kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Maria van Oosterwijck

Portret van Maria van Oosterwijck geschilderd in 1671 door Wallerant Vaillant. Kniestuk, zittend op een stoel met een opengeslagen boek op schoot, palet en penselen in de linkerhand. (predikant, en Adriana Lambrechts van Linschoten (1600-1636). Maria van Oosterwijck bleef ongehuwd.

Maria van Oosterwijck werd geboren in Nootdorp, vlakbij Delft, waar haar vader vanaf 1623 predikant was. Zowel Jacobus van Oosterwijck als zijn vrouw kwamen uit Delft, dat in de jaren dertig een bloeiend kunstklimaat kende. Maria was het derde van de vier kinderen, waarvan één jong stierf. Zo groeide Maria op met een oudere zus (Geertruyt) en een jongere broer (Lambertus). In 1636 overleed haar moeder en verhuisde het gezin naar Voorburg, waar haar vader als predikant was beroepen. Hij hertrouwde in 1643 met Maria Jansdr. Cloetingh, dochter van een belangrijke boekdrukkersfamilie in Delft.

Zowel de Van Linschotens als de Cloetinghs hadden kunstschilders in hun midden en onderhielden nauwe contacten met andere kunstenaars. Zo trouwde Maria van Linschoten, een tante van Maria, in 1637 met Hendrik van Beijeren, de vader van de beroemde stillevenschilder Abraham van Beijeren. Het contact dat Maria van Oosterwijck zo had met Abraham van Beijeren en vanaf 1647 ook met diens vrouw, Anna van den Queborn, eveneens stillevenschilderes, is mogelijk doorslaggevend geweest voor de verdere ontwikkeling van het tekentalent dat Maria volgens Houbraken al als jong meisje bezat.

De opleiding van Maria van Oosterwijck
Het is niet zeker van wie Maria van Oosterwijck haar vroegste schildersopleiding kreeg. Aannemelijk is dat zij ergens tussen 1656 en 1658 haar eerste atelier inrichtte aan de Voorstraat in Delft, in het huis dat van haar grootvader van moederskant was geweest, maar nu het bezit was van vader Jacobus van Oosterwijck. Ook Abraham van Beijeren en Anna van den Queborn woonden en werkten in dat huis. Toen Maria’s broer Lambertus in 1658 theologie ging studeren in Leiden, ging Maria met hem mee, waarschijnlijk omdat er meer familie in die stad woonde: zus Geertruyt was getrouwd met de weduwnaar Johan van Assendelft, en de Leidse stadshistoricus Jan Jansz. Orlers was hun oom. Deze had goede contacten met de plaatselijke schilders. Vanaf mei 1660 verbleef Maria in Utrecht, mogelijk voor ongeveer drie jaren. Daar bekwaamde zij zich verder in de schilderkunst bij Jan Davidsz. de Heem, onder andere bekend om zijn fruit- bloem en pronkstillevens. Zijn werk heeft haar sterk beïnvloed. Houbraken noemt hem haar leermeester, een bericht dat wordt bevestigd door een mededeling in het reisverslag van de Zweedse architect Nicodemus Tessin jr.

Doorbraak
Halverwege 1666 verhuisde Maria van Oosterwijck naar Amsterdam, waar zij als assistente van de stillevenschilder Willem van Aelst ging werken. Via hem kreeg zij haar eerste internationale erkenning: op 28 december 1667 noemde de Florentijnse prins Cosimo III de’Medici haar stillevens minstens zo goed als die van de gerenommeerde Van Aelst. In die tijd kwam ook Geertje Pieters bij haar wonen, aan wie zij teken- en schilderles gaf. Maria legde zich nu helemaal toe op het schilderen van bloem- en fruitstillevens, die zij voor een goede prijs kon verkopen aan hooggeplaatsten in Amsterdam.

Met de verkoop circa 1668 – een exact jaartal is niet bekend – van haar ‘Vanitas met hemelglobe’ aan keizer Leopold I (nu in het Kunsthistorisches Museum in Wenen) brak Maria van Oosterwijck internationaal echt door. Volgens Weijerman waardeerde de keizer haar werk zozeer, dat hij haar de portretten toezond van hem en zijn gemalin, ‘omzet met diamanten’. Toen ook Cosimo de’Medici na zijn tweede reis naar Holland in 1669 twee schilderijen van haar kocht, was haar naam gevestigd.

Haar contacten met het nationale en internationale establishment dankte Maria van Oosterwijck mogelijk ook aan Constantijn Huygens, met wie zij sinds haar jeugd een vriendschappelijke relatie onderhield. Deze kunstkenner betuigde zijn hoge waardering in 1677 met een lofdicht: Maria van Oosterwijck staat op zeldzame hoogte en hij kent haar gelijke niet (Gedichten, 163). Maria’s hoge inkomsten stelden haar in staat aan de Keizersgracht te wonen, vlakbij Willem van Aelst, en ook om goed te doen. In 1675 en 1677 stond zij met haar vermogen borg voor het losgeld van in Algiers gegijzelde matrozen uit Maassluis, waar haar broer Lambertus inmiddels burgemeester was.

Huwelijksaanzoek
Er zijn geen concrete aanwijzingen dat de relatie van Maria van Oosterwijck met Willem van Aelst verder ging dan vriendschap tussen twee vakgenoten. Wel werkten zij nauw samen en in zijn atelier belastte Maria zich waarschijnlijk ook met de opleiding van Rachel Ruysch, een leerlinge van Willem. Mogelijk zag Willem van Aelst, die omstreeks 1677 nog steeds ongehuwd was en tegen de vijftig liep, in Maria een ideale huisgenoot en partner in zaken, maar harde bewijzen hiervoor zijn er niet. Wel vertelt zowel Houbraken als Weyerman de anekdote van Willems huwelijksaanzoek. Volgens die anekdote lagen de schildervertrekken van Maria en Willem dicht bij elkaar en konden zij elkaar vanuit die vertrekken zien en toespreken. Toen Willem aan Maria te kennen gaf dat hij met haar wilde trouwen, repliceerde Maria dat zij daartoe niet zo vlug kon besluiten. Eerst moest hij maar eens een jaar lang elke ochtend van 7 tot 12 uur schilderen in zijn atelier. Als hij er niet op tijd was – hun vensters keken op elkaar uit – dan zou zij met krijt een streepje trekken op het kozijn van haar atelierraam. Omdat Maria Willems werkdiscipline kende (Weyerman: ‘hij stond bij de waarsprekende wereld geboekt voor een losse kabouter’) en wist dat hij dikwijls aan de zwier ging (Weyerman: ‘dat Willem lichtelijk vuur vatte als hij een glaasje boven zijn peil had gedronken’), verwachtte zij dat hij aan die voorwaarde niet kon voldoen. Willem ging er toch op in, maar tevergeefs. Weyerman schrijft: ‘Toen het jaar om was, stonden er ruim zo veel schreefjes op de glasraam, als er staan op de schuldlei van een Antwerpse herberg die rijkelijk is beneringd met schildersklanten, waardoor Willem van Aalst er voor goed en al van afzag, en het van meet af aan liet waaien.’ Dat Maria van Oosterwijck en Willem van Aelst in die tijd vlakbij elkaar woonden, blijkt uit de gedocumenteerde ruzies in 1676 tussen haar en de huishoudster van Willem.

In de jaren tachtig schilderde Maria van Oosterwijck voornamelijk bloemstillevens waarin zij dikwijls religieuze symbolen verwerkte. Zij werkte met grote precisie en gebruikte naar kleur en grootte zorgvuldig uitgekozen bloemen. Omdat de relatief zeldzame en voor die tijd zeer kostbare bloemen beperkt houdbaar waren en verschillende bloeitijden kenden, werkte Maria zoals veel andere schilders in die tijd: eerst tekenen en aquarelleren in de hortus botanicus en dan overbrengen in olie op doek. Dat blijkt uit een gedicht van Joachim Oudaen waarin hij vermeldt dat ‘juffrouw Oosterwyk, die keurige schilderesse van veld- en bloemgewas, ieder plant-ontwerp wel [goed] op ’t papier bewaart.’ In haar composities gebruikte zij vaak ook aren en gestreept gras, iets wat wijst op invloed van Van Aelst en De Heem. Verder verlevendigde zij haar schilderijen met vlinders en andere insecten of klein fruit. Op enkele daarvan (voor het eerst in het Weense vanitasschilderij van 1667) verwerkte zij haar zelfportret in een weerspiegeling op de glazen vazen. In zijn Groot schilderboek (1707) stelt Gerard de Lairesse, die haar persoonlijk heeft gekend, dat zij daarmee haar meester wilde overtreffen. Het is inderdaad een detail dat Abraham van Beijeren als één van de weinige stillevensschilders van die tijd gebruikte – Van Aelst deed het ook, maar het is niet waarschijnlijk dat Lairesse hem als haar leermeester zag.

Terwijl veel schilders in Amsterdam en elders tussen 1680 en 1690 moeite hadden het hoofd financieel boven water te houden, bleven Maria’s naamsbekendheid en de waardering voor haar werk groot, ook in de hoogste Europese kringen. In 1684 kocht Jan III Sobieski, koning van Polen, drie schilderijen van Maria voor het kapitale bedrag van 2400 gulden. Toen Johann Georg III, Keurvorst van Saksen, in 1688 op een reis Den Haag aandeed en daar drie schilderijen van Maria zag, was hij meteen onder de indruk en kocht ze voor 1500 gulden. Volgens Houbraken en Weyerman had ook de ‘konstkwekende’ Lodewijk XIV (de Zonnekoning) een schilderij van Maria in zijn ‘konstkabinet’. Door tussenkomst van Constantijn Huygens jr. verwierven in 1689 koning-stadhouder Willem III en zijn vrouw Maria Stuart twee schilderijen van haar, waarvan één voor de prijs van negenhonderd gulden. Beide schilderijen maken nog steeds deel uit van de Engelse koninklijke verzameling in Hampton Court in Londen. Aan het begin van de achttiende eeuw hingen in het stadhouderlijk Hof in Leeuwarden vijf schilderstukken van Maria van Oosterwijck.

Laatste jaren
In 1690 trok Maria van Oosterwijck, zestig jaar oud, zich terug uit de schilderswereld. Zoals veel kunstschilders zal zij in haar Amsterdamse atelier een zekere voorraad hebben gehad van voltooide schilderijen waaruit geïnteresseerde kopers konden kiezen. Het lijkt aannemelijk dat zij deze aan een of meer kunsthandelaars heeft aangeboden voor zij vertrok naar Uitdam. Daar trok zij in bij haar neef Jacobus van Assendelft, de zoon van haar zus Geertruyt, die daar in 1688 als predikant was beroepen. Dat zij in die laatste jaren van haar leven ‘zo wat bloemekes maalde [: schilderde] op ’t papier - met potlood of waterverf - als een aangename bezigheid, die ze al spelende kon verrichten, en waarmee de tijd zoetelijk omging’, zoals Bosboom-Toussaint in haar roman suggereert, wordt niet door enig document gestaafd.

Drie jaar na de verhuizing overleed Maria van Oosterwijck. Arnold Houbraken daarover: ‘Zij is in haar 63ste jaar, nog ongetrouwd zijnde, gestorven ten huize van haar zusters zoon Jakobus van Assendelft, predikant tot Uitdam in Waterland, die zij (van zijne ouders vroeg beroofd) als haar eigen kind had opgebracht, op de 12 van Slachtmaand 1693 [dus op 12 november 1693].’ Maria van Oosterwijck werd begraven op het plaatselijke kerkhof. Haar graf is niet bewaard gebleven.

Maria van Oosterwijck was in haar tijd hooggewaardeerd en haar schilderijen brachten topprijzen op. In de afgelopen twee eeuwen zakte die belangstelling enigszins maar op dit moment worden voor haar werken weer hoge bedragen betaald.

Naslagwerken
Van der Aa; Delvenne; Houbraken; Immerzeel; Kobus/De Rivecourt; Lexicon Noord-Nederlandse kunstenaressen; Kramm; Regt; Verwoert; Weyerman; Wurzbach.

Werken
Op dit moment is een dertigtal werken bekend die door Maria van Oosterwijck zijn gesigneerd of die aan haar worden toegeschreven. Voor een overzicht van stukken in musea: zie de publicatie van Adriaan van der Willegen/Fred G. Meijer (2003).

Literatuur
Joachim Oudaan, Joachim Oudaans Poezy 2 (Amsterdam 1712) 392.
Gerard de Lairesse, Groot schilderboek, waar in de schilderkonst in al haar deelen grondig werd onderweezen, ook door redeneeringen en printverbeeldingen verklaard: met voorbeelden uyt de beste konst-stukken der oude en nieuwe puyk-schilderen, bevestigd: en derzelver wel- en misstand aangeweezen (Amsterdam 1714; facsimile van de 2 editie (1740), Doornspijk 1969) ‘twaalfde boek’, 360.
A.L.G. Bosboom-Toussaint, De bloemschilderes Maria van Oosterwijk (Leiden 1862) [roman; zeer onbetrouwbaar].
De gedichten van Constantijn Huygens naar zijn handschrift uitgegeven, J.A. Worp ed. 8 (Groningen 1898).
G.J. Hoogewerf, De twee reizen van Cosimo de’Medici, prins van Toscane, door de Nederlanden (1667-1669), journalen en documenten (Amsterdam 1919) 69.
A. Bredius, ‘Archiefsprokkelingen. Een en ander over Maria van Oosterwijck, “vermaert Konstschilderesse”’, Oud Holland 52 (1935) 180-182.
Casper Spoor, Kroniek van Nootdorp (Nootdorp 1966; herdruk 1990) 94-104.
Sam Segal, Jan Davidsz de Heem en zijn kring (Den Haag 1991) 220-221.
Paul Taylor, Bloemstillevens in de Gouden Eeuw (Zwolle 1995) (Dutch Flower Painting 1600-1720 (New Haven 1995) 166, 171.
Alan Chong & Wouter Kloek, Het Nederlandse stilleven 1550-1720. Tentoonstellingscatalogus Rijksmuseum Amsterdam (Zwolle 1999) 94-95, 253- 255, 296.
Adriaan van der Willegen en Fred G. Meijer, A dictionary of Dutch and Flemish still-life painters working in oils, 1525-1725 (Leiden 2003) 154.
Illustraties

Portret door Wallerant Vaillant, 1671 (Rijksmuseum Amsterdam).
Ongesigneerd, ongedateerd (omstreeks 1675) stilleven op paneel, toegeschreven aan Maria van Oosterwijck (particulier bezit, foto: Kunsthaus Lempertz).

Auteur: Noud Janssen
laatst gewijzigd: 28/02/2008

Maria van Oosterwijck door Noud Jansen, zie dan ook http://www.en.nationaalarchief.nl/collectie/Actueel/oosterwijck.asp


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 21.