kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 10-01-2009 voor het laatst bewerkt.

Monumentale-Kunst

Monumentale Kunst

(bijvoeglijk naamwoord; monumentaler, monumentaalst; monumentaliteit) als van, of als een monument.

Het monument
1 groot gedenkteken
2 beschermd of te beschermen overblijfsel van vroegere cultuur, nijverheid of wetenschap

Het begrip "monumentaal" heeft geen technische betekenis in de orde van grootte of omvang. Etymologisch komt de term van het Latijnse werkwoord "monere", wat "herinneren aan" (ook: waarschuwen ) betekent. Een "monument" is een teken dat ons aan iets herinnert, aan een gebeurtenis, aan een belangrijk persoon... Een monument is dus een functioneel ding. Dat monumenten meestal groot zijn, is stichtend voor de begripsverwarring. Een goed boek kan immers ook een monument zijn.

Bij monumentale kunst kan men spreken van toegepaste kunst. In de vrije kunsten wordt bij de productie ervan geen rekening gehouden met een plaats van bestemming. Een kunstvoorwerp verwijst in principe in de eerste plaats naar zichzelf. In de monumentale kunst gaat men hoofdzakelijk integratiegericht tewerk, wordt er met de "site" rekening gehouden en dikwijls het vertrekpunt. Monumentale kunst is meestal een vast onderdeel van de architectuur of de omgeving en wordt ook in die zin ontworpen. Zie de fresco's en het halfverheven en het volplastisch beeldhouwwerk, de mozaïeken en de glasramen, bij de oude en de niet meer zo oude culturen.

De taal, de techniek verschilt in wezen niet met die van de vrije kunst. De monumentale kunst speelt echter een sleutelrol tussen de vrije kunsten en de architectuur of de openbare ruimte. De monumentale kunst wordt in tegenstelling tot de ‘vrije' kunst, gebonden genoemd, omdat er een nauwe relatie met het bouwwerk bestaat; de verschillende kunsten gaan als het ware een gemeenschap aan.

De gemeenschap van kunsten is een al ouder concept, dat in de 19de eeuw populariteit geniet in de vorm van het Wagneriaanse Gesamtkunstwerk, waarin alle kunsten moesten opgaan in één groot geheel. Maar de gebondenheid kan ook in andere zin opgevat worden, als gebonden aan een gemeenschappelijk ideaal. Dat ideaal kan politiek en sociaal zeer verschillend zijn uitgewerkt, al ligt de herkomst in de bijbelse ‘gemeenschap van gelovigen'.

De herleving van de monumentale kunst in Nederland na het midden van de 19de eeuw wordt vaak geassocieerd met de activiteiten van de katholieke architect P.J.H. Cuypers (1827-1921). In zijn grote openbare werken zoals het Rijksmuseum (1885) en het Centraal Station (1889) in Amsterdam, ruimt hij geheel volgens de toenmalige gewoonte plaats in voor schilder- en beeldhouwkunst. Tegeltableaux, glas-in-lood ramen, reliëfs, beelden en siersmeedwerk vormen een integraal onderdeel van zijn architectuur.

Het woord gemeenschapskunst wordt in Nederland voor het eerst gebruikt in verband met een wandschildering van Antoon Derkinderen in het gemeentehuis van Den Bosch. Enige jaren daarvoor weigerde hij voor het Rijksmuseum van Cuypers te werken, omdat hij het niet eens kon zijn met Cuypers autoritaire houding. Als kunstenaar kreeg hij te weinig ruimte, want ontwerp en uitvoering waren niet in één hand verenigd en op die manier zou er van een ware gemeenschap der kunsten niets terecht komen. Ook met zijn monumentale Processie voor de kerk op het Begijnhof (1889) ondervond hij moeilijkheden, ditmaal omdat de opdrachtgever bezwaar maakte tegen zijn, naar het voorbeeld van Puvis de Chavannes, geabstraheerde vormgeving, terwijl rond zijn werk voor het gemeentehuis in Den Bosch heftige discussies gevoerd worden. Derkinderens ontwikkeling illustreert aldus de tendenzen en ideeën die rond 1885-1890 leven. Daarbij verschuift het accent van een decoratief samengaan van verschillende kunsten, naar de ideële aspecten van de kunst en, belangrijker nog, de gemeenschap waarvoor die kunst bedoeld is.

Zie bron gemeenschapskunst op monumentale kunst in de 20e eeuw vinden we terug in de Art Nouveau. Deze stijl, verspreid over het hele Westen van rond de eeuwwisseling, wordt gekenmerkt door de intentie totaalkunst te maken, het laten harmoniëren van architectuur, binnenhuisversiering, gebruiksvoorwerpen (zie een heropleving van de kunstambachten), schilderkunst en beeld-houwkunst. Het accent lag bij het decoratieve, het versierende aspect.

De term gemeenschapskunst verdwijnt na de Eerste Wereldoorlog grotendeels van het toneel en wordt vervangen door de meer neutrale term monumentale kunst. Toch zetten verschillende kunstenaars hun pogingen voort om monumentale kunst vanuit een gemeenschapsideologie te verwezenlijken, in religieuze of socialistische zin. Met name van katholieke zijde worden er veel opdrachten gegeven voor muurschilderingen en vooral voor glas-in-lood ramen.

Om totaalkunst, maar dan diametraal tegengesteld aan het burgerlijk karakter van de Art Nouveau, gaat het ook bij de Stijl en in het Bauhaus, omstreeks de jaren 20. Ook het Russisch con-structivisme van Tatlin en El Lissitzky draagt in die richting. Belangrijk in dit tijdsgewricht is het sociaal-maatschappelijk karakter van deze bewegingen en de impact ervan op de kunst en de architectuur van Europa en de Verenigde Staten tot ver na de tweede wereldoorlog.

Naast deze stromingen kunnen we nog talloze particuliere voorbeelden aanhalen, van kunstenaars die hun gedachtegoed gaan vertalen naar een architecturale kontekst of naar ambachtelijke en industriële toepassingen. Ook het graffiti heeft een niet geringe invloed op Monumentale Schilderkunst gehad.

Bronnen: Roger Somville, Richard Roland Holst, Willem Arondeus, Paul Delvaux, Jef Wauters, Charles Eyck, Berlage, Jan Veth, Diepenbrock, Toorop, Joseph Mendes da Costa, Lambert Zijl en Albert Verwey.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 181.

Tweets by kunstbus