kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 07-11-2008 voor het laatst bewerkt.

Max Beckmann

Duits expressionistisch schilder, aquarellist, graficus en beeldhouwer, geboren 12 februari 1884 te Leipzig - overleden 27 december 1950 in New York.

Beckmanns schilderkunst is geworteld in de traditie van de Europese schilderkunst. Hij werd beïnvloed door de middeleeuwse kunst en met zijn kleurrijke monumentale doeken situeert hij zich tussen het expressionisme van Die Brücke (met o.m. Ernst Ludwig Kirchner en Erich Heckel) en de anekdotiek van de Neue Sachlichkeit (met Otto Dix en George Grosz). Zijn onderwerpskeuze en symboliek hebben raakvlakken met kunstenaars als Vincent van Gogh en Jeroen Bosch.

Zijn stijl is, in tegenstelling tot de meer soepele vormgeving en het weelderig koloriet van de expressionisten van die Brücke, op het harde af sober en streng. Beckmann onderscheidde zich verder door de onverbiddelijke systematiek waarmee hij, mede onder de invloed van de Franse schilder Léger, vooral in zijn latere composities het lineaire en plastische element beklemtoonde. De compositie van zijn latere werken is van een monumentale eenvoud. Als graficus ontwierp hij talrijke series en geïllustreerde boekuitgaven.

Het werk van Beckmann is sterk autobiografisch en kent veel betekenislagen. Hoe hard, gekristalliseerd en objectief zijn doeken ook overkomen, ze zijn steeds uitdrukking van een visie op de realiteit: hij noemt dat "objectieve transcendentie". Geen momentopnamen, maar wel allegorieën en fabels vol symboliek.

Theater, variété en circusartiesten bleven in zijn gehele oeuvre geliefde thema’s, waarmee hij op een geheel eigen wijze aansloot bij het (Franse) modernisme. Deze ‘maskerades’ tonen Beckmanns overtuiging dat het leven een soort toneel is, waarachter een andere werkelijkheid schuilgaat.
In zijn 'geschilderd wereldtheater' leverde hij kritisch commentaar op wat hij zag gebeuren. Hij probeerde achter de coulissen te kijken, op zoek naar het script van goed en kwaad. De titels die hij aan zijn werken gaf, verwijzen zowel naar de bronnen (mythologie, bijbel, biografie) als naar hun symbolische lading: Die Nacht (1918/19), Die Hölle (1919), Abfahrt (1932/33), Die Versuchung des Heiligen Antonius (1936/37), Die Apokalypse (1941/42), Die Argonauten (1950).

Beckmann situeert zich tussen het expressionisme van Die Brücke (met o.m. Ernst Ludwig Kirchner en Erich Heckel) en de anekdotiek van de Neue Sachlichkeit (met Otto Dix en George Grosz).

Tussen 1905 en 1950 maakte hij meer dan 800 schilderijen en produceerde hij honderden prenten en tekeningen.

Levensloop
Max Beckmann was de jongste van 3 kinderen en was pas 10 jaar toen zijn vader in 1894 stierf. Na de dood van zijn vader verhuisde het gezin naar Braunschweig.

Op 15-jarige leeftijd besloot hij schilder te worden. Hij haalde het toelatingsexamen op de kunstacademie in Dresden echter niet. Wel werd hij geaccepteerd op de Grossherzogliche Sächsische Kunstschule in Weimar. Beckmann studeerde aan de kunstacademie in Weimar tussen 1899 en 1903 waar hij leerde te schilderen vanaf sculpturen en levende modellen.

Na zijn studietijd bracht de kunstenaar lange tijd in Parijs door, de stad die z.i. het artistiek hoogtepunt vertegenwoordigde, waarna hij zich in 1904 in Berlijn vestigde.

In 1906 kreeg Max Beckmann een beurs van een half jaar voor de Villa Romana in Florence en trad in het huwelijk met Minna Tube die hij in Weimar had leren kennen. Zij kregen een zoon genaamd Peter. Kort na zijn huwelijk verloor hij zijn moeder.

Na zijn terugkomst in Berlijn sloot Max Beckmann zich aan bij de kunstenaarsgroep Berliner Secession. In 1906 neemt hij deel aan een tentoonstelling met deze kunstenaarsgroep.

Zijn vroege werk toont nog duidelijk de impressionistische invloed van Max Liebermann. Rond 1910 komt in zijn schilderijen reeds de voor Max Beckmann typerende stemming van onheil, angst en weerloosheid tot uitdrukking.

Vanaf 1910 is hij een van de voornaamste bestuursleden van de Berliner Secession tot hij hier in 1911 weer uittreedt omdat hij de voorkeur aan schilderen gaf.

In 1912 had hij zijn eerste expositie in de Kunstverein in Magdeburg en het Grossherzogliches Museum für Kunst und Kunstgewerbe in Weimar.

Tot 1914 maakte Beckmann historiestukken, naturalistische straatscène's en portretten.

Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog meldde Beckmann zich als vrijwilliger. Hij bracht zijn diensttijd door als hospitaalsoldaat, eerst aan het Oost-Pruisisch front (1914), later in Vlaanderen en Straatsburg (1915) tot hij in oktober 1915 een zenuwinzinking kreeg.

Als graficus gebruikt Beckmann tijdens de Eerste Wereldoorlog bij voorkeur de drogenaaldtechniek, waarmee hij enkele aangrijpende oorlogstaferelen in beeld brengt.

Opstanding (Auferstehung), 1916-1918, houtskool en olie op doek, Stuttgart, Würtembergische Staatsgalerie
Beckmann maakt ruimschoots gebruik van alle mogelijke artistieke middelen, maar de vorm blijft aan de gestelde wetten onderworpen. In dit werk is de indeling in ruimtelijke afdelingen zeker aan het kubisme ontleend, maar zij is tevens onmisbaar voor wat het schilderij te zeggen heeft. De boodschap die de opstanding van het individu en de overgang naar een nieuwe ordening te brengen heeft, heeft deze vorm niet alleen nodig, maar deze vloeit er vanzelfsprekend uit voort. (KIB 20ste 164)

Na de Eerste Wereldoorlog hield hij zich voornamelijk bezig met onderwerpen die de wreedheid in de menselijke samenleving afbeeldden. Zijn gemartelde gedachtengang wordt in zijn werk uit deze tijd weerspiegeld.

Vanaf 1918 leidde hij een cursus kunstschilderen aan de Städelschule in Frankfurt.

München, Verz. Günther Francke)
Hij inspireert zich op gebeurtenissen uit W.O. I. De stijl is gotisch-Duits met een inslag van algemene opstandigheid. Hier zien we het drama van de foltering, van de brutaliteiten en terreur in het Berlijn van na de Eerste Wereldoorlog.
Kenmerken: afzichtelijk vale figuren, gruwelijkheid, opzettelijk vervormde ruimte, wrede details. - (Histoire)

Max Beckmann had, evenals Heckel, in België bij de geneeskundige troepen gediend en vestigde zich in 1915 in Frankfurt-am-Main. Zijn oorlogservaringen brachten hem ertoe om in 1917 zijn grote symbolische historiestukken op te geven ten gunste van een eenvoudiger, bondiger en compacter stijl. Het belangrijkste werk uit deze vroege periode, 'de nacht', is dramatisch, genadeloos en realistisch. De nadrukkelijk realistische schildertrant is gecombineerd met een verticale 'gotische' ruimteconceptie. De voorstelling speelt zich in een uiterst krappe ruimte af. Drie mannen hebben zich met geweld toegang verschaft tot een zolderkamertje, waarin een gezin aan tafel zit. De overval ontaardt in een beestachtige foltering en moord. Het burgerlijk milieu barst uit zijn voegen, overdonderd door de gebeurtenissen. De man wordt op de tafel vastgebonden en met een halsdoek gewurgd. De op de rug geziene, halfnaakte vrouw verzet zich wanhopig. De man met het schermmasker heeft het kind gegrepen en wil het uit het raam gooien. Alleen de vrouw in het rood achter de tafel blijft kennelijk gespaard, terwijl rondom haar het leven wordt uitgeroeid. Links jankt een hond, symbool van het natuurlijke leven. De grammofoon is omgevallen en zwijgt. Een flakkerende kaars op de voorgrond herinnert nog aan het levenslicht, terwijl de gevallen, gedoofde kaars de dood symboliseert.
In dit werk komen de beschaafde en de barbaarse wereld, demonie en huiselijkheid, met elkaar in aanvaring. Het is een voorloper van de "hel", een serie litho's die in dezelfde tijd tot stand kwam. Beckmann roept zijn tijdgenoten met luide stem op om stelling te nemen: "We moeten de mensen een beeld van hun noodlot geven." Dat is de boodschap van dit verschrikkelijke schilderij, dat nadrukkelijk refereert aan de verbeeldingen van het lijden van Christus en de martelaars uit de late gotiek, die ook vol mensen staan, en aan de afschrikwekkende, helse visioenen van Jeroen Bosch.
Het schilderij kan daarbij ook gezien worden als een handvest van het Expressionisme, dat Beckmann in die tijd opvat als een oproep tot 'zakelijkheid': "Ik geloof dat ik juist de schilderkunst zo liefheb, omdat die ons dwingt zakelijk te zijn. Ik verafschuw niets méér dan sentimentaliteit. Hoe sterker en gerichter mijn wil wordt om de onzegbare dingen van het leven vast te leggen, hoe verbetener mijn mond wordt, hoe killer mijn verlangen om dit gruwelijke monster van de vitaliteit te grijpen en in glasheldere lijnen en vlakken te vangen, te verpletteren en te wurgen. Ik huil niet; ik haat tranen, want die zijn een teken van slavernij. Ik denk altijd alleen maar aan het concrete..." (Beckmann, 1918). - (Leinz 49-50)

Het grote doek is het werk dat eruit springt in deze vroege periode. Beckmann heeft het werk preciezer gedateerd dan gewoonlijk: ‘augustus 18 - maart 19’. Het is dus belangrijk voor de kunstenaar om aan de mensen te laten weten, wanneer en ten tijde van welke gebeurtenissen het doek ontstaan is. Na het uitbreken van de novemberrevolutie van 1918 heersten geweld, chaos en politieke moord, terwijl het volk verhongerde. In maart 1919 werd een algemene staking door de nieuwe regering bloedig neergeslagen. In De Nacht dringt het straatgeweld het huis binnen. Drie beulsknechten zijn de kleine zolderkamer binnengedrongen en martelen daar een vreedzaam hulpeloos gezin. De man wordt opgehangen en zijn linkerarm wordt gebroken. De half ontklede, geboeide vrouw is verkracht. Zojuist heeft een der beulen het hulpeloze, bange kind te pakken genomen. De vloerplanken, de tafel en de dakbalken, maar vooral de uitgerekte lichamen vullen het hele doek en omvatten het geheel in een gecompliceerd vlechtwerk van lijnen. Het perspectief is gebroken en verwrongen. De ‘glasheldere scherpe lijnen en vlakken’ (Beckmann) van de compositie en het onwerkelijke vale licht versterken de uitdrukking van geweld, die deze ruwe scène beheerst. Desondanks probeert Beckmann met dit schilderij niet de authentieke schildering van een terroristische overval te geven. Al te zeer zijn de figuren types, al te zeer stileert hij de ruimte. De schurk in het midden lijkt in zijn vest en met zijn stropdas en pijp eerder het type van de vreedzame kleine burgerman. De figuur rechts heeft Beckmann ontleend aan een fresco van Francesco Traini uit de 14de eeuw. De functie van de vrouwelijke figuur links op de achtergrond blijft onduidelijk. Ze doet nergens aan mee, kijkt alleen maar toe (of heeft zij de inval op haar geweten?). Zijn Frankfurtse vriendin Fridel Battenberg heeft hiervoor model gestaan. Metaforen uit zijn eigen privé-leven vermengen zich hier voor het eerst in zijn werk met uit de kunstgeschiedenis overgeleverde symbolen, zoals de uitgedoofde kaars op de voorgrond. In alle details en toespelingen is het schilderij tot op de dag van vandaag niet te begrijpen. Het is echter duidelijk dat Beckmann van de kleine zolderkamer een schouwtoneel heeft gemaakt, waarop de gebeurtenissen, het leed en het geweld dat het gezin wordt aangedaan, symbolisch zijn voor het mysterie van het menselijk leven. "De mensen een beeld van hun lot geven" was de bedoeling die Beckmann met dit schilderij had. - (exp taschen 213)

Die Hölle: de honger, 1919
Een reeks van tien gelithografeerde bladen. Een metafoor voor de revolutionaire toestand van na de oorlog. Op het titelblad, een zelfportret, werpt Beckmann ontzet een blik in die hel van honger, geweld, ideologische strijd en blind patriottisme. De suite bereikt een hoogtepunt in blad zes, de nacht, dat een kort daarvoor geschilderd motief herhaalt. (exp taschen 212)

Door zijn maatschappijkritische engagement kwam hij na de Eerste Wereldoorlog weldra in nauw contact met Otto Dix en George Grosz. Dit geëngageerd zijn uitte zich ook in zijn etsen 'gezichten' 1919, 'Jaarmarkt' 1922, en in de litho's 'De hel' 1919, en 'Nacht in de stad' 1922.

Onder invloed van zijn oorlogservaring ontwikkelde hij een expressionistische schildersstijl. Zijn kleuren worden feller, zijn lijnen dikker, zijn onderwerpen grotesker. 'Carnaval' (1920), 'Mooi, een park in Frankfurt' (1921), 'De droom' (1921) zijn enkele van de overgangswerken die zullen leiden naar latere meesterwerken zoals de befaamde tryptieken 'Vertrek' (1932-33), 'Acrobaten' (1939) en 'De Argonauten' (1949-50).

In de jaren twintig reisde Beckman regelmatig naar Nederland o.a. Scheveningen en Zandvoort om de zee te schilderen. Daarnaast trok hij naar Valkenburg en Laren waar hij typische Hollandse taferelen met polders en bosranden schilderde.

Beckmann was dol op verkleedpartijen en circusvoorstellingen, eigenlijk op alle soorten voorstellingen. Hij hing graag rond in dancings, voornamelijk in zijn eentje, om de menselijke maskerade te observeren. Het leven wordt in zijn schilderijen vaak uitgebeeld als een cabaret, al is het soms van een nogal gruwelijke soort, met beulen en circusdirecteuren, en moordenaars als clowns. Bij een reeks prachtige prenten van acrobaten, dansers en een vrouwelijke slangenbezweerder uit 1921 zien we Beckmann op de titelpagina een bel luiden. Circus Beckmann staat op een banier boven zijn hoofd.

Bal te Baden-Baden, 1923, Verz. Günther Francke, München
Kritiek op de samenleving hier niet meer door gruwelijkheid, maar door een subtiele ironie. Eigenlijk drukt Beckmann in dit mondaine feest doorheen de onverschilligheid uitstralende gezichten het drama uit van een kunstmatig leven, dat een schrijnende eenzaamheid verbergt. (Histoire)

Het realisme verdween uit zijn beelden, de vormen werden simpeler en de kleur won aan intensiteit. Van 1924-26 werden zijn schilderijen door forse zwarte contouren zowel indringender als monumentaler.

In 1925 scheidt hij van Minna en huwt met Mathilde von Kaulbach. Hij gaf hij les aan de Stedelijke Academie (Städelsche Kunstacademie) in Frankfurt en neemt deel aan de tentoonstelling neue-sachlichkeit in Mannheim.

Zijn eerste tentoonstelling in de Verenigde Staten vond in 1926 plaats bij J.B.Neumann’s New Art Circle in New York. Een terugblik van zijn werk werd gehouden in de Städtisches Kunsthalle te Mannheim in 1928.

In 1929 krijgt hij een professoraat in de vrije schilderkunst aan de Städelsche Kunstacademie.

Tot 1933 woonde max beckmann ook lange tijden in Parijs, waar hij een huurwoning had. In deze periode begon hij het drieluik formaat te gebruiken.

Museum of Modern Art, New York
De triptiek stelt de tegenstelling tussen hoop en onheil aan de orde. Het midden luik toont, voor een door licht overgoten zee, een koning, een veerman en een vrouw, die duidelijk bereid zijn tot een nieuw beginnen. De zijvleugels laten verminkte, lijdende en geketende mensen zien in een wereld die het teken draagt van de ondergang.
In zijn groot drieluik, een vorm die teruggrijpt op die van het klassieke altaar, komt Beckmann tot uitspraken die algemeen menselijk zijn en besloten liggen in oude Mythische voorstellingen. Evenals James Joyce in Ulysses verbindt hij situaties in het heden met het mythische voorbeeld ervan zonder zich in beide gevallen duidelijk en rechtstreeks uit te spreken. De grote koningin-moeder op het middenstuk heeft de gelaatstrekken van zijn vrouw. De frygische muts die zij draagt, maakt het verband met de Antieken duidelijk. De visser-koning is een duidelijke toespeling op de sage van de Heilige Graal. Het middenluik bevat het motief van de redding, de afvaart naar de vrijheid en de ruimte. Beckmann heeft erover gezegd dat de koning en de koningin zich zelf bevrijd hebben van de kwellingen van het leven. De koningin heeft de grootste schat, de vrijheid, op haar schoot, want vrijheid is het enige wat van belang is. Dit is de algemene gedachte. Het overige kan door iedere beschouwer alleen door de persoonlijke confrontatie met elke figuur en met elke op het stuk weergegeven situatie geheel tot zijn recht komen. Op die manier reist hij, volgens Beckmanns bedoeling, van de illusies in het leven naar de echte werkelijkheid die daarachter verborgen ligt. In zijn Argonautentriptiek heeft Beckmann de hier nog voorkomende problemen opgelost.
De zijpanelen zijn spookachtig en somber. Ze bevatten diverse tonelen met vele wreedheden en symboliseren de menselijke verstikking, benauwenis, beperktheid, de boeien en martelingen en zijn een ogenschijnlijk onzinnig gebeuren. Het zijn - terugblikkend - profetische voorspellingen.
De helderheid van het middenpaneel met de ruimtelijke diepte van de door de zon beschenen blauwe zee, wekt de hoop op een nieuw bestaan in verre landen. - (Janson, 560-61; KIB 20ste 172)

In 1933 werd zijn docentschap aan de Städelschule beëindigd en wordt hem een tentoonstellingsverbod opgelegd door de nazi's. Beckmann verhuisde naar Berlijn.

In zijn schilderij 'Omgevallenkaars' uit 1930, (Karlsruhe, Staatliche Kunsthalle) werkt hij met de traditionelè symbolen van de vanitas, de vergankelijkheid (spiegel en kaars). Van andere schilderijen kan de betekenis slechts via de levensloop van de schilder worden ontraadseld. In zijn schilderij 'De orgelman' uit 1935, (Keulen, Museum Ludwig) laat hij ook de Indische mythologie een rol spelen. In nauw verband met allegorie en mythologie staan ook de vermomming en de kostumering. Zijn talrijke zelfportretten tonen hem ook als nar of als koning. De mens staat in zijn schilderijen dan als speler op 's werelds schouwtoneel, maar hij kan zich aan dit spelen ook onttrekken door zichzelf te doden, zoals dit gebeurt op zijn 'Toneelspelerstriptiek' uit 1942 (Cambridge, Massachusetts, Fogg Art Museum).

Met de Nazi's aan de macht in Duitsland kregen veel kunstenaars het moeilijk. Van velen, met name vooruitstrevende kunstenaars, werd het werk als 'Ontaard' beschouwd. Ongeveer zeshonderd kunstwerken van Max Beckmann verdwenen uit de musea en werden in beslag genomen. In 1937 wordt zijn werk getoond op de beruchte tentoonstelling van gedegenereerde kunst (Entartete Künst).

Mac Beckman in Amsterdam
Max Beckmann verliet Duitsland in 1937 een dag nadat hij Hitlers toespraak had gehoord bij de opening van de nazi-expositie over 'Entartete Kunst'('Ontaarde kunst'), die de artistieke tegenstanders van de nazi's moest vernederen. Hij week met zijn vrouw uit naar Nederland, waar hij zich in Amsterdam bij haar zuster vestigde. Een abrupte en vernederende overgang voor een kunstenaar, die 4 jaar eerder begroet was als een nationale grootheid. Hij was van plan om naar New York door te reizen maar kreeg geen visum. De oorlog brak uit en hij zat vast in AMsterdam. Hij woonde in die tijd aan het Rokin.

Om te voorzien in zijn behoefte aan een atelier huurde hij een opslagruimte voor tabak. De periode van ballingschap was voor Beckmann een moeilijke, maar ook zeer productieve tijd, waarin ruim een derde van zijn oeuvre ontstond en hij vijf van zijn negen beroemde triptieken schilderde. Ook tekende en schetste hij veel in deze jaren.

Odysseus (Ulysses) en Calypso, ca. 1937 (andere versie, 1943), olieverf op doek, 150x116, Hamburg, Kunsthalle
Representatief voor de laatste periode van Beckmann, na zijn vlucht uit Duitsland. Het resultaat van zijn meditaties over de zin van het leven, die hem naar een soort lekenspiritualiteit dreven. Een vrij moeilijke allegorische betekenis: te begrijpen als een wereld waarin liefde en haat voortdurend met mekaar in conflict zijn. (Histoire)
Beckmann heeft uit de beklemdheid in de ruimte en de spanning in zijn uitbeeldingen overduidelijk laten blijken dat de ruimte voor hem een middel is om zich te uiten. Uit de wat vlak gehouden vormen van de nimf Calypso blijkt dat zij volkomen thuis is in het gebied waarin zij zich bevindt - het vlak. De held Odysseus rust na zijn vele avonturen hier slechts even uit; alles in hem verzet zich ertegen weg te zinken in de spanningsloze rust van het vlak. De in verband hiermee ook niet afgelegde beenbeschermers komen hoekig uit het vlak en de verleidelijke omstrengeling van de slang naar voren, want hij zal straks opstaan om zijn tocht te vervolgen. (KIB 20ste 171)

Apocalyps van Beckmann (Die Apokalypse), 1941/1942, 27 lithografieën met aquarel, 17 van 25 x 20 cm en 10 kleinere
Van 1937 - 1947 woonde Max Beckmann in Amsterdam aan het Rokin; op een tabakszolder had hij zijn atelier. Daar illustreerde hij de Apocalyps of Openbaring van Johannes, het laatste boek in het Nieuwe Testament, in opdracht van Georg Hartmann, eigenaar van een lettergieterij en mecenas van Duitse kunstenaars. De bevriende uitgever in Frankfurt am Main vroeg hem de litho's te maken voor een boek met de volledige tekst van de Apocalyps in de vertaling van kerkhervormer Maarten Luther. Het was een gevaarlijke onderneming in oorlogstijd.
Beckmann tekende zevenentwintig lithografieën van augustus tot december 1941, die hij in de loop van 1942 inkleurde. Het is de tijd, schrijft hij in zijn dagboek, 'waarin visioenen van de apocalyptische ziener gruwelijke werkelijkheid werden.'
Beckmann ontwierp de litho's in zijn zolderatelier aan het Rokin, vanwaar ze naar Frankfurt werden gesmokkeld. Daar werden de litho's gedrukt. Vandaar gingen ze terug naar Amsterdam, waar Beckmann ze met waterverf inkleurde. In totaal zijn 24 genummerde en tien ongenummerde exemplaren van het boek uitgebracht. In 1943 verscheen de eerste druk.
Beckmann bestudeerde intensief de tekst van de Apocalyps. Hij interpreteerde en verbeeldde deze vanuit zijn persoon en het toenmalig wereldgebeuren.
Het Bijbels Museum toont in 2007 de serie litho's die de Duitse expressionistische kunstenaar Max Beckmann maakte bij de Apocalyps. Het museum toont de oorspronkelijke serie in zwart en wit en de litho's die Beckmann zelf heeft ingekleurd.

Hij vat mythologische thema's op, zoals 'Odysseus en Calypso' (1943, Hamburg, Kunsthalle) en 'De argonauten' (1950, New Vork, verzameling Beckmann).

Portret van de familie Lütjens uit 1944.
Het familieportret van de beroemde Duitse schilder Max Beckmann ontstond in 1944 in Amsterdam. Beckmann vond tijdens de oorlog een aantal malen onderdak bij de kunsthandelaar Helmuth Lütjens en gaf hem regelmatig doeken in bewaring. Deze band resulteerde onder andere in het schilderen van het familieportret van Lütjens samen met zijn vrouw Nelly en hun dochtertje Annemarie. Lütjens was zo onder de indruk van het resultaat dat hij het doek voor zijn privé-collectie aankocht.

In 1946 vervaardigde hij de grafiekserie 'Day and Dream', waarin hij veel verwijzingen naar de oorlog en observaties van zijn dagelijks leven in Amsterdam verwerkte.

Pas in 1947 emigreerde Max Beckmann via Parijs en het zuiden van Frankrijk naar de Verenigde Staten van Amerika, waar hij een docentschap accepteerde aan de Washington University Art School in St. Louis.

In 1949 werd hij professor aan de Art School van het Brooklyn Museum in New york.

In 1950 ontvangt hij nog de Prix Conte-Volpi op de Biënnale van Venetie.

In 1950 te New York overlijdt hij tijdens een wandeling in het Central Park.

Werken:
. Een mooi staalboek van zijn werk is te bezichtigen in het Museum Ludwig in Keulen.
. websthetica

Websites:
. www.duitslandweb.nl
. sargasso.nl


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 133.