kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Nachtwacht

(De compagnie van kapitein Frans Banning Cocq en luitenant Willem van Ruytenburch van de Amsterdamse Cloveniersdoelen)
doek, 438x359, Gesigneerd: Rembrandt f. 1642.
Amsterdam, Rijksmuseum (bruikleen van de stad Amsterdam)

Rembrandt schilderde De Schutterij van Kapitein Frans Banning Cocq, beter bekend als De Nachtwacht, tussen 1640 en 1642. Het stuk was besteld voor de nieuwe hal in de Kloveniersdoelen, de musketiersectie van de burgerwacht. Rembrandt nam afstand van de conventie, die voorschreef dat degelijke genre stukken stijf en formeel moesten zijn, eerder een opstelling dan een aktie scene. Hij toonde de burgerwacht juist op een moment dat deze zich klaar maakte om uit te rukken (men verschilt van mening over de vraag of dit voor een reguliere patrouille of een speciale gebeurtenis was). Rembrandts nieuwe aanpak veroorzaakte een rel. Vooral de schutters die achter in het tafereel waren geplaatst en nauwelijks zichtbaar waren tekenden bezwaar aan. Men schortte de betaling op. Er werden zelfs stukken van het doek af gesneden om het passend te maken voor de muur die men in gedachten had.

Iedere schutter betaalde zelf om zich door Rembrandt op de Nachtwacht te laten vereeuwigen. De hoogte van het bedrag hing samen met de plek op het schilderij. Gemiddeld kwam de prijs neer op zo’n honderd gulden per persoon. Rembrandt portretteerde zestien betalende schutters en kreeg dus 1600 gulden. Toen de Nachtwacht klaar was, schilderde iemand er een schild met de namen van de geportretteerde schutters op.

Het doek was oorspronkelijk nog groter. Oorspronkelijk hing het in de feestzaal van de Kloveniersdoelen. Sinds 1715 hing het in de kleine raadzaal van het Oude Stadhuis. In 1815 verhuisde het naar het Trippenhuis. In 1808 kwam het in bruikleen van de stad Amsterdam.

Kapitein Banningh Cocq geeft hier ongetwijfeld aan zijn mannen het bevel om zich op te stellen, want de stoet van Marie de France, die Amsterdam bezoekt, is in aantocht.

In verschillende tekeningen en etsen uit de jaren '30 is Rembrandt bezig met het probleem hoe een groep mensen in actie samen te brengen. De opdracht van de Kloveniersdoelen maakte het dringend noodzakelijk een oplossing te vinden voor een vraagstuk dat de cineasten en fotografen nu nog moeilijkheden oplevert.

In de noordelijke Nederlanden, waar van hofcultuur nauwelijks sprake kon zijn heeft de burgerij, die verenigingen vormt, groepsportretten willen hebben. Trots op ereambten wilden de burgers voor alles eigen belangrijkheid en die van hun vrienden ten toon spreiden. Reeds in de 16de eeuw worden de schuttersgilden geportretteerd in rijen, als op een clubfoto. Het is vooral in de 17de eeuw dat de schilders pogingen doen om meer actie in de groepen te brengen.

Doch eerst een eigenzinnige man als Rembrandt, die de ijdelheid vergat, slaagde erin de klassieke oplossing te vinden voor wat een groep is: eenheid in verscheidenheid. Niemand betekent iets zonder de ander. Weliswaar treedt kapitein Banningh Cocq in zijn functie naar voren, doch wat zou hij zijn zonder de luitenant Willem van Ruytenburch en de anderen? De groep komt bijna op de toeschouwer af, maar geeft geen ogenblik de indruk van de muur af te wandelen. De mannen staan dicht op elkaar, doch ieder kan zich ruim bewegen. Ieder is op eigen wijze bezig en geen trekt méér de aandacht dan zijn buurman.

Rembrandt die eerst 36 jaar is wanneer hij het schilderij af heeft, hield zich hier vooral bezig met de psychologie van de groep. Uitermate geïnteresseerd in alle problemen van de barok treft hem hier vooral de beweging, niet de individuele bewogenheid. Een moeilijkheid voor alle schilders van schuttersstukken was dat zij rekening moesten houden met de opstelling van het werk in het verenigingsgebouw, de Doelenzaal. De maat van het stuk, het licht op de wand, de indruk die de binnentredende bezoeker kreeg, dat waren factoren die voor de compositie buitengewoon belangrijk waren.

Het werk van Rembrandt was oorspronkelijk bedoeld om in een hoek van een zeer grote zaal te worden gehangen. Hij heeft daar zeker rekening mee gehouden. Een grondige beschouwing en röntgenfoto's laten duidelijk zien dat Rembrandt veranderingen aanbracht opdat het werk van rechts af geobserveerd, het meest levendig zou zijn. De lange veelal diagonaal geplaatste lijnen van wapens geven ruimte aan. Het dynamische geel van de luitenant wordt teruggeslagen door de schaduw van de hand van de kapitein. Diens zwarte kostuum, verlevendigd door de rode sjerp en de witte kraag, houdt de gehele groep binnen het kader. Rembrandt heeft in dit werk geraffineerd gebruik gemaakt van een spel van lijnen, vormen en kleuren. Het maakt daardoor bijna de indruk van een momentopname.

Een opdrachtgever die in een portret eigen belangrijkheid wenst te zien, kan niet tevreden zijn met een dergelijke levendige weergave die het individu volkomen ondergeschikt maakt aan het verband van de groep. Het is alleszins begrijpelijk dat men over het algemeen geen waardering had voor Rembrandts compositie. De leden van de compagnie hadden namelijk individueel bijgedragen in de kosten van het doek. Banning Cocq en zijn luitenant zouden zelfs elk 100 gulden bijgedragen hebben. Volgens de legende waren de weggelaten personen ontevreden. Wetenschappelijk staat hiervan niets vast.

De in wezen zeer ongelukkige naam Nachtwacht is eerst in de 18de eeuw vermeld. De lichtval op het voorplan en de aanwezigheid van spelende kinderen geven immers heel duidelijk aan dat deze scène zich overdag afspeelt. Vergeleken met vele schutterstukken van tijdgenoten is dit werk betrekkelijk donker. Aan de geniale compositie werd toen geen of nauwelijks aandacht geschonken. Men zag destijds vooral dat Rembrandt de ijdele opdrachtgevers al te gewoon had behandeld. Rembrandt heeft de indruk willen geven dat de groep vanuit een donker gebouw naar buiten trad.

De unieke oplossing van de naar voren gaande beweging en de eenheid van de groep maakt deze schuttersoptocht terecht tot een vermaard werk. Doch in latere schilderijen heeft Rembrandt meer en meer de beweging gereduceerd om de nadruk te leggen op de bewogenheid. (Schilderijen van het Rijksmuseum; Scala Dia; Janson 510)

Het meisje, in een goudgeel fantastisch gewaad, dat vaak aanleiding is geweest tot veronderstellingen die een diepere betekenis aan het stuk suggereerden, is waarschijnlijk niet meer dan een marketentstertje, dat, zoals gebruikelijk feestelijk verkleed, met de compagnie meeliep. Dat Rembrandt haar in een helder licht plaatste, waardoor zij meer dan vele schutters de aandacht krijgt, past geheel in de eigen wijze waarop hij zich van zijn taak heeft gekweten. Het belang dat hij aan de verdeling van lichte en donkere partijen hechtte, aan de levendigheid van het geheel, liet hij prevaleren boven de koppen van de schutters als individuele portretten.

Omstreeks 1715 wordt het stuk overgebracht naar de kleine Krijgsraadkamer op het stadhuis. Omdat het te groot was voor de wand waar het moest hangen, werd er aan alle zijden, maar vooral aan de linkerkant een strook afgesneden. De originele compositie is bewaard gebleven in de schets in het album van Banning Cocq. Pas als het doek in 1808 wordt overgebracht naar het Trippenhuis dat als museum wordt ingericht, verschijnt het in de inventaris als 'een Nachtpatrouille van Rembrandt' en in een brief uit hetzelfde jaar heet het 'een schilderij van Rembrandt, zijnde de Nagtwagt'. Het schilderij moet toen zeer vuil geweest zijn, vermoedelijk dekten vele lagen gele vernis de verf. Bij het gereedkomen van het Rijksmuseum in 1885 werd het in het hart van het gebouw opgesteld. In 1946-47 werd het stuk van de gele vernislagen ontdaan en gerestaureerd, zodat het thans in zijn vroegere luister te zien is: een groots werk van een schilder die op geheel eigen wijze een traditioneel onderwerp vorm gaf, maar die nog allerminst op het toppunt van zijn kunnen stond. (Haak 178-181) (zie ook portret 152-157, niet overgenomen)


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 22.