kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Maria Sibylla Merian

(Anna) Maria Sibylla Merian

Duitse natuurliefhebster en illustrator, geboren 2 april 1647 Frankfurt am Main - overleden 13 januari 1717 Amsterdam.

Maria Sibylla Merian bestudeerde planten en insecten en daar gedetailleerde tekeningen van vervaardigde. Haar observaties en documentatie van de metamorfose van rupsen tot vlinders zijn een belangrijke, zij het niet algemeen bekende bijdrage aan de entomologie. Zij was voor zover bekend de eerste die de insecten tekende samen met de plant waar ze op gedijden.

Jeugd en huwelijk
Ze werd geboren in Duitsland als eerste kind uit het tweede huwelijk van kunstenaar en uitgever Matthäus Merian, en Johanna Sibylla Heim, en groeide daar op. De familie was kosmopolitisch: haar vader was geboren in Bazel, haar moeder stamde uit een Waals predikantengezin. Ze had op jonge leeftijd, 13 jaar, al belangstelling voor insecten, vooral de metamorfose van rupsen tot vlinders, aanvankelijk zijderupsen. Ze leerde tekenen en etsen van haar Nederlandse stiefvader Jacob Marrell, bekend om zijn bloemenschilderingen, die in 1651 met haar moeder trouwde. Haar broers Matthäus en Casper zetten na de dood van hun vader de uitgeverij voort.

Op haar achttiende trouwde zij in 1665 met de architectuurschilder Johann Andreas Graff. Twee jaar later kreeg zij haar eerste dochter Johanna Helena, en verhuisde het gezin naar Neurenberg. Hier begon zij allerlei rupsen te verzamelen en bestudeerde ze de levensloop van rupsen en vlinders. Ze was enthousiast over deze door slechts weinigen gewaardeerde dieren, waarvan men sinds Aristoteles dacht dat ze uit vuil en modder ontstonden, en hun metamorfose in vlinders. Ze maakte schetsen van details als het eierleggen, de verpopping en de voedselplanten. Rupsen hield ze in leven om te zien welke vlinder er uit kwam.

Dit schetsboek was de basis voor haar eerste boek, dat in 1675 verscheen onder de titel "Neues Blumenbuch" ('Nieuw bloemenboek'). In dit boek werden allerlei bloemen uiterst gedetailleerd weergegeven. In 1677 verschenen nog twee delen. Het gehele boek bestaat uit 3 delen van elk 11 platen. In 1678 kreeg ze haar tweede dochter Dorothea Maria, en in 1679 verscheen "Der Raupen wunderbare Verwandlung und sonderbare Blumennahrung" ('Over de wonderbare verandering van de rupsen en [hun] merkwaardig bloemenvoedsel'), haar tweede grote werk, dat door haar man werd uitgegeven. In dit boek werd de levenscyclus van verschillende vlinders afgebeeld, met hun voedselplanten.

Nederlandse tijd
Ze had weinig tijd voor haar man en deze had verschillende minnaressen. In 1685, na onenigheid binnen de familie over de verdeling van de boedel van haar overleden stiefvader, en misschien ook door verschillen in religieus inzicht, verliet ze hem en trok met haar moeder en dochters naar het landgoed Walthastate in Friesland (Wieuwerd), waar haar halfbroer Casper al woonde. Het slot was eigendom van Cornelis van Sommelsdijck, de gouverneur van Suriname. In het slot was een woongroep, een soort commune, gevestigd van de Labadisten, een religieuze groepering die leefde naar de ideeën van (de inmiddels al overleden) Jean de Labadie. Ze moesten hun wereldse bezittingen opgeven aan de commune en een huwelijk met iemand van buiten de commune werd niet erkend. Johann Graff probeerde zijn vrouw tevergeefs tot terugkeer te bewegen en probeerde een poos later om van haar te scheiden om zelf opnieuw te kunnen trouwen, wat in 1692 lukte. Ze ging in deze periode door met het bestuderen van insecten en maakte voor het eerst uit de tweede hand kennis met de Surinaamse natuur.

Ze verhuisde een paar jaar later, na de dood van haar broer Casper in 1686 en die van haar moeder in 1690, in de zomer van 1691 naar Amsterdam, waar ze vooral door haar rupsenboek snel contact kreeg met andere natuurliefhebbers en -onderzoekers, en toegang kreeg tot volières, rariteitenkabinetten en oranjerieën van rijke particulieren zoals de burgemeester van Amsterdam, Nicolaas Witsen, en Frederik Ruysch, met zeldzame vogels en planten. Haar belangstelling voor de exotische natuur van de tropen werd verder aangewakkerd. Ze zette in Amsterdam onder eigen naam een bedrijf op, waar ze onder meer pigmenten, penselen, geprepareerde insecten en dieren op sterk water verkocht. Haar oudste dochter was gehuwd met Jakob Herold, die handelscontacten had met Suriname. Ze maakte op 52-jarige leeftijd een reis naar Suriname met een subsidie van de stad Amsterdam, samen met haar jongste dochter. De bootreis duurde in die tijd drie maanden. Vanuit de hoofdstad Paramaribo trokken de vrouwen in diverse excursies het binnenland in. Maria Sybilla Merian documenteerde alles wat ze over de metamorfose van tropische insecten kon ontdekken en maakte een groot aantal tekeningen en aquarellen. In 1701 liep ze echter malaria op en moest naar huis terugkeren.

Haar tekeningen en schetsen dienden nu als bron voor een prachtwerk in groot formaat over de Surinaamse flora en fauna. Met behulp van verschillende Amsterdamse kopergraveurs kon het boek na drie jaar hard werk in 1705 in Amsterdam verschijnen. Haar hoofdwerk is getiteld: Metamorphosis insectorum Surinamensium. Ze schreef in het voorwoord: "In het maaken van dit Werk heb ik niet eigenbaatzugtig geweest, zullende vergenoegt zyn , wanneer maar myne gedaane onkosten wederom krijg ; ik heb geen onkosten in het uitvoeren van dit Werk gespaart, maar heb de Plaaten door de beroemste Meesters doen snyden , en het beste Papier daartoe genoomen , op dat zo wel aan de Kenders der Kunst , als aan de Liefhebbers der Insecten en Planten plaisier en genoegen zoude geefen , gelyk ik my dan verblyden zal , wanneer ik hoore, dat ik mijn oogmerk berykt , en te gelyk genoegen gegeeven zal hebben."

Er verscheen een Nederlandse ('Verandering der Surinaamsche Insecten') en een Latijnse editie.

In 1714 of 1715 kreeg ze een beroerte en moest zich daarna per rolstoel verplaatsen, maar werkte ondanks deze handicap door.

Tsaar Peter de Grote kocht toen hij in Nederland woonde in 1716 en 1717 een aantal van haar werken die zich tegenwoordig in de collectie van de wetenschapsacademie in de Hermitage bevinden. Bij haar overlijden werd ze in het overlijdensregister gekenschetst als 'arm', maar kreeg wel een eigen graf.

Trivia
. Haar beeltenis sierde vroeger het Duitse 500-Markbiljet.
. Haar naam leeft in onze taal voort in de vlinder meriansborstel, die een fraaie en sterk behaarde rups heeft.
. Door plaat 18 van de metamorphosis, die een aantal spinnen toont, is zij misschien indirect verantwoordelijk voor de naam 'vogelspin'. Er wordt een grote spin afgebeeld die een vogeltje, kennelijk een papegaaiachtige, heeft gevangen door deze van het nest te plukken. In de tekst is sprake van 'colobridges' (kolibries) die van het nest zouden worden geplukt.

Websites: GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Anna_Maria_Sibylla_Merian


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 156.

Tweets by kunstbus