kunstbus

Ben jij onwetend, leerling, gezel, meester of uomo universale? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 20-10-2008 voor het laatst bewerkt.

Oscar Jespers

Belgisch beeldhouwer, geboren 22 mei 1887 te Borgerhout - overleden 1 december 1970 in Sint-Lambrechts-Woluwe.

Zoon van de beeldhouwer Emile Jespers (1862-1918). Broer van de schilder Floris Jespers. Oscar Jespers volgde de lessen aan de academie en aan het Hoger Instituut voor Schone Kunsten te Antwerpen, vestigde zich in 1927 te Brussel en was leraar aan het Hoger Instituut voor Architectuur en Sierkunsten (Ter Kameren, Brussel).

Vanaf 1920 was hij een belangrijk voortrekker van het Vlaamse expressionisme. Uiteindelijk keerde hij terug tot een zich meer met de natuur verzoenende vormgeving. In zijn expressionistische tijd maakte hij bij voorkeur gebruik van taille directe en vertonen zijn beelden streng gesloten vormen.

Biografie
Begonnen als impressionistisch boetseerder o.i.v. Rik Wouters.

Van 1914 tot 1918 kubistisch georiënteerd (de kapmantel). Daarna streng beheerst expressionisme, gekenmerkt door de taille-directe-techniek en streng gesloten vormen (Broer en zuster).

In 1921 tekeningen en houtsneden voor Bezette Stad van Van Ostaijen.

Na 1937 opnieuw geboetseerde beelden. De vormgeving blijft uiterst beheerst, maar sluit meer aan op de natuur.

Na 1937 ging hij opnieuw tot boetseren over, even sober en vast omschreven, maar ze bewegen meer in de ruimte. Steeds bleef zijn streven gericht op eenvoud, soberheid en monumentaliteit. Zijn beelden stralen een grote menselijke warmte uit. Lichamen zijn in ronde, soliede, volumineuze vormen gevat.

Van 1949 tot 1957 doceerde hij aan de Jan van Eyckacademie te Maastricht en in 1961 was hij gastleraar aan The School of the Museum of Fine Arts te Boston.

Werken:
. Werk van Jespers bevindt zich o.a. in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België te Brussel, het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten en het Openluchtmuseum voor Beeldhouwkunst Middelheim, beide te Antwerpen, het Museum of Modern Art te New York.

. Frieda, 1919, brons, hoogte 79, Verzameling Clemens Raming-José Boyens
Oscar Jespers vervaardigt van 1918 tot 1921 verscheidene abstraherende werken van constructieve inslag. Nochtans neemt hij geen deel aan de groepsvorming en tentoonstellingen van de Belgische abstracten. Via een voorzichtig vervormen van de werkelijkheid experimenteert hij met extreme vormopvattingen, waarbij de tendens tot bouwen voorop staat. Heel wat experimenteel werk werd door Oscar Jespers zelf vernietigd. Door een gelukkig toeval is van dit werk een origineel gips bewaard gebleven, waarvan in 1977 enkele bronzen exemplaren werden gegoten. Het is bovendien één van de zeldzame gedateerde beelden van Jespers. Het model is Frieda de Meulemeester, waarvan Jespers in 1918 nog een impressionistisch beeld had gemaakt. Een doorgesneden kegel is het vertrekpunt voor Frieda. Een stijgend ritme voert met een elegant boog naar bovenlijf en hoofd, beide opgebouwd uit driehoekige en kubistische elementen.
Frieda is in opvatting sterk verwant met het vroeg werk van Lipchitz en Archipenko. Met Gedrapeerde vrouw van Archipenko heeft het een energieke plastische constructie en een verborgen gehouden gevoeligheid gemeen. (exp 118)

. Hawaïaanse dans, 1922, Oostende, P.M.M.K.

. De jongleur, 1923, steen, gepolychromeerd, hoogte 94, privé-verzameling
Tussen 1918 en 1921 experimenteert Oscar Jespers met een zuiver abstracte beeldtaal, die na 1921 plaats maakt voor een constructief expressionisme. Daarin zoekt hij naar een synthese tussen elementen uit primitieve kunst, kubisme en expressionisme. Paul van Ostaijen omschrijft het werk van Oscar Jespers uit die periode als cerebraal-hartstochtelijk. Daarmee verwijst hij naar een persoonlijke interpretatie door Jespers van het Franse kubisme waarin intuïties en theoretische verantwoording samengaan.
In De jongleur behoudt Jespers de combinatie van gewelfde en rechthoekige vormen en in feite is dit beeld een rechthoekig bas-reliëf, opgebouwd uit afgeplatte cilinders, halve bollen, driekwart cilinders. Door de polychromie, die verwijst naar Archipenko's 'sculpto-peintures', worden de vormelementen nadrukkelijk van elkaar gescheiden en wordt de asymmetrie, vooral van het gezicht, geaccentueerd. (exp 226)

. Masker, 1924, marmer, hoogte 21, privé-verzameling
In zijn essay 'Ekspressionisme in Vlaanderen' van 1918 verdedigt Paul van Ostaijen een ideoplastische kunst, 'een ideeënkunst gericht op het vorm geven aan wat de geest meent waar te nemen' (Verzameld werk, blz 53-66). Het Masker van Oscar Jespers sluit aan bij deze visie. De materie is vergeestelijkt in een gelaat dat een gedachte uitdrukt zonder emotie te verraden. Vanaf 1920 is Jespers bevriend met Permeke. Hun wederzijdse beïnvloeding en interesse voor zowel het constructivisme als de Afrikaanse kunst komt tot uiting in werken als Masker van Jespers en Primitieve koppen van Permeke. In tegenstelling tot de negerkunst zijn in Masker de verschillende onderdelen van het gelaat behandeld als zelfstandige en nauwkeurig afgebakende volumes die elkaars tegenwicht vormen; Zij vormen elementen van een architectonisch opgebouwd geheel. Daardoor sluit het werk aan bij het abstract-constructivisme. Verwant met de vormentaal van Masker is het latere werk van Jawlensky, zoals Levensdruppel. (exp 228)

. Perle fine, ca. 1925, gips, hoogte 23, Grenoble, Musée de Grenoble
Rond 1921 valt in het werk van Oscar Jespers een kentering op. Steeds meer ziet hij af van het modelleren en kiest hij voor de 'taille directe', aanvankelijk in zachte steen, later in harde. Het contact met de materie voert hem naar een grotere soberheid, waarbij overbodige details vermeden worden. Vanaf 1924 begint Jespers te zoeken naar een vormgeving die minder geboden is aan strenge kubistische opvattingen.
In Perle fine herkennen we invloeden van Zadkine, Modigliani en in het bijzonder van Brancusi voor wiens werk Jespers grote bewondering heeft. In 1926 ziet hij enkele werken op de tentoonstelling Kunst van Heden te Antwerpen, maar reeds voordien kent hij het werk van Brancusi door afbeeldingen. De geslotenheid is nog steeds karakteristiek voor zijn werk. De ovale vorm, die we vaak in negermaskers en primitieve sculpturen aantreffen, is in Perle fine uitgangspunt voor de vrije en meer aan de realiteit gebonden vorm van de vrouwenkop. Neus, ogen en mond vormen slechts enkele fijn uitgewerkte accenten in de welving van de steen. De mond en de kin zijn licht asymmetrisch geplaatst, waardoor het beeld meer geïndividualiseerd wordt. Het gladde oppervlak geeft de indruk van een gespannen vlies, waarop het licht zich egaal verspreidt. Tussen 1924 en 1930 beeldhouwt Jespers talrijke koppen in steen of hout. Steeds zijn de beelden constructief opgebouwd in een stijl die kubistische elementen verbindt met een gesloten ronde vorm. (exp 294)

. Visser, 1926, kalksteen, hoogte 47, Oostende, P.M.M.K.

. Adolescent, 1929, kalksteen, hoogte 37, Basel, Kunstmuseum, Emanuel Hoffmann-Stiftung


Test je competentie op YaGooBle.com.

Je kunt ook zelf een opinie of encyclopedisch artikel op Kunstbus of Muziekbus plaatsen!

lexicon opinie

Test je algemene kennis op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 992.