kunstbus
Heb je een links, progressief of sociaal hart? Volg ons dan op Twitter of Facebook

Je kunt ook zelf een opinie of encyclopedisch artikel op Kunstbus of Muziekbus plaatsen!

lexicon opinie


Dit artikel is 21 03 2017 021:18 voor het laatst bewerkt.

M.C. Escher


Nederlandse graficus, geboren 17 juni 1898 Leeuwarden Friesland - overleden 27 maart 1972 haarlem.

Maurits Cornelis Escher visualiseerde wiskunde dusdanig dat leek en hoogleraar door zijn werken werden (worden) geboeid. Hij verstond de kunst om wiskundige ideeën uit te beelden waar professionele wiskundigen net uit waren gekomen of zelfs nog jaren werk voor nodig hadden. Hiermee kunnen we Escher zien als één van de grootste, zo niet de grootste, personen op het grensvlak van de wiskunde en de kunst van deze eeuw en langer. Het is dan ook des te opvallender dat hij niets van wiskunde begreep en hij ook niet zag wat andere kunstenaars dreef tot hun werk. Hij was eigenlijk gewoon een goed graficus met voorkeur voor de houtsnede, een goed meetkundig inzicht gecombineerd met een grote interesse voor wiskundige ideeën en een stevige werklust.

1898 - Escher (roepnaam Mauk), de jongste van vijf kinderen, werd in het Prinsessenhof te Leeuwarden geboren en was de zoon van G.A. Escher en zijn vrouw Sarah Gleichmann. De familie leefde in een groot huis wat later een museum werd voor de werken van Escher.

Vader Escher was een waterbouwkundig ingenieur die zijn opleiding in Delft had genoten en een succesvolle loopbaan bij Rijkswaterstaat doorliep. Moeder Escher was van adellijke afkomst, wier voorvaders, evenals die van haar echtgenoot, uit Duitsland kwamen.

Mauk was een ziekelijk kind, maar kon niettemin terugkijken op een vrij onbezorgde jeugd, de eerste vijf jaar in de Friese hoofdstad, daarna vanaf 1903 in Arnhem.

Escher volgde vanaf 1912 de middelbare school (HBS). Deze kon hij vanwege ondermaatse resultaten echter niet met een diploma afronden. De enige vakken waarvoor hij voldoendes haalde waren typerend genoeg wiskunde, plant- en dierkunde, Nederlandse taal- en letterkunde en hand- en lijntekenen.

Desondanks werd Escher, op voorspraak van zijn vader, toegelaten als student bouwkunde in Delft, maar werd daar zowel lichamelijk als geestelijk ziek.

In 1919 besloot Mauk vervolgens een architectuurcursus te volgen aan de school van de Maatschappij van Nijverheid in Haarlem. Zijn grote grafische talent werd al snel ontdekt en Escher legde zich toe op grafiekles van S. Jesserun de Mesquita. Tot 1944 (toen de Mesquita met vrouw en zijn zoon door de Duitsers werd weggevoerd en vermoordt) hield Escher contact met zijn oude leermeester. Escher heeft deze zijn leven lang gelauwerd als zijn belangrijkste leermeester.

In 1922 ondernam Escher met zijn twee Hollandse vrienden een reis naar Midden-Italie. Ze bezochten Florence, Siena en andere grote steden. In de minder toeristische streken voelde Escher zich echter beter thuis en begon hij met tekenen.

Na kort verblijf in Spanje stapte Escher in Cadiz op een vrachtboot naar Genua. Hij bracht de winter en lente van 1922-1923 door in een pension in Siena. Na een tijd daar maakte hij weer een reis naar Italië. Op 1 van zijn reizen ontmoette Escher Jetta Ulmiker, het meisje waar hij in 1924 mee trouwde.

Escher trouwde in 1924 met de in Rusland geboren Zwitserse Jetta Umiker, die later een geestelijk wrak zou worden, en kreeg drie kinderen. De ouders van Jetta vestigden zich in Rome en het jonge paar ging mee. 's Zomers trok Escher erop uit om schetsen te maken van landschappen en 's winters werkte hij deze schetsen uit tot litho's of houtsnijwerken. Eschers zwerftochten door Italië werden gefinancierd door zijn rijke ouders, aangezien zijn tentoonstellingen nog niet al te veel geld opbrachten.

1924 - eerste expositie in Den Haag.

Toen in 1926 hun eerste zoon George geboren werd, verhuisden ze naar een grotere woning, waar ze op de derde verdieping woonden.

1928 - zoon geboren: Arthur (8 december).

1929 - eerste litho.

1931 - lidmaatschap van de 'grafische artiesten'.

1932 - lidmaatschap van de 'Pulchri Studio'

1934 - succesvolle expositie in Chicago.

Toen in 1935 Escher's oudste zoon George, die toen negen jaar was, werd gedwongen om op school het Balilla-uniform van de fascistische jeugd te dragen vertrok Escher met zijn gezin naar Château-d'Oex in Zwitserland.

Hij voelde zich daar duidelijk niet thuis. Escher gaf de voorkeur aan de zee boven de bergen. Het was dan ook op een nacht dat hij wakker werd van een geluid dat leek op het ruisen van de zee. Het was echter alleen maar Jetta die haar haar kamde. Dit geluid versterkte het verlangen naar de zee. Het was dan ook de volgende dag dat hij actie ondernam om uit de bergen te vluchten en de zee weer op te zoeken. Die dag schreef hij een brief met een zeer uitzonderlijk voorstel aan de Compagnia Adria in Fiume, een vrachtmaatschappij met passagiersaccommodatie in de Middellandse Zee. Het voorstel kwam erop neer dat hij rondreizen voor hem en zijn vrouw wilde betalen met 4 afdrukken van 12 prenten die hij op de reis zou maken. Nog merkwaardiger dan dit voorstel was waarschijnlijk wel het feit dat het bedrijf hiermee accoord ging. Dit terwijl waarschijnlijk niemand van de maatschappij zijn prenten kende of er zelfs maar in geïnteresseerd was. Desalniettemin kon Escher nu aan het Zwitserleven ontsnappen en weer met plezier werken. Verder stelde deze constructie hem in staat om op eenvoudige wijze de waarde van zijn prenten vast te stellen, namelijk via de passagierstarieven van vrachtschepen.

Tijdens deze reizen bezocht hij voor de tweede keer in zijn leven het Alhambra. Eschers interesse ging vooral uit naar de Moorse versieringen op de muren en vloeren. Deze versieringen, die Escher en zijn vrouw uitgebreid natekenden, vormen de basis van zijn werk op het gebied van de regelmatige vlakverdeling die hij vervolgens gebruikte in een groot aantal van zijn latere prenten.

Een andere belangrijke inspiratiebron van Escher was de muziek van bach, met name diens fuga's. ,,Het heeft héél véél van mijn motieven, die ik óók om verschillende assen laat draaien. Ik heb dat gevoel van relatie, verwantschap, tegenwoordig zoo sterk, dat ik tijdens het luisteren naar bach, dikwijls geïnspireerd word en een sterke drang naar zijn dwingend rythme voel, een cadans die iets van de eindeloosheid zoekt. In de Fuga is alles gebaseerd op één enkel motief, dikwijls maar van enkele noten. Bij mij draait alles ook om één enkel gesloten contour.''

Het keerpunt in Eschers werk: van landschappen naar beeldgedachten.
Als we het werk van Escher tegen de tijd uitzetten, zien we een duidelijke omslagperiode rond 1937. Vrijwel alle vóór 1937 gemaakte prenten zijn landschappen van voornamelijk Italië. Op de meeste prenten worden de Middellandse-Zeegebieden uitgebeeld, zoals hij ze op zijn reizen tegenkwam. Na 1937 vormen dit soort landschappen alleen nog maar de achtergrond van zijn prenten of de basis waarop hij zijn wiskundige ideeën laat inwerken. De ongeveer zeventig prenten van na 1937 zijn bijna allemaal gebaseerd op wiskundige ideeën. Wat echter altijd in zijn prenten blijft doorspelen is zijn interesse in de structuur van wat hij wilde afbeelden. Zo richte hij zich vóór 1937 op de structuur van het landschap, terwijl na 1937 de structuur van de wiskundige wereld zijn grootste inspiratiebron was.

Escher probeert en slaagt erin om in één prent verschillende werelden te verwerken. Zo zien we in Hand met spiegelende bol (1935) een hand in wat we als onze wereld kunnen beschouwen met een bol waarop een spiegelwereld van onze wereld is vastgelegd. In de prent Drie werelden (1955) zien we de wereld van de bomen, het wateroppervlak en de onderwaterwereld verenigd.

Voortbouwend op zijn bezoeken aan het Alhambra verdiepte Escher zich in de regelmatige vlakverdeling, ontwikkelde hij een eigen systematiek, zonder daarbij wiskunde te gebruiken. Ondanks het feit dat de regelmatige vlakverdeling één van Eschers grootste passies was, heeft hij nooit een prent gemaakt die alleen de regelmatige vlakverdeling tot onderwerp had. Hij gebruikte de techniek voor een hele reeks prenten, die een eigen wiskundig principe als hoofdthema hadden.

Metamorfosen - In deze serie prenten maakt Escher gebruik van de regelmatige vlakverdeling om figuren van de ene vorm in de andere te laten overgaan. Zo verandert in Metamorfose II (1939-1940) een balk met het woord 'metamorfose' in een balk met het woord 'metamorfose', maar via vierkanten, reptielen, hexagrammen,

Kringlopen - In deze prenten gaat Escher uit van een regelmatige vlakverdeling. Hij laat hierbij echter het dier/mannetje uit de vlakverdeling tot leven komen, zich volledig ontwikkelen om vervolgens weer in de vlakverdeling terug te keren. Een mooi voorbeeld van zo'n kringloop is Reptielen (1943).

Oneindigheidsbenaderingen - In deze prenten verwerkte Escher het begip oneindig met behulp van een oneindige reeks. Dit deed hij door een bruikbaar figuur te nemen en deze op dusdanige wijze te verkleinen dat hij de verschillende maten met behulp van een regelmatige vlakvulling kon creëren, die het gewenste effect had. Zo ontstond een prent die naar binnen en in de latere prenten naar buiten toe een steeds kleinere afbeelding laat zien.

Als we een afbeelding zien van een driedimensionaal object, zijn we geneigd om automatisch het beeld als driedimensionaal te interpreteren. Escher realiseerde zich dat en heeft daarom een aantal prenten gemaakt die met dit principe de draak steken.

het conflict tussen de ruimte en het platte vlak - In deze prenten steekt Escher de draak met het als driedimensionaal interpreteren van een afbeelding door een plat vlak af te beelden, waarbij hij de suggestie wekt dat hij een driedimensionaal voorwerp heeft afgebeeld. Om dit duidelijk te maken stopt hij verschillende aanwijzingen in zijn prenten die erop wijzen dat hij een tweedimensionaal object afbeeldt en geen driedimensio-naal object. Goede voorbeelden hiervan zijn een Draak (1952) die op een in drie dimensies onmogelijke wijze in zijn eigen staart bijt en Drie bollen I (1945) waarin hij een getekende bol laat zien, die hij vervolgens dubbelvouwt en tenslotte plat neerlegt.

Perspectief - We kennen allemaal wel de standaardregels voor perspectieftekenen die we op de middelbare school geleerd hebben. Men neme een horizon en een verdwijnpunt. Alle evenwijdige lijnen in de richtingen waarin we kijken komen in het verdwijnpunt samen, en evenwijdige verticale lijnen blijven evenwijdig lopen. Escher heeft dit voor zichzelf nagegaan en kwam tot een meer op de ervaring lijkende manier voor perspectieftekenen. Zo zijn de lijnen in de richting van het verdwijnpunt niet recht, maar gekromd. Voor degenen onder jullie die dat zelf na willen gaan kan ik de hint geven dat je je moet bedenken dat de wereld om je heen meer tot je komt als een cilindervormige of bolvormige afbeelding dan als een plat vlak. Je kan hier leuk mee spelen, en wat let je om een minder realistische vorm te nemen voor de manier waarop de omgeving op je bewustzijn wordt geprojecteerd. Naar aanleiding van deze nieuwe manier van perspectieftekenen heeft Escher een aantal prenten gemaakt. In sommige daarvan neemt hij het zenit of het nadir als verdwijnpunt of hij gebruikte meerdere verdwijnpunten. Een mooi voorbeeld waarin al deze elementen terugkomen is Boven en onder (1947). Verder wordt ook in Relativiteit (1953) op een mooie wijze met het perspectief gespeeld.

Onmogelijke figuren - We kunnen met behulp van projectie alle driedimensionale voorwerpen op een plat vlak afbeelden, maar kunnen we ook een in een plat vlak getekende ('driedimensionale') constructie in drie dimensies nabouwen? Het simpele antwoord hierop is: niet altijd. Er bestaan 'ruimtelijke' constructies die je wel kunt tekenen, maar niet kunt bouwen. Het blijkt echter wel mogelijk te zijn om een driedimensionale constructie te maken die vanuit een bepaald gezichtspunt de gewenste afbeelding geeft. Escher heeft een paar mooie prenten gemaakt, waarin deze onmogelijke figuren zijn verwerkt. De bekendste zijn waarschijnlijk wel Belvédère (1958) en Waterval (1961). In Belvédère heeft Escher zijn bekende onmogelijke kubus getekend. De welbekende Roger Penrose bezocht in 1954 een tentoonstelling over Escher in Amsterdam toen hij daar was voor een wiskundecongres. De kubus in Belvédère intrigeerde hem zo dat hij op weg naar huis zelf een onmogelijke figuur probeerde te verzinnen. Dit resulteerde in de onmogelijke driehoek, een figuur die Escher later zou gebruiken voor zijn Waterval.

1937 - Naarmate de oorlogsdreiging sterker werd, wilde Escher dichter bij zijn vaderland zijn. Het was dan ook in 1937 dat hij verhuisde naar Ukkel bij Brussel.

1938 zoon geboren: Jan (6 maart).

1939 vader overleden: 96 jaar!

1940 moeder overleden.

Toen in mei 1940 de oorlog uitbrak en België en Nederland bezet werden, werd het Escher psychologisch moeilijk gemaakt om langer als Nederlander in België te blijven. Buitenlanders werden toen gezien als mensen die een te hoge druk op de samenleving legden en ze kregen dan ook de door de bezetter veroorzaakte druk op de bevolking op zich afgewenteld. Het duurde dan ook niet lang voordat het gezin Escher naar Nederland vertrok.

In januari 1941 vestigde het gezin Escher zich in Baarn waar Escher zijn wiskundige ideeën en zijn kunstvorm in alle rust kon uitwerken. Hij bleef het overgrote deel van de rest van zijn leven in Baarn wonen, terwijl zijn kinderen opgroeiden en zich over de wereld gingen verspreiden. Escher ging nog wel een aantal keer per vrachtschip de Middellandse Zee op, maar die reizen gaven hem nog maar nauwelijks nieuwe inspiratie. De inspiratie voor de rest van zijn werk haalde hij uit zijn eigen gedachtenwereld.

Al snel na de bevrijding organiseert Escher een overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum te Amsterdam voor zijn in het kamp omgekomen joodse leermeester Samuel Jessurun de Mezquita. Ook voor de kunstenaars die tijdens de bezettingsjaren weigerden te exposeren en zich bij de Kulturkammer aan te sluiten, organiseert hij een dergelijk eerbetoon.

Escher had een enorme belangstelling voor en verwondering over kristallen. Dit hoeft ons niet te verbazen als we bedenken dat in kristallen mooie symmetrische 'abstracte' structuren, waar Escher zo in geïnteresseerd was, te zien zijn. Deze passie voor kristallen deelde hij met zijn broer prof. dr. B.C. Escher, die in 1922 hoogleraar in de algemene geologie, mineralogie, kristallografie en petrografie werd aan de Universiteit van Leiden! Met behulp van zijn broer begon Escher met het tekenen van kristalachtige ruimtelijke vormen met ruimtelijke vlakken.

In een aantal prenten verwerkte Escher de 5 platonische lichamen (tetraëder, kubus, octaëder, dodecaëder en icosaëder), de 26 archimedische lichamen en combinaties hiervan. Soms gebruikte hij ze als ornament, zoals in Waterval (1961). In andere gevallen gaf hij ze een centrale plaats,bijvoorbeeld in Sterren (1948), Vierkantsplanetoïde (1954) en Platwormen (1959). Escher maakte niet alleen gebruik van kristalvormen voor zijn prenten, maar ook van andere wiskundige vormen, zoals de spiraal en de Möbiusband voor bijvoorbeeld Spiralen (1953) en Ruiters (1946).

1954 succesvolle expositie in Washington op het internationale wiskunde congres.
1955 Escher wordt geridderd.

Al doende leerde hij hoe ruimtelijke figuren in elkaar zaten. Escher was geen ster in wiskunde. Toch maakte hij kunst die veel mathematici voor nieuwe wiskundige problemen stelde en hen zodoende inspireerde.

Escher ontving ook veel brieven van wiskundigen en goed wiskundig onderlegde mensen, of ze stuurden hem boeken of uitnodigingen voor lezingen. Hierbij probeerden ze te converseren zoals je met een goed wiskundig onderlegd persoon over wiskunde converseert. Escher begreep er dan ook geen hout van. Het enige waar hij wat mee kon en ook iets mee deed, waren de plaatjes die de wiskunde uitbeelden. Deze kon hij gebruiken als inspiratiebron voor zijn eigen werk. Over de omgang met wiskundigen zei Escher in een interview eens: 'Ik heb voor wiskunde nooit een voldoende gehad. Het leuke is, ik schijn wiskundige theorieën aan te snijden zonder het zelf te weten. Nee hoor, ik was een heel dom jongetje op school. En dan te bedenken dat wiskundigen hun boeken illustreren met mijn prenten! En dat ik met al die wijze mannen omga als frère et compagnon. Ze kunnen zich helemaal niet voorstellen dat ik er niets van snap.'

Escher mag dan geen hout van wiskunde begrepen hebben, maar uit zijn houtgravures en litho's blijkt wel dat hij een meetkundig inzicht had waar menig steeds verder verkleinen om vervolgens zo klein te worden dat de prent een duidelijke rand krijgt, de limietcirkel van de afbeelding. Hij bedacht dat de ruimtevullende vormen eigenlijk oneindig waren. Zodra je ophield met tekenen, brak je een van de figuurtjes doormidden. Hiervoor vond hij de volgende oplossing: Hij vormde cirkels, waarin hij naar de randen toe steeds kleinere figuren maakte. Zo verkreeg hij een bol-effect. Dit deed hij ook andersom: een soort spiraal. Hierin was hij heel precies; tot in de kleinste details klopten de verkleiningen. In zijn ruimtevullende patronen gebruikte Escher veel tegenstellingen, zowel in kleur als in de betekenis. Bijvoorbeeld zwart-wit, dag-nacht of engelen-duivels. De meest vreemde wezentjes gebruikte hij in zijn ruimtevullende afbeeldingen. Vaak komen de typische salamandertjes terug in zijn werk. Het is hierbij goed om op te merken dat Escher in zijn afbeelden zo ver ging dat je op de houtsnedes met een vergrootglas nog nieuwe vissen kunt zien. Andere mooie voorbeelden zijn Draaikolken (1957) en zijn laatste prent Ringslangen (1969).

In de brief van 15 november 1959 aan zijn jongste zoon, Arthur, schrijft hij over zijn plaats ten opzichte van wiskundigen en kunstenaars: 'Diep treurig en katerig blijft het feit, dat ik tegenwoordig een taal begin te spreken, die door slechts zéér weinigen wordt verstaan. Dat maakt mijn eenzaamheid steeds maar groter en groter. Ik hoor tenslotte nergens meer bij. De mathematici kunnen nu wel vriendelijk en belangstellend en vaderlijk knikken - ik blijf toch maar een prutser voor hen. En de 'kunstzinnigen' ergeren zich hoofdzakelijk.'

Het meest bekende werk van de graficus m.c. Escher is ongetwijfeld het tafereel klimmen en dalen uit 1960. We zien, vanuit een hoog standpunt alsof we een ballonvaarder zijn, een bouwwerk met bogen, torens en een binnenplaats. Het platte dak rond de binnenplaats bestaat uit een luie trap. Op die trap lopen op regelmatige afstanden mensen die eruit zien als anonieme, haast mechanische poppetjes. Escher krijgt het dankzij zijn magnifieke gegoochel met perspektief voor elkaar dat je aanvankelijk niet ziet dat die trap een onmogelijkheid is. Want zij leidt nergens naartoe, gaat slechts schijnbaar omhoog of omlaag, waardoor de mensen eeuwig hun trap beklimmen of afdalen zonder ooit ergens aan te komen, zonder zich ooit hoger of lager te bevinden.

1960 expositie in Cambridge, Massachusetts

1962 opname in ziekenhuis; spoedoperatie

1964 reis naar canada; opnieuw spoedoperatie

1965 Hilversumse kunstprijs

1967 2e Royal Award

Op dit moment had Escher een hoogtepunt van zijn carrière bereikt en was zeer geliefd bij de hippies uit de jaren '60. Zijn afbeeldingen werden niet alleen door wiskundigen gebruikt, maar ook bijvoorbeeld door een popgroep uit Amerika, die een van zijn afbeeldingen gebruikte voor een hoes van een plaat. Hoewel hij zelf niets moest hebben van de popcultuur, werd hij als een held op een voetstuk gezet. Mick Jagger heeft hem nog verzocht of hij één van zijn prenten mocht gebruiken voor een platenhoes. De toegewijde Escher wees het verzoek resoluut af.

Zoals bij iedere kunstenaar en wetenschapper gebeurt, probeert de toeschouwer ook bij Eschers werk dit te interpreteren. Als de toeschouwer denkt in de lijn van de kunstenaar kan hij de bedoelingen van de kunstenaar in de prent nog wel achterhalen, maar als zijn denken anders gericht is komt de toeschouwer tot volslagen andere conclusies. Als iemand Escher zo'n herinterpretatie gaf kon hij het volgende antwoord te horen krijgen: '.., als u dat erin ziet, zal het wel zo zijn.' Een mooi voorbeeld van dit 'herinterpreteren' is gemaakt voor de prent Balkon (1945), die velen onder ons zich kunnen herinneren uit de lezingen van Vincent Icke over de kromming van de ruimte door zwarte gaten. In deze prent is het centrum van een stadsgezicht opgeblazen t.o.v. de rest van de prent, alsof de prent is afgedrukt op een stuk vlak rubber en iemand dit met zijn vinger van achteren indrukt. In het opgeblazen gedeelte van de prent is een balkon te zien met daarop een plant. Hierover is eens het volgende gezegd:

'Wie de prent Balkon bekijkt, wordt direct getroffen door de aanwezigheid van een hennepplant in het centrum van de prent. Door de geweldige blow-up naar het centrum heeft Escher de hasj centraal willen stellen en ons willen wijzen op de psychedelische betekenis van zijn hele oeuvre.'

Om Vincent en één ieder die pleit voor didactisch verantwoorde en moreel correcte plaatjes bij lezingen, maar ter teleurstelling van sommige anderen, dient gezegd te worden dat de plant niets met een hennepplant te maken heeft, en dat elke overeenkomst tussen de gestileerde plant op het balkon en een hennepplant puur berust op toeval en gerichte interpretatie van één ieder die het als hennepplant interpreteert. Escher kende de hasj (in 1945 !) alleen maar uit het woordenboek. Wat betreft de psychedelische effecten van zijn werk kunnen we zeggen dat ze je weliswaar kunnen doen duizelen, maar dat één ieder die bij zijn werken dit soort effecten ondervindt, ze waarschijnlijk ook zal ondervinden door een boterham met kaas.

Zijn vrouw Jetta houdt het in Baarn niet uit en keert in 1968 voorgoed terug naar Zwitserland.

In 1969 maakte hij ringslangen, de boeiende prent die zijn laatste zou blijken te zijn.

1970 opnieuw een operatie. Daarna opname in het Rosa-Spier-tehuis in Laren voor bejaarde artiesten een tehuis waar bejaarde kunstenaars hun eigen atelier hadden en bovendien van de verzorging genoten. Daar stierf Escher op 27 maart 1972 op drieënzeventigjarige leeftijd.

Kunstcritici beschouwden lange tijd Eschers werk niet als kunst. De belangrijkste reden hiervoor is dat ze niet wisten wat ze met zijn werk aan moesten. Escher was een kunstenaar apart. In vergelijking met andere kunstenaars was hij meer een constructeur dan een artiest. Desalniettemin heeft hij een groot aantal fraaie werken opgeleverd, die ieder de toeschouwer evenveel kunnen doen als een goed kunstwerk. Een ander punt waarop Escher afweek was zijn wens dat iedereen van zijn kunst moest kunnen genieten en zich er door laten verwonderen. Hiertoe zorgde hij ervoor dat de prenten veel gereproduceerd konden worden en de prijzen laag bleven. Dit terwijl andere kunstenaars een uniek niet reproduceerbaar werk proberen te verkopen voor een goed bedrag. Om deze redenen, en zijn werk bekeken hebbend, denk ik dat we Escher het best kunnen beschouwen als een kunstenaar met een volledig eigen stroming. Een stroming waar hij alleen in stond.

Deel dit artikel op Twitter of Facebook

Heb je een links, progressief of sociaal hart? Volg ons dan op Twitter of Facebook

Pageviews vandaag: 15.