kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 28-07-2008 voor het laatst bewerkt.

Neo-plasticisme

Nieuwe Beelding of Neo-plasticisme

(Duits Neue Gestaltung of Neoplastizismus, Engels: Neo-Plasticism, Frans: Neo-Plasticisme, Spaans: Neoplasticismo)

Een kunsttheorie ontwikkeld door met name de kunstenaars Theo van Doesburg en Piet Mondriaan met als doel de kunst te zuiveren van elementen die daar volgens hen niet in thuis hoorden en het voor elke kunstvorm vaststellen van haar eigen beeldingsmiddelen.

De term ‘Nieuwe Beelding’ komt voor het eerst voor in een inleidend artikel van Van Doesburg in het eerste nummer van De Stijl, geschreven in juni 1917, gevolgd door Mondriaan in het artikel ‘De nieuwe beelding in de schilderkunst’ in hetzelfde nummer. Later volgt ook Vilmos Huszàr (maart 1918). In het meinummer van 1918 wordt de term voor het eerst in hoofdletters geschreven. De term 'Nieuwe Beelding' of 'Neoplasticisme' is volgens Kenneth Frampton afgeleid van de term 'plasticisme', die Mathieu Schoenmaekers gebruikt in zijn in 1915 uitgegeven boek Het Nieuwe Wereldbeeld, dat als bron diende voor Piet Mondriaans artikelenreeks. Volgens Marty Bax, echter, is de term plasticisme afkomstig van de theosofe Helena Blavatsky, die schreef: "de oorsprong van alles is de plastische essentie die het universum vult". Piet Mondriaan gaf in 1921 de in het Frans geschreven brochure ‘Le Neo-plasticisme’ uit, waardoor de Nieuwe Beelding in het buitenland bekend is komen te staan onder die term.

Wat wordt er nu precies met ‘Nieuwe Beelding’ bedoeld? Beelding wil, volgens Mondraan, Van Doesburg, en de zijnen, zeggen: de (rechtstreekse) uitdrukking van de werkelijkheid. ‘Nieuwe Beelding’ wil dus zeggen een nieuwe uitdrukking van de werkelijkheid.

Uitgangspunten
Volgens de Nieuwe Beelding houdt de schilder, de beeldhouwer, de architect, de musicus, de schrijver, etc., zich bezig met de uitdrukking of beelding van alle facetten van het leven. Dit gebeurt echter nooit toevallig. Elk kunstwerk, gebouw, muziekstuk, boek, etc., komt opzettelijk tot stand. Het is het product van de maker en in mindere mate van hetgeen het voortelt. Zo heeft de voorstelling op dit schilderij van Nicolas Poussin nooit plaats gehad. Zelfs de lichaamshoudingen van de figuren komen in het echte leven niet zo voor. Toch overtuigt het en vormt het een harmonisch geheel. De kunstenaar manipuleert de werkelijkheid dus — per definitie — om een esthetisch, kunstzinnig aangenaam geheel voort te brengen: om harmonie te scheppen. Zelfs de meest realistische schilders, zoals Johannes Vermeer of Rembrandt van Rijn, wendden allerlei kunstzinnige middelen aan om een zo groot mogelijke mate van harmonie te bereiken: beeldingsmiddelen die geheel eigen zijn aan de kunst. De kunstenaar bepaalt echter in welke mate hij deze beeldingsmiddelen laat overheersen of juist zo dicht mogelijk bij zijn onderwerp blijft. Er is in de schilder- en beeldhouwkunst, en in mindere mate in de architectuur, de muziek en de literatuur, dus sprake van een dualiteit tussen de idee van de kunstenaar en de materie van de wereld om ons heen.

Idee versus materie
In zijn Grondbegrippen der nieuwe beeldende kunst stelt Van Doesburg vast dat in de kunstgeschiedenis twee soorten kunstwerken te onderscheiden zijn: kunstwerken die voortkomen uit de ‘idee’ (ideo-plastische kunst) en kunstwerken die voortkomen uit de ‘materie’ (physio-plastische kunst). Hij toont dit aan met een beeld van de Egyptische god Horus en een Diadumenos. Van Doesburg, maar vooral ook Mondriaan, voorspelden dat alle kunsten in de toekomst zouden ‘verzinnelijken’ en alleen nog maar uit de idee zouden voortkomen.

Plaats van de Nieuwe Beelding in de kunstgeschiedenis
Vanaf 1915 heeft Van Doesburg zich, door middel van lezingen en publicaties, ingezet om de Nieuwe Beelding een plaats te geven in de kunstgeschiedenis. Dit deed hij door aan te tonen dat het geestelijke en het natuurlijke in de kunst in het vereleden niet altijd in evenwicht waren en dat de Nieuwe Beelding dit evenwicht zou herstellen. Het hier gereproduceerde schema, dat Van Doesburg waarschijnlijk naar aanleiding van de door hem in 1921 gegeven lezingen in Jena, Weimar en Berlijn, opstelde, geeft duidelijk aan in welke mate Van Doesburg dacht hoe natuur en geest zich in de verschillende West-Europese cultuurperioden verhoudden. Hij 'begint' geheel rechts met de oude Egyptenaren en Grieken, waarbij natuur en geest nog in evenwicht waren. De oude romeinen slaan door naar het natuurlijke, terwijl in de Middeleeuwen juist het geestelijke overheerst. In de Renaissance slaat de kunst opnieuw door naar het natuurlijke, om vervolgens overtroffen te worden door de Barok. Het Biedermeier en de 'Idealisme-Reformatie' in de negentiende eeuw herstelt het evenwicht enigszins, om te eindigen in de tijd van de Nieuwe Beelding, waarin de polariteit tussen natuur en geest volledig opgeheven is. Van Doesburg zag 'zijn' Nieuwe Beelding echter niet als ideaal eindstadium of als utopie, zoals vaak wordt beweerd, maar, zo stelt hij in dezelfde lezing vast: 'Nirgends und nie gibt es ein Ende. Immer geht es weiter'.

Vierde dimensie
Een aantal medewerkers van De Stijl brengt een paar keer, terloops, de vierde dimensie ter sprake – bijvoorbeeld Gino Severini, 'Mesuration de l'espace et 4e dimension', Dit soort passages komen ook bij andere avant-gardistische stromingen voor en hebben nooit echt tot concreet resultaat geleid – op de tesseractische studies van Theo van Doesburg uit 1924 na dan.

Joost Baljeu schreef in 1968 dat de vierde dimensie te vergelijken is met het uitzetten of krimpen van objecten door inwerking van universele krachten (temperatuur) en dat zo de vierdimensionale zienswijze niets anders is dan het vaststellen dat alle dingen voortdurend in beweging zijn. 'De werkelijkheid is niet statisch, maar een dynamisch proces in ruimte en tijd. [...] Gebruikt men de uitdrukking tijdruimtelijk, dan zegt men niets anders dan dat zich een objectvorm gedurende een bepaalde tijdspanne als gevolg van de werking van de een of andere universele kracht ruimtelijk verandert'.

Nieuwe Beelding in de Schilderkunst
De Nieuwe Beelding gaat ervan uit dat wanneer de schilder probeert de werkelijkheid (of waarheid) vorm te geven, deze dit nooit doet vanuit hetgeen hij ziet (object, materie, het fysische), maar vanuit hetgeen dat uit hemzelf voortkomt (subject, idee, het geestelijke), of zoals Georges Vantongerloo het formuleert: ‘La grande vérité, ou la vérité absolu, se rend visible à notre esprit par l’invisible’. Mondriaan noemt dit proces ‘verinnerlijking’. Daarnaast komt geen enkel schilderij toevallig tot stand. Elk schilderij is een samenspel van ruimte, vlak, lijn en kleur. Dit zijn de beeldingsmiddelen in de schilderkunst. Als de kunstenaar de waarheid zo goed mogelijk wil benaderen lost hij de natuurvorm op in deze meest elementaire beeldingsmiddelen. Op deze manier komt de schilder tot een universele harmonie. De rol van de kunstenaar (het individuele of het subjectieve) beperkt zich tot het bepalen van verhouding tussen deze beeldingsmiddelen (de compositie). De kunstenaar wordt zo bemiddelaar tussen de toeschouwer en het volstrekte (het absolute, het objectieve). In navolging van Schoenmaekers, die het fysieke aan het horizontale en het geestelijke aan het verticale verbond, pasten de nieuw beeldende schilders uitsluitend hozintale en verticale lijnen en rechthoekige kleurvlakken toe. Het doel van deze radicale vereenvoudiging van de schilderkunst was de kunst te zuiveren van elementen die volgens de Nieuwe Beeldende kunstenaars niet direct met de schilderkunst verband hadden.

Nieuwe Beelding in de Architectuur
Architectuur heeft, anders dan de schilderkunst, minder ‘last’ van betekenis. Architectonische schoonheid wordt, volgens Van Doesburg, vooral bepaald door — onder andere — massaverhouding, ritme en spanning tussen het verticale en horizontale (om slechts een paar beeldingsmiddelen in de architectuur te noemen). De architect Oud noemt deze beeldingsmiddelen de primaire beeldingsmiddelen en ziet wat dat betreft, net als Van Doesburg, een sterke overeenkomst met de moderne schilderkunst. De secundaire beeldingsmiddelen, de decoratie, dragen volgens Oud niet bij tot een harmonische architectuur. Bovendien is hij van mening dat materiaal zuiver toegepast moet worden (gewapend beton als gewapen beton, baksteen als baksteen, hout als hout) en dat de architect zich niet schuldig mag maken aan effectbejag. Ook in de architectuur legde men zich beperkingen op, zodat een symbolische of decoratieve toepassing van de beeldende middelen zo goed als uitgesloten was.

Nieuwe Beelding in de Muziek
Ook in de muziek streefden de De Stijl-kunstenaars naar een evenwichtige beelding van verhouding. Zoals deze in de schilderkunst werden bepaald door afmeting, kleur en niet-kleur, wordt de Nieuw Beeldende muziek bepaald door maat, toon en niet-toon. Mondriaan was van mening dat de muziek, net als de schilderkunst, van natuurlijke invloeden gezuiverd moest worden door o.a. het ritme te verstrakken. De niet-toon vervangt de oude rust, maar moet om ‘beeldend’ te zijn wel uit klank bestaan; Mondriaan stelt voor om hiervoor geruis te gebruiken. Net als in de schilderkunst volgen toon en niet-toon elkaar direct op. Hierdoor ontstaat een ‘vlakke, pure, scherp-begrensde’ muziek.

Kunstenaars die de ideeën van de Nieuwe Beelding onderschreven: Theo van Doesburg, Piet Mondriaan, Robert van 't Hoff, Jacobus Johannes Pieter Oud, Vilmos Huszàr, Georges Vantongerloo, Antony Kok, Jan Wils


Copyright, This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Nieuwe_Beelding
Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 168.

Tweets by kunstbus