kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Micha Klein

Micha Klein (1964, Harderwijk)

Micha Klein is een multimediakunstenaar, een computer- en video-performer en organisator van feesten als House Head en Club Love.

Zijn vader was beeldhouwer, zijn broer Onno doorliep al eerder de academie en de jonge Klein mocht zijn eigen gang gaan. Hij schilderde, speelde gitaar in een would-be punkgroep en schopte -zoals dat toen hoorde - tegen alles en iedereen aan.

In 1983 schreef hij zich als broekje in aan de Amsterdamse Rietveld Academie, voor de richting Schilderkunst. Veel nuttigs kwam hij niet te weten. De dialoog tussen meester en leerling kwam pas later tot stand. "Ik was al een kunstenaar en hoefde het niet meer worden. Dat begrepen ze niet. Mijn eerste jaar moest ik overdoen, ik had de leerstof niet geassimileerd zoals het hoorde. Twee leraren die mij niet lieten overgaan kochten wel enkele werken. Toen begon er in mij iets te dagen."

De computer ontdekte Klein in 1987 op de academie ergens in een hok, waar niemand er iets mee deed. "Ik was helemaal weg van die computer en het was echt de domste, kleine computer met alleen maar diskettes en 512 KRam of zo. Als ik die dan eens een keer een weekend mee naar huis mocht nemen, ging ik helemaal uit mijn bol. Ik maakte animaties en tekeningen en ik scande mijn foto's en ik kleurde ze om. Acid house kwam toen net op en wat er uit de beeldbuis knalde, dat ging daarmee totaal gelijk op. Ik begon in die tijd ook feesten te organiseren. In die periode zag je trouwens een omschakeling van de cultuur. Je had de opkomst van house en tegelijkertijd de instorting van de kunstmarkt."

Na een jaar geschuif met de muis, vergezeld van onophoudelijke acid housemuziek, kwamen de beelden waar hij tevreden over was. Via via, kwam hij in contact met het fotolaboratorium Souverein. Zij spoorden Micha aan en sponsorden zijn hoogtechnologisch en goed onthaalde video-eindexamenwerk.

Micha Klein studeert af aan de Rietveldacademie in Amsterdam in 1989 waar hij de eerste student was die afstudeerde met computer graphics. Al een jaar eerder oogstte hij veel lof met de animatie "VideoDrugs" die hij op house feesten vertoonde.

Inmiddels werkte hij bij het fotolaboratorium Souverein, waar Nederlands eerste grafische paintbox stond. Micha was de eerste die het dure toestel kon en mocht manipuleren. De arbeid bij Souverein vormde voor hem een ideale combinatie om zowel de beeldtaal van de fotografie als die van de computer te leren beheersen. Veel tijd om te spelen was er tijdens de werkuren niet. De kunstenaar in hem sliep overdag en zonder het echt te willen, werd hij de machinist die de ene opdracht na de andere mocht voortslepen. Op reclamegebied heeft hij alles gedaan: auto's geretoucheerd, sigaretten en peuken 'herbewerkt' tot overheerlijke tabakstokjes, bier doen schuimen en dames doen blozen... Bij dit alles werd hij geflankeerd door de kapitaalkrachtigen uit de reclamewereld die hiervoor al gauw duizenden euro's per dag neertelden.

Bewust werkte Micha deeltijds in het laboratorium. Hij gaf de voorkeur aan wat minder inkomen om z'n artistieke vrijheid te kunnen behouden. 's Nachts en in de weekends mocht hij zijn prive-lusten op het toestel botvieren. De computerkunst die hij toen vervaardigde, stond in schril contrast met de blinkende publicitaire resultaten voor z'n opdrachtgevers. Het werden impressionistische, grote donkere prentencollages die hun oorsprong vonden in experimenten uit de donkere kamer en bestonden uit ongebruikt en afgekeurd beeldrestmateriaal.

Na de monumentale donkere portret-collages bij Fodor, toonde hij eind 1991 bij de Rotterdamse galerie Snoei onder de titel Cokkie's New Year Show zijn eerste volledig met de computer gecreëerde werk dat veel lichter van sfeer was. Hierin paste hij de collagetechniek van de Fodor-portretten toe om allerlei virtuele beelden - een soort abstracte landschappen, symbolen en figuren in 2-D naast de eerste 3-D figuurtjes-te combineren.

Samen met zijn broer, die inmiddels ook in het bedrijf was komen werken, speurde hij de wereld af op zoek naar nieuwere, betere grafische software om betere resultaten uit de computer te kunnen halen. Alles liep lekker tot de Golfoorlog roet in het eten kwam gooien. Opdrachtgevers hielden de knip op de geldbeugel en gebruikte reclames werden na een opfrisbeurt opnieuw gepubliceerd. Deze klap kwam hard aan. Het bureau sloot de afdeling en het leek erop dat de speeltijd voor Micha afgelopen was. Zijn hoofd zat barstensvol frisse ideeen maar hij beschikte niet over een geschikte computer.

Samen met Danielle Kwaaitaal schafte hij zich toen in 1993 een eigen Silicon Graphics aan. Hiervoor telden ze bijna 20.000 euro neer. Met hetzelfde geld kocht je daar destijds een mooie wagen voor. Het deed pijn maar het was een broodnodige investering.

"Als eerste kunstenaar in Nederland kocht ik een SiliconGraphics. Dat apparaat kostte veertigduizend gulden en dat was waanzinnig veel geld voor een jonge kunstenaar. Andere mensen kochten daar een auto voor of een deel van hun huis. Bovendien krijg je te maken met de krankzinnige economische curve van computers, een apparaat van veertigduizend gulden was vier jaar later nog geen vierduizend waard. Toch was het wel een goede investering, het was de mogelijkheid om door te gaan. Een dergelijke investering betekende natuurlijk ook dat er geld moest binnenkomen. Maar op tentoonstellingen verkocht ik, zeker in het begin, helemaal niets, die kostten me alleen maar geld. Dus je moet vooral niet te beroerd zijn om te klussen en dingen aan te pakken."

Met het nieuwe apparaat werd hard gewerkt en snel werd er nieuwe computerkunst tentoongesteld. Veel zaad kwam er niet in het bakje, de exposities kostten de jonge kunstenaar handenvol geld. Hierdoor werd hij bijna verplicht om andere dan creatieve opdrachten te aanvaarden. Hij gaf les en demonstraties in binnen- en buitenland. Nooit was hij te beroerd om een klus uit te voeren, wat hem dan weer voldoende geld opbracht om 'bij te blijven' om daarna voor zichzelf te kunnen werken. Meer en meer bedrijven -o.a. KPN, Mustang, Philips, Marlboro... - kwamen bij hem aankloppen. Sindsdien heeft hij een agent voor dit werk.

Eenmaal achter zijn eigen computer, veranderde het werk van Micha Klein sterk.
Aanvankelijk beperkte hij zich tot beelden die commentaar leveren op de maatschappij en op het kunstbedrijf. De hippietijd bijvoorbeeld is in 'Warsong' (1993) in een digitaal jasje gestoken: een paddopop in een camouflagepak tokkelt op zijn virtuele gitaar.

In 1993 presenteerde hij de kleurige en vrolijke Klein's Goodies Show in de Bloom Gallery, waarbij hij zich had laten inspireren door onder meer videospelletjes en de house-scene. Het waren beelden van geheel in de computer geschapen virtuele werelden met titels als Paradise, Love-Peace and Happiness, waarin de symbolen van de flower-power-generatie figureerden naast door Klein zelf gecreëerde iconen van de house-generatie, zoals de inmiddels beroemde en beruchte Pillman. De Pillman is een subversief icoontje, dat in deze eerste versie vrij primitief is vergeleken bij de latere uitwerkingen.

De kracht van Kleins kleurrijke beelden berust op de frisse, soms overrompelende, vitaliteit en het voelbare plezier waarmee ze zijn samengesteld. De inhoud ervan schuilt in de eigentijdse symbolen - waaronder de in verschillende gedaanten voorkomende (exstacy)pil - en de gelardeerde anekdotiek en spanning tussen realiteit en schijnrealiteit. Panelen als Paradise, Peanut Museum en Alien Artists lijken met hun wonderlijke figuren onschuldige werelden te verbeelden, maar de glanzende perfectie en inzichtelijke motieven wijzen de toeschouwer onmiskenbaar op de schone schijn van het virtuele*.

De digitale kunstwerken van Klein kennen diverse technieken en een herkenbare stijl. Zijn digitale schilderijen worden gekenmerkt door heldere felle kleuren en glimmende oppervlakken. Het oeuvre van Micha Klein is kleurrijk en lijkt op het eerste gezicht te stralen van optimisme. Bij nadere blik bevat het echter een kritische lading. Zo toont het werk 'Paradise', zoals de titel al doet vermoeden, een paradijselijk tafereeltje. Maar schijn bedriegt; de bloemenweelde fleurt te midden van een vervuilde wereld, waardoor de beschouwer een onbehaaglijk gevoel krijgt.

Klein is een internationaal vermaard video-jockey geworden die de house-feesten met zijn 'in real time' gemonteerde computerprojecties 'een smoel geeft', zoals hij zelf zegt. Ook zijn 'Virtualistic Vibes'(1995) geeft de house een gezicht. In vier panorama's zetten Klein en zijn vrienden en vriendinnen zichzelf ironisch te kijk met een gemaakte heftigheid die de beste reclameboodschap ver achter zich laat. Op hun virtuele Olympus snoepen ze van de ecstasypillen die er over de wolken rollen. Op het asfalt onder hen breekt de pleuris uit. Daar valt niets te slikken om mellow van te worden.

Virtualistic Vibes
In de reeks Virtualistic Vibes - een modereportage voor het tijdschrift 'Wave' - waarin voor het eerst gefotografeerde mensen figureren, wordt dit conflict tussen verleiding en onbehagen tot een uiterste doorgevoerd. Het vierluik kan tot nog toe beschouwd worden als sleutelwerk binnen het oeuvre van Micha Klein. De serie Virtualistic Vibes confronteert de beschouwen met lonkende of uitdagend kijkende mannen en vrouwen: het oogcontact is onmiddellijk en onontkoombaar. Door de driedimensionale suggestie lijken deze en gene zijde, realiteit en virtualiteit slechts gescheiden door de dunne laag perspex. In de bijna klassieke manier waarop -overigens uiterst actuele - beeldmotieven worden gebruikt, personages onderdeel zijn van verhalende settings, zijn de vier panelen te beschouwen als eigentijdse genrestukken met een emblematische inslag. Enerzijds lijken ze vertalingen van de vier temperamenten, anderzijds zijn ze rake typeringen van de huidige jongerencultuur, met toespelingen op ijdelheid, vitaliteit, agressiviteit, sexualiteit. Daarbij valt op dat Klein niet zozeer beschouwt en moraliseert, maar op de eerste plaats signaleert en registreert. Zijn werk is geen reflectie op de jongerencultuur van 'buiten-' of van 'bovenaf, maar komt er onmiddellijk uit voort. De wereld die hij in het vierluik naar de virtualiteit vertaalt, is ook zijn wereld. De verlokkingen van deze wereld blijkt hij niet alleen te onderkennen, maar ook tot op de kern te doorgronden. Daarin ligt de cultuur-historische betekenis van Virtualistic Vibes besloten.

Op grond van de uiterlijkheden ligt het voor de hand Kleins werk af te doen als trendy en oppervlakkig, maar dat zou wat kortzichtig zijn, al is het maar omdat Klein zelf zijn prints nadrukkelijk in de traditie van de schilderkunst plaatst. En inderdaad: de elfjes en faunen in de serie 'Among Elves' (1998) verwijzen onmiskenbaar naar de nymfen van Botticelli.

1997-1998: Artificial Beauties: Voor deze serie fotografeerde hij eerst de tien mooiste fotomodellen die hij in Amsterdam kende. Met morphing technieken combineerde hij twee gezichten tot een soort supermodellen. Bijzonder is dat die maakbare wereld waarin hij de ultieme schoonheid sublimeert ook het tegendeel lijkt te tonen. De computergegenereerde portretten laten tegelijkertijd het spookbeeld zien van de mogelijkheden van genetische manipulatie.

1998 Een van zijn grootste successen was de overzichtstentoonstelling in het Groninger Museum in 1998. Micha had tijdens zijn studentenfeesten geobserveerd dat er heel graag naar clips werd gekeken. Hij knutselde zelf nieuwe filmpjes in elkaar en samen met enkele collega's (Maarten Ploeg, Kaap, vj R.E.L. en anderen) zorgde hij voor een snelle verspreiding van deze nieuwe animaties. Dit had veel succes, het ene applaus bracht het andere mee en zo volgde ook de Nederlandse televisie. Het experimenteel Vjen is hoofdzakelijk een Nederlandse aangelegenheid geworden. Eenmaal op de televisie volgde het succes: je wordt pas bekend wanneer je op de buis bent geweest. Kijkbuisbekendheid veroorzaakt een vertrouwd deja-vu gevoel. Kleins kunst werd er ongewenst beter van. Plots schoot hier en daar iemand wakker. Een museum had reeds vanaf het begin door dat er iets moois gaande was: het Groninger Museum. Micha krijgt nu de collectioneurs over de vloer die enkele jaren geleden op bourgeoisbijeenkomsten met plezier de 'onkunst' van zijn computerkunst benadrukten.

2001-2002: Micha Klein toont met Three women and Icon uit de serie Icons, Idols and Fetishes. een werk uit zijn meest recente serie. Zelf noemt hij in dit verband het werk Femme à l'idole (Frau mit Idol) (1940-42) van de Franse schilder Picabia (1879-1953), die net als zijn tijdgenoot Duchamp het androgyne tot thema maakte. Het is juist het mannelijke en vrouwelijke dat Micha Klein als archetype thematiseert. Alle mogelijke verleidingstechnieken worden geëtaleerd maar op de achtergrond duikt de fetish op als een angstaanjagend dodenmasker. De wereld blijkt even illusoir als de waarde die aan het afgodsbeeld wordt toegekend als product van een subjectieve projectie. In dit opzicht lijkt dit nieuwste werk afwijkend van de geïdealiseerde wereld in zijn vroegere paradijselijke landschappen, zoals in die uit de series Among Elves (1998-2001) en Arrival of the Rainbow Children (1999-2000).

Overzichten van zijn werk zijn te zien in clubs en gallerieën over heel de wereld zoals World Expo-Lisabon, Pacha, Amnesia Privilege in Ibiza, Fun and Twilo-New York. Ook Nederlandse clubs en feesten als Chemistry, MTC, Silly Symphonies en Mysteryland worden regelmatig door Micha Klein van art voorzien.

Micha Klein verwees zelf in verband met zijn portretten eens naar oude meesters die de menselijke figuur idealiseerden en daarmee abstraheerden. In hun belangstelling voor de relatie tussen het lichaam en landschap sluiten Micha Klein eigenlijk aan bij een heel oude traditie. In de zestiende eeuw schilderde de Italiaanse kunstenaar Giorgione, de meester van het sfumato, van het soft focus, de Slapende Venus in een prachtig landschap en met een ander schilderij inspireerde Giorgione de Franse schilder Manet in de negendiende eeuw tot zijn wereldlijke Dejeuner sur l'herbe. Voor Giorgione's tijdgenoot bestond er weinig verschil tussen de geestelijke en zinnelijke extase zoals hij laat zien in het schilderij waar Jupiter in de gedaante van een wolk de godin Io innig omhelst. En is het niet het Bijbelse Hooglied dat natuur en lichaam sublimeert.

De artistieke betekenis van de reeks en het andere werk van Klein schuilt in de oorspronkelijke beeldende kwaliteiten en volledige beheersing van de hem ten dienste staande techniek. Als geen ander weet Klein de mogelijkheden van het eigentijdse medium, die het gehele terrein van de traditionele kunsten bestrijken, volledig uit te buiten. Klein werkt in zowel de tweede als de derde dimensie en is tijdens het scheppen van zijn virtuele werelden zowel graficus, schilder, sculpturist, architect, designer, choreograaf als regisseur. Zijn met de computer gecreëerde beelden zijn dan ook te beschouwen als 'Gesamtkunstwerke', die uiteindelijk met behulp van fotografische technieken worden vastgelegd.

Relevante verwijzingen: http://www.digischool.nl/, Snoecks, bronnenbundels


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 97.

Tweets by kunstbus