het pleidooi voor de grote waarde van volkskunst als een uiting van ongevormden. 'Een kunst die geen andere norm erkent dan expressiviteit en spontaan schept wat de intuïtie ingeeft.'

Ook al werd Lucebert in zijn beginjaren als beeldend kunstenaar beïnvloed door mensen als Appel en Constant (vooral in zijn olieverfschilderijen waarbij mythische wezens en mensachtige dieren spontaan geschilderd zijn in nu eens felle en stralende, dan weer gedempte kleuren), toch nam hij al vrij snel afstand van de Cobragroep. Nog in deze vroegste ontplooiingsfase kan men duidelijk referenties naar het werk van Picasso, het Surrealisme, en vooral Dubuffet ontdekken. Het was pas vanaf de late jaren vijftig (of zelfs vroege jaren zestig) dat Lucebert zich nadrukkelijk als plastisch kunstenaar profileerde en zijn eigen stijl ontwikkelde.

Lucebert is zeer vrij in zijn taalgebruik. Hij trekt zich niets aan van grammaticale wetten en vindt klankverbanden belangrijker. Zelf dicht hij: 'Geen applaus bekrachtigt de regels van het echte vers / de echte regels tegen de regels geschreven'. In zijn werk stelt hij de burgerlijkheid aan de kaak.

In November 1951 verscheen zijn eerste bundel Triangel in de Jungle, gevolgd door De dieren der democratie.

De bundel 'Apocrief', ingezonden voor de Reina Prinsen Geerligs-prijs, wordt door de jury geretourneerd met een 'meer dan onvriendelijk' begeleidend briefje (1951).

'Apocrief' wordt bekroond met de poëzieprijs van de gmeente Amsterdam (1953).
Klassieke kost in elk (Nederlands) schoolboekje is Luceberts publieke optreden als ‘Keizer der Vijftigers': als keizer verkleed in theaterkostuum (met in zijn gevolg van hellebaardiers onder meer Remco Campert) trachtte hij in maart 1954 het Amsterdamse Stedelijk Museum te betreden. De politie verhinderde dit met geweld en ging Lucebert met de gummiknuppel te lijf. Bij het verhaal van deze geslaagde provocatie blijft altijd enigszins onderbelicht wat Lucebert daar ging doen: de prestigieuze Poëzieprijs van de Stad Amsterdam ophalen voor zijn debuutbundel apocrief.

Vanaf 1953 woonde Lucebert in Bergen (NH).

Bertus Aafjes geeft in vier artikelen in Elseviers Weekblad felle kritiek op de experimentelen in het algemeen en op Lucebert in het bijzonder. Lucebert reageert met een 'Open brief aan Bertus Aafjes' in 'De Groene Amsterdammer' van 04-07-1953.

In 1955-1956 verbleef Lucebert , op uitnodiging van Bertolt Brecht, enige tijd in Oost-Berlijn.

Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam 1956 voor de gedichtencyclus 'De beulen'.

In 1958 had hij in Haarlem een eenmanstentoonstelling en kreeg hij erkenning als schilder. In de daarop volgende jaren was zijn werk te zien op diverse tentoonstellingen onder andere in het Stedelijk Museum in Amsterdam (1959), op Documenta II in Kassel (1959), in Rotterdam (1964), Turijn (1971) en Mannheim (1982).

De bundel Val voor Vliegengod (1959) vormt de bekroning van Luceberts eerste dichtperiode. Later zoekt hij de fel begeerde zuiverheid in inkeer en vereenvoudiging.

Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam 1962 voor 'Terreur'.

Zijn sterke persoonlijkheid sprak velen tot de verbeelding. Als dichter stond hij aan de wieg van een revolutionaire vernieuwing van de Nederlandse poëzie. De meeste van zijn gedichten zijn gebundeld in Gedichten 1948-1963. Na deze dichtperiode legde hij zich vooral toe op de beeldende kunst, die vanaf de zestiger jaren 'figuratief-expressionistisch' genoemd werd.

In de jaren vijftig onderging Lucebert vele invloeden; in de jaren zestig boeide de aan de kindertekening herinnerende figuratie uit de Cobra-tijd hem. Al snel maakte die plaats voor een karikaturale, demonische visie op de wereld.

De mythen die hij zowel in zijn expressionistische schilderijen als in zijn gedichten creëerde, waren geent op de wereld van de mensen en staan vol literaire toespelingen. Zowel in zijn schilderwerk als in zijn poëzie komen de principes van het antidogmatisme, het primitieve, het naïeve en het spontane naar voren.

Constantijn Huygens-prijs 1965.

Vanaf 1965 woonde Lucebert afwisselend in Bergen (NH) en Javea (Spanje).

1967 - Lucebert ontving als vroege-veertiger voor zijn hele oeuvre de P.C.Hooftprijs: ‘Volgens het oordeel van alle juryleden is Lucebert niet slechts een der belangrijkste dichters van onze eeuw, doch ook een der zeer weinige, die men op één lijn kan stellen met de beste dichters in het buitenland', aldus het juryrapport.

Prijs der Nederlandse Letteren 1983 voor zijn gehele oeuvre.

Lucebert maakte in 1983 in het Letterkundig Museum een grote wandschildering, waarin hij 36 literaire citaten verwerkte.

Jacobus van Looy-prijs 1990.

Lucebert overleed in 10-05-1994 in een ziekenhuis in aan Leukemie. Hij werd op 19-05-1994 begraven op de Algemene Begraafplaats in Bergen (graf IN-01-X).

Tekenend voor Luceberts persoonlijke stijl is de niet aflatende energie, werkijver en creatiedrift. Iedere dag zette hij verschillende tekeningen, schilderijen en gouaches aan en zijn hele oeuvre telt dan ook ettelijke duizenden werken. Bij deze kunstenaar kan men werkelijk spreken van een symbiose tussen kunstproductie en leven: hij zette zijn levensenergie om in een bijna eindeloze reeks creaties.

Aan zijn visioenen, zijn wereld van gestalten kon hij niet ontkomen. 'Alles wat me maar invalt schilder ik, ik teken en schilder van alles op alles. De mogelijkheden zijn onbegrensd, de kunstenaar filtreert ze, weegt ze af, hij bepaalt zijn keuze en waagt telkens weer de sprong in de enige mogelijkheid die de zijne is'. Het beeldende denken vormde Luceberts dragende bodem.

Zie ook bi(bli)ografie


Test je competentie op YaGooBle.com.

Je kunt ook zelf een opinie of encyclopedisch artikel op Kunstbus of Muziekbus plaatsen!

lexicon opinie

Test je algemene kennis op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 548.