kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 03-08-2008 voor het laatst bewerkt.

Ossip Zadkine

Ossip Zadkine in zijn studio circa 1950
Foto: Emmy Andriesse

Franse beeldhouwer, etser, gouache-schilder, illustrator en lithograaf van Russische afkomst, 14-7-1890 Smolensk - 25-11-1967 Parijs, echtgenoot van Valentine Prax,
Naamsvarianten: Osip, Zadkin, Cadkin, Osip Jocelyn Zadkin,

Ossip Zadkine was een van de eerste kunstenaars die de principes van het kubisme in de beeldhouwkunst toepasten.

Zijn werk valt moeilijk onder een bepaalde stroming te brengen. Het vertoont invloeden van zowel kubisme, surrealisme als van Afrikaanse primitieve kunst. Zijn vroege werk heeft een gesloten vorm en een blokachtige opbouw, waarbij de aard van het materiaal (boomstam, steenblok) zijn identiteit behoudt. Later worden zijn sculpturen losser van opbouw, door een harmonieuze verbinding van holten en volumen. Een bekend voorbeeld hiervan is het monument voor een verwoeste stad (1953, Rotterdam). Zadkine hield zich daarnaast bezig met gouaches en aquarellen, die boeien door een rijk koloriet.

Zadkine werkte aanvankelijk kubistisch, met streng gesloten vormen, die na ca 1940, toen zijn werk zich ging kenmerken door een barokke expressiviteit, opener werden. Zeer bekend is zijn oorlogsmonument 'De verwoeste stad' (1951-1953) in Rotterdam.

biografie
Osip Jocelyn Zadkin werd op 14 juli 1890 in Vitebsk geboren, maar verhuisde al spoedig naar Smolensk aan de Dnjepr (Wit-Rusland) waar hij zijn jeugd doorbracht. De Zadkins waren joods, maar niet praktiserend. Osip werd zich pas werkelijk van zijn joods-zijn bewust aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Zijn moeder Sophie Lester was van Schotse komaf, vandaar het on-Russische Jocelyn als tweede naam. Zijn vader, Ephime Zadkine, gaf klassieke talen aan het plaatselijke semenarie.

1905 Zijn ouders stuurden Ossip in 1905 naar familie in Sunderland, Noord-Engeland om daar de Engelse taal en betere manieren te leren. Al spoedig reisde hij door naar de kunstacademie van Londen om zich te wijden aan zijn grootste passie: de beeldhouwkunst.

Zadkine volgde een kunstopleiding in Londen aan de Polytechnic Art School een opleiding voor tekenaar en houtgraveur. (Arts and Crafts School 1906-1907).
"In het begin sloeg mijn vader mijn eerste, onhandige pogingen en strubbelingen met klei slechts met groot wantrouwen gade. Het was zijn idee van mij een dokter, een nette mijnheer te maken en om mij volkomen van mijn kinderlijke spel met de klei af te brengen, heeft hij mij - toen ik zestien jaar was - naar een kostschool in Sunderland in Schotland gestuurd om daar Engels en goede manieren te leren. Na verloop van zes maanden ben ik daar weggelopen en naar Londen gegaan, gedreven door één enkele idee: beeldende kunsten te studeren, beeldhouwer te worden!"

Gedurende elf maanden van een uitermate "anecdotisch leven" - Zadkine had dikwijls geen cent op zak en was dan genoodzaakt als hulp op een beeldhouw-atelier te gaan werken - heb ik kennis gemaakt met de Academie van beeldende kunsten en met hun flauwe smaak. Maar ook dat was mij te zwaar en ik ben teruggegaan naar mijn ouders, toegerust met de twijfelachtige wetenschap hoe ik een portret kon modelleren. Hij kwam terug naar Smolensk - met lange haren en een deeltje van de werken van Plutarchus onder zijn arm. "In de zes maanden van mijn verblijf aldaar, in een gespreid bedje en bij dikgesmeerde boterhammen, heb ik enkele portretten gemaakt, waaronder die van mijn moeder en van mijn nicht, welke mijn ouderlijk huis in rep en roer brachten. Men stond mij toe in de ontvangkamer te werken, waar de twintig duizend boekdelen van vaders bibliotheek mij zwijgzaam en oplettend zonder een woord gadesloegen. Aan de tafel werd over schilder- en beeldhouwkunst gesproken, iedereen zweeg gegeneerd, behalve ikzelf en ik trachtte onhandige en ontstellende theorieën te ontwikkelen. Mijn vader antwoordde met een eerbiedig wantrouwen, alsof hij zich op een glibberig en gevaarlijk terrein ging bewegen.

Mijn vader stuurde me toen weer naar Londen, maar deze keer als kunstenaar. (Vader Zadkine verstrekte hem een maandgeld, dat het hem mogelijk maakte het beroep te leren, waarvoor hij naar zijn gevoelen het best geschikt was.) Het tweede jaar in Londen en op de Academie, hebben van mij geen genie gemaakt. Mijn leraren waren beste brave mensen, die steeds hamerden op de waarheid en de werkelijkheid. Ik bleef aan de "kennis" plakken en voelde vagelijk, dat het niet de juiste weg was. Ik begon toen veel te denken over de "juiste weg". Ik heb er voortdurend van gedroomd. Maar het beetje verheldering dat ik toen mocht ontvangen, kwam niet van de Academie, maar van het gezelschap van een onbekende beeldhouwer, die in hout sneed en bij wie ik soms ging werken.

In de zomer van 1909 ontmoette hij Marc Chagall in zijn geboorteplaats Vitebsk.

In 1909 vestigde hij zich in Parijs waar hij slecht een half jaar studeerde aan de Ecole des Beaux-Arts. In Parijs ginge hij om met Fernand Léger, Alexander Archipenko, Chagall en later Modigliani.

In 1909 ben ik in Parijs gekomen - een belangrijke dag in mijn leven - begeleid door de zegen van mijn lieve moeder en vader. Het was voor de laatste keer, want ik heb hen niet meer teruggezien.

Parijs heeft beslag gelegd op mijn ziel en mijn lichaam, heeft mij opnieuw gemodelleerd, hervormd en herkauwd. Overigens is het daar nog mee bezig en de laatste slagen zijn nog niet gevallen, want Parijs is niet zo gauw klaar met zijn langzaam werkende herschepping. Misschien is het daarom, dat de Parijzenaar nooit volmaakt is, maar het iedere dag meer wordt.

Ik ben dus op de Academie van beeldende kunsten. Mijn leraar is van hetzelfde soort: een beste brave man, deze keer echter geen Engelsman, maar Fransman. Dezelfde verveling, maar om andere redenen.

Hier neemt men het tengere, gevoelige vlees, dwingt het op handige manier in een nauw kader, om er uit te doen opwellen: de ijdelheid. Niet het talent, niet de gevoeligheid en de neiging tot tederheid, maar de ijdelheid, de zucht om succes te boeken en staatsopdrachten te krijgen - de carrière.

De ware gids, de wijze raadsman ontbrak er steeds. Maar in dat atelier, waar een lucht van natte klei en de benauwde warmte van de modellen hing, waren kameraden, die zoals ik uit alle hoeken van de wereld kwamen; en met hen, door hen, ontdekte men de portalen der Romaanse Kathedralen, in hun waarheid en hun diepe en wonderbaarlijke werkelijkheid.

Die twee woorden: werkelijkheid en waarheid, kregen toen voor het eerst een zin en betekenden iets tastbaars. En dan was er Rodin, die grote vernieler, die ons met stomheid en met bewondering sloeg door de vrijmoedigheid, waarmee hij naar een uitweg zocht.

Als ik nu aan deze reeds zo verre schooltijd terugdenk, dan voel ik een diepe dankbaarheid jegens deze vrienden en kameraden. Wij vormden er een groepje van vier of vijf jongeren, altijd in een hoek gedrongen door de ouderen, die zich toerustten voer de grote, officiële wijding. Door elkaar te helpen en voort te stuwen, zijn wij er toch in geslaagd een bres te slaan in dat brakke vertrek, een bres, waardoor een heilzame, verfrissende luchtstroom doorbrak naar onze hijgende longen en hersenen.

Ik herinner mij die ontdekkingen: het witte woud der Romaanse middeleeuwen, de geordende overdaad der gothiek, de genialiteit der Grieken - en tot de dag van vandaag staat mij de diepe en verwarrende kennismaking met de Egyptenaren en de Summeriers nog voor de geest.

Zes maanden later heb ik besloten niet meer naar de Academie te gaan. De verlatenheid, de eenzaamheid was schrikbarend. Eveneens het besluit om geen gids meer te volgen, maar naar mijzelf te luisteren, mijzelf te zoeken, ondergedompeld in het ijzige bad der vrijheid, om geduldig iedere stap in de steen des levens uit te houwen, omgeven van zoveel anderen die voortstuwen in eenzelfde liefde voor de vrijheid. Om het eigen prisma te ciseleren en te polijsten, in de hoop, dat het zweet van heel een leven in de rots der tijden een spoor zou uitbijten, een eigen herkenbaar teken: dat van een beeldhouwer"

Het is slechts een korte schets, welke Ossip Zadkine ons hierboven van zijn leertijd en ontwikkelingsgang geeft. Hij wil beeldhouwer worden, met heel zijn ziel. Maar noch de Academie in Londen, noch die in Parijs geven hem wat hij zoekt. Wat zoekt hij? Zadkine is het zichzelf misschien nog niet bewust. Maar de versleten, niet langer bezielde academische vormen, de opgave iets te moeten maken, dat alleen bevrediging kan schenken aan een oppervlakkig schoonheidsverlangen, benauwt hem. Hij gruwt er van en van de ijdelheid, van de behaagzucht. Dan leert hij Frankrijk, Parijs kennen.

Maar niet door zijn leraren en professoren op de Academie leert Zadkine Parijs kennen. Het zijn z'n kameraden, jonge kunste- naars als hij. Zij openen hem, de Russische jongeman, de ogen voor de schoonheid der oude kathedralen, voor de kunst van de naamlozen uit de middeleeuwen, de steenhouwers en houtsnijders. Hij zoekt de waarheid, de werkelijkheid en hij verlaat de Academie, ontvlucht een omgeving van verstarring en illusie, om naar zichzelf te luisteren, zichzelf te zoeken, "ondergedompeld in het ijzige bad der vrijheid", zoals Zadkine het noemt.
Want vrij zijn. dat betekent alleen staan en vrij kan Zadkine eerst zijn, wanneer hij de knellende banden der traditie verbreekt. Zadkine beseft, dat het moeilijk zal zijn een eigen weg te banen, maar deze zelfverkozen eenzaamheid weegt hem minder zwaar,dan het verlaten gevoel, waaronder hij op de Academie gebukt ging. Hij betrekt een klein atelier en bindt de strijd aan met het stugge materiaal - steen en hout.

In de eerste periode van zelfstandig werken, welke periode samenvalt met zijn jeugd- en leerjaren, keert Zadkine, als elke kunstenaar, die beu is van de in zwang zijnde stromingen, zich tegen de heersende tradities. In de kunst van primitieve volken, van de negers, meent hij de waarheid te hebben gevonden, die hij zoekt. Dit is niet zo vreemd, als het op het eerste gezicht mag lijken. Immers, de neger sculpturen dienen niet in de eerste plaats als kunstuiting te worden beschouwd, dan wel als een getuigenis van een sterk bewust innerlijk leven. De tot traditie geworden beeldhouwkunst van zijn eigen tijd, met zijn verstarde, onbezielde gebaren - vlees zonder skelet - heeft hem niets meer te zeggen. Zoveel te meer echter de uitingen, die onmiddellijk aan een verbeeldingsrijke volksziel zijn ontsproten.

In deze periode koesterde hij een grote bewondering voor Auguste Rodin (1840-1917). Hij werd daarnaast - zoals zovelen van zijn tijdgenoten - beïnvloed door de Afrikaanse negerkunst, terwijl ook het in de schilderkunst opkomende kubisme veel indruk op hem maakte.

Zadkine werd diepgaand door de primitieve kunst beïnvloed. Hierdoor krijgen zijn beelden een intuïtief, enigszins volks karakter. Zoals de primitieve kunstenaar begint ook Zadkine bij het materiaal zelf en vanuit de grondvorm en de structuur van het blok gaat hij de menselijke figuur herscheppen. Voorontwerpen maakt hij zelden. De vervorming en abstrahering ontstaan in een organisch proces, in direct contact met de materie. Een concreet raakpunt met de primitieve sculptuur is de combinatie van grafische elementen, bijvoorbeeld in de weergave van het gezicht en de handen, op het vlakke blok. Zadkines gevoelsmatige verwerking van de kubistische taal is sterk verwant met de stijl van Permeke in de jaren twintig.

Samen met Archipenko slaagde hij er in de kubistische ideeën over te brengen op zijn beelden.

1911 Exposeert voor het eerst op de Salon des Independants en de Salon d'Automne.

In 1912 verhuisde Zadkine naar de rue de Vaugirard in Montparnasse. Daar ontmoette hij via zijn vriend Modigliani Picasso, Matisse, Léopold Survage, Apollinaire, maar ook Brancusi, Lipchitz, Bourdelle en Delaunay.

De verzamelaar Paul Rodocanachi stelde hem in 1914 in staat een atelier in de rue Rousselet te huren.

Uit zijn eerste periode dateren zijn "Job" (1914), thans te Antwerpen, en zijn "Propheet" (1918). De hoogopgerichte gestalte met zijn in de verte schouwende blik vertoont sterk de invloed, die Zadkine van de kunst der negers heeft ondergaan. Maar tezelfdertijd draagt dit werk een zeer persoonlijk stempel. Uit dezelfde tijd dateert het "Hert" (1918) dat deel uitmaakt van de collectie Regnault in het Stedelijk Museum te Amsterdam. Het is als de oervorm van alle herten, gespannen in al zijn vezelen, met opgeheven kop de lucht opsnuivend, alsof er een vaag, onbekend gevaar dreigt. Zijn massale poten drukken kracht en onverzettelijkheid uit, stevig staan zij geplant op de aarde, in de werkelijkheid, met wie zij het contact nimmer zullen verliezen.

Het is niet Zadkine's bedoeling, dat wij het materiaal zoveel mogelijk vergeten; hij wil niet, dat het hout, de steen, een illusie zou wekken van vlees. Voor hem sluimert de vorm, waarin hij hetgeen hem beweegt of ontroert wil uitdrukken, reeds in het stuk hout of in het brok steen, dat hij met zorg heeft uitgezocht. Wat hij doet, is slechts die sluimerende vorm ook zichtbaar te maken.

De boomstam is voor hem reeds beeld, en het beeldhouwwerk blijft alle karakteristieken behouden van de stam, waarin het beeld eens besloten was. Zijn werken zijn schoon in hun ruwe staat, ze worden schoner nadat Zadkine ze begeesterd heeft.

Osip Zadkin - inmiddels verfranst tot Ossip Zadkine - was van augustus 1914 tot 1917 Tijdens de 1ste wereldoorlog als verpleger (hospik) en tolkvertaler vrijwilliger in het Franse leger. Tijdens een gewondentransport in 1916 werd Zadkine in de Champagnestreek gewond door gifgas. Na een langdurige behandeling in het ziekenhuis in de buurt van Epernay werd hij in oktober 1917 afgekeurd en keerde hij terug naar Parijs. Na de oorlog legde Zadkine zijn frontervaringen neer in een aantal etsen, die scherp geaccentueerd waren.

ca 1918 genaturaliseerd Fransman.

In Zadkines vroege beeldhouwwerken overheersen gesloten vormen, zoals bijvoorbeeld te zien is aan zijn 'Moeder en kind' (1918).

In juli 1918 vertrok Zadkine naar Bruniquel, een plaats bij Montauban, waar hij zowel in hout als in steen beeldhouwde.

Op 7 juli 1920 trouwde Zadkine met de Frans-Algerijnse schilderes Valentine Prax (1897-1981), die hij een jaar eerder als buurmeisje had ontmoet. In hetzelfde jaar hield Zadkine een tentoonstelling in zijn atelier op Rue Rousselet 35. Hij exposeerde 49 beelden, 30 aquarellen en 30 tekeningen. Pas na deelname aan de exposities Oeuvres cubistes et neo-cubistes van het tijdschrift Sélection. Chronique de la vie artistique in Antwerpen en Brussel in 1920 kwam de verkoop van werken op gang. Dit kwam mede door André de Ridder, een van de voormannen van de Galerie Sélection, die Zadkine in België en Nederland promootte. Enkele jaren later kon Zadkine een huis kopen in Caylus, een plaats bij Bruniquel.

1921 Solotentoonstelling in galerie Barbazanges.

Het kubisme interpreteerde hij op een eigen manier. In de jaren twintig ontwikkelde hij zijn dynamische, geometrische stijl, afgeleid van het analytisch cubisme.

Voor het eerst werd zijn kunst met een zekere regelmaat in Parijs, en in het buitenland geëxposeerd. Zo organiseerde in 1923 de Utrechtse kunsthandel Gerbrands zijn eerste kleine expositie in Nederland.

In zijn verdere ontwikkeling begint Zadkine de invloed van de primitieven, van de negers, zoals die lot uiting kwam in de Propheet en het Hert, te verliezen. Hij gaat meer in steen werken, in graniet. Zijn figuren krijgen een meer meetkundig, mathematisch karakter, cubistisch, als men het zo noemen wil, opgebouwd uit elkaar snijdende vlakken. Ze hebben iets architectonisch, de werken uit deze periode. Een sculptuur als de "Harmonicaspeler" (1926) doet in de eerste plaats wel aan een bouwwerk denken. Massaal rijst de figuur van de accordeonist voor ons op. Verticale en horizontale lijnen beheersen het geheel, niet verstoord door overbodige details. Nog steeds wordt Zadkine's werk vooral door een statisch karakter gekenmerkt.

Zadkine trachtte de vorm die het te gebruiken materiaal (vaak hout, maar ook steen) al had, zoveel mogelijk onaangetast te laten, bijvoorbeeld in 'Rebecca' (1927).

In 1928 verhuisde Zadkine naar een atelierwoning achter de huizen van de rue d'Assas 100b.

Op het einde van de jaren twintig wordt het werk van Zadkine bewogener. In plaats van het gebruik van verticale lijnen en geometrische vlakken, die zijn grote rechtopstaande figuren kenmerken, keert Zadkine terug naar meer horizontaal gerichte en driedimensionaal uitgewerkte beelden. De eenheid van het beeld wordt niet meer verkregen door de geslotenheid van de vorm maar door het harmonisch toepassen van concave en convexe vormen, die een subtiel lichtspel mogelijk maken.

Na een moeilijke beginperiode, waarin Ossip Zadkine onvoldoende geld had om zijn werk in brons te laten gieten en noodgedwongen in steen of hout hakte (enkele terracotta-beelden niet meegerekend), brak rond 1930 de tijd aan dat het hem financieel beter ging. De beweeglijke, lyrische beelden die rond 1930 ontstonden, waren ver verwijderd van de streng geometrische sculpturen van rond 1920. Voor zijn nieuwe beelden in brons hanteerde Zadkine een geheel andere werkwijze. Op een geraamte van ijzerdraad bracht hij gips aan, dat vervolgens zorgvuldig werd bewerkt. Steeds ingewikkelder werden deze constructies, die na de Tweede Wereldoorlog zelfs een barok karakter kregen. Niet langer nam de beeldhouwer iets van de hoofdvorm af door te hakken of te snijden, daarentegen voegde hij vormen aan de kern toe: armen, benen, een paar takken of een muziekinstrument. Want musici en ook harlekijns bleef Zadkine tot ver in de jaren vijftig weergeven. Voor het eerst kon hij ‘in serie' bronzen beelden maken, hoewel het aantal gietsels van een beeld meestal tot twee of drie exemplaren beperkt bleef.

1931 Reis naar Griekenland.

In 1933 had Zadkine zijn eerste solotentoonstelling in het Palais des Beaux Arts te Brussel. Behalve 139 beelden werden er 123 gouaches tentoongesteld. Door het succes kon hij een huis kopen in Les Arques, Lot-et-Garonne.

Zadkine blijft zoeken. De eenmaal ingeslagen weg die naar waarheid en werkelijkheid moet leiden, blijft hij volgen nu hij het spoor gevonden meent te hebben. Zijn werk werd steeds hoekiger, en hij gaat een soort gesyncopeerde beeldhouwtechniek toepassen, een afwisseling van holle en bolle vlakken. Hij bereikt daardoor een grotere beweeglijkheid. Het statische karakter maakt plaats voor een nog niet gekende dynamiek. Die afwisseling van vlakken, beurtelings bol en hol, veroorzaken een ongemeen boeiend spel van licht en schaduw, een spel, dat als het ware het hoofdmonument is in de werken uit deze periode. In deze ontwikkelings-phase van Ossip Zadkine ontstonden werken als 'De beeldhouwer' (1933), de "Musicerende vrouwen" (1935), 'Het tuinbeeld' (1936) en het "Concert" (1937).

Dat de ontwikkeling van de kunstenaar niet in een rechte lijn gaat, dat de ene periode niet plotseling overgaat in een volgende, kan men zien in een werk als de "Torso" (1936) uit het Stedelijk Museum te Amsterdam. Met zijn grote vlakken en architectonische opbouw is het in vele opzichten een herinnering aan de cubistische phase in Zadkine's ontwikkeling. Maar tevens draagt het alle kenmerken van een verdere ontplooiing, van een verder voortschrijden op de eenmaal gekozen weg. Het heeft niet meer dat harde, dat geometrische.

In 1937 bezocht Zadkine New York, waar een expositie van zijn werken werd gehouden in de Brummer Gallery.

1938 Langdurig verblijf in New York.

In 1941 kreeg hij van Amerikaanse vrienden een overtocht aangeboden. Voor een visum om door Spanje te reizen betaalde Zadkine met een gouache op het Spaanse consulaat te Marseille. Op 21 juni 1941 vluchtte Zadkine voor de Duitse bezetter vanuit Les Arques via Lissabon naar Amerika, New York. Zijn vrouw bleef achter in Frankrijk, waar zij hulp ontving van Jacob de Graaff.

In maart 1942 exposeerde Zadkine samen met veertien andere gevluchte kunstenaars (Artists in Exile), waaronder Max Ernst, Marc Chagall, Fernand Léger, Piet Mondriaan, Amédée Ozenfant, Jacques Lipchitz, bij Pierre Matisse, de zoon van Henri Matisse. Van 1941 tot 1945 leefde Zadkine in Arizona en New York, maar keerde daarna naar Parijs terug.

1943 'De Gevangene'
Zadkine is er zich van bewust, dat een consequent volgen van de ingeslagen weg naar het cubisme hem op een dood spoor zou hebben geleid. Kunnen werken als "Diana" (1939) en de "Boodschapper" uit hetzelfde jaar als een afsluiting van de vooroorlogse periode worden beschouwd, de "Gevangene" (1943) toont ons duidelijk hoezeer Zadkine aangegrepen is door de verschrikkingen van de oorlog en zijn concentratiekampen. Zadkine is dan in Amerika, ver van het toneel van de onmiddellijke strijd. Een vrouw achter de zware tralies van de gevangenis. Verlangend kijkt zij naar buiten, naar de vrijheid. Haar handen omklemmen de tralies, die zij uiteen zou willen rukken. Dacht Zadkine toen aan zijn eigen vrouw, die in Frankrijk was achtergebleven ? Wat was er van haar terechtgekomen, was zij nog vrij of deelde zij het lot van zovelen, die door de wrede tirannie in de kerkers waren geworpen? Het is vooral deze "Gevangene", waarin Zadkine er in geslaagd is het gebeuren van eigen tijd, dat hem zo sterk heeft bewogen, in beeld te brengen. Zo is dit werk niet alleen geworden het lijden en verlangen van één gevangene, maar van heel een gekluisterd volk.

In 1944 ontstaat de "Dromer", de liggende torso, waarop het half-bewustzijn van de droom zijn grillige en onnaspeurbare figuren heeft gekrast. Zoals de droom - tijdloos en toch begrensd - ons soms kan raken. Lijnen en figuren, die een onbegrepen taal spreken, maar toch soms hun betekenis hebben, zoals de droom.

1945 Terugkeer naar Parijs. Na jarenlange rechtzaken kon Zadkine zijn huis in de Rue d'Assas 100 bis weer betrekken. Tot 1958 gaf hij beeldhouwles aan de Académie de la Grande Chaumière te Parijs. De Nederlander Jan Wolkers was in 1957 een van zijn leerlingen.

Geïnspireerd op de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog, toen hij in Amerika verbleef, kwam een aantal bronzen tot stand waarin een haast barokke bewogenheid tot uitdrukking is gebracht en de oorspronkelijk gesloten vormen opengebroken werden.

1949 Overzichtstentoonstelling in het Musee National d'Art Moderne, Parijs.

1950 Ontvangt een belangrijke prijs op de Biennale van VEnetie.

1951-1953 Herdenkingsmonument De verwoeste stad voor Rotterdam.
Het beroemde oorlogsmonument 'De verwoeste stad' (1951-1953) in Rotterdam is kenmerkend: het meer dan levensgrote beeld met zijn expressieve, hoekige vormen, open ten hemel geheven armen en een groot gat op de plek waar het hart zou moeten zitten, is een treffend symbool voor de wanhopige stad zonder hart, die Rotterdam na het bombardement van 1940 was. Zadkine beschouwt dit Rotterdamse monument als zijn voornaamste schepping. Wat dit betekent kan men nagaan als men weet dat hij opdrachten kreeg uit heel de wereld en dat zijn beeldhouwwerken te bewonderen zijn in de Verenigde Staten, in Zuid-Amerika, alsook in vele Europese landen. ,,Door de opdracht uit Rotterdam werd ik in staat gesteld het beste te geven, dat in mij is. Andere voorbeelden van deze kubistisch-expressionistische stijl zijn 'Orpheus' (1949), 'Ontkieming' (1951) en 'Pieta' (1952).

La ville détruite (De Verwoeste Stad) 1951
650 cm hoog, Brons

Ossip Zadkine was in 1947 op bezoek in Deurne bij zijn Nederlandse vriend de arts-schilder Henk Wiegersma. Tijdens dat verblijf reed Zadkine met de trein door het na-oorlogse Rotterdam. De grote lege ruimte van het nog steeds gehavende hart van de stad, dat in mei 1940 door de Duitsers was gebombardeerd, maakte diepe indruk op hem: Ik zag een stad zonder hart. Ik zag een krater in het lichaam van een stad [...] Van het station af strekte zich een onmetelijke woestenij uit, zover de blik reikte. [...] Het was alsof mij een film ontrold werd, een verbijsterende film over de morgen na de ramp die mijn eigen nood van die zes jaren mij had doen vergeten. Een zwart geblakerde en opengescheurde kerk rees daar omhoog als de kies van een voorhistorisch dier, door een vulkaan uitgespuwd. Nog dat zelfde jaar, terug in Parijs, maakte hij een 1.20 meter hoge kleisculptuur getiteld 'Verwoeste stad'. Dit beeld ging echter tijdens het retourtransport na een expositie in Berlijn verloren. Maar de herinnering aan het verwoeste Rotterdam bleef hem achtervolgen. In 1948 exposeerde hij in het Stedelijk Museum te Amsterdam een nieuwe gipsen versie van een gedeformeerd lichaam dat zich met een afwerend, smartelijk gebaar opricht naar de hemel, in een uitdrukking van angst en woede. In 1949/50 werd het in Museum Boymans geëxposeerd. en het was de directeur van het warenhuis de Bijenkorf die besloot om een nog grotere versie in brons aan de stad Rotterdam te schenken. Tijdens de wederopbouw in 1956 kreeg 'het beeld zonder hart' een plaats in het nieuwe centrum bij de Leuvehaven. De reacties waren verdeeld: te macaber om nog mooi te kunnen zijn [...] een in hysterische razernij verminkt menselijk lichaam [...] moet mijn stad verlamd worden door deze 6 meter hoge bezetene? (de directeur gemeentewerken in 1950). Positiever klonk: dit beeld deed een groot deel van de bevolking zijn vooroordeel tegen de moderne kunst opgeven, nog nooit heeft een openbaar monument zoo'n sterke invloed uitgeoefend ( A.M. Hammacher).
Als een Phoenix rijst het expressieve monumentale lichaam op, met de zware gebogen maar krachtige benen, de gedraaide tors met een gat op de plaats van het hart, de uitgestrekte armen en handen met gespreide vingers ten hemel gericht en opengesperde mond die een luide kreet of klacht doet vermoeden.
Documenta II, Kassel.

Rond 1960 liet Zadkine de gesloten vorm helemaal los en maakte hij verschillende opengewerkte beelden. In Nederland kreeg zo'n beeld in het voorjaar van 1968, enkele maanden na Zadkine's dood, een plaats tegen de gevel van het hoofdkantoor van de Nederlandse Bank.

Een van zijn laatste werken is het monument ter ere van Vincent en Theo van Gogh, dat in 1964 in hun geboorteplaats Zundert werd opgericht.

Zadkine stierf op 25 november 1967 te Neuilly sur Seine, nabij Parijs, en werd begraven op het kerkhof van Montparnasse. In 1982 werd een jaar na de dood van Zadkines vrouw, de schilderes Valentine Prax, de woning als Musée Zadkine, een van de 'Musée de la ville de Paris', door de burgemeester van Parijs, Chirac, geopend.

Valentine Prax (1897-1981) genoot zelf als schilderes internationale erkenning, o.a. ook in Nederland. Toch wordt zij in de talrijke publicaties over Zadkine vooral gezien als zijn steun en toeverlaat op de achtergrond. Valentine Prax, geboren en getogen in Algerije, dochter van Franse ouders, verhuisde in 1919 naar Parijs. Van 1890-1967 is ze echtgenote geweest van Ossip Zadkine. Opleiding: Ecole des Beaux-Arts, Algiers

De belangrijksten van zijn Nederlandse studenten in parijs zijn: Wessel Couzijn, Lotti van der Gaag, Shinkichi Tajiri en Jan Wolkers. Andere leerlingen zijn Leraar van Emil Cimiotti, A. Greebe, Willy van der Putt. Schrijver Simon Vinkenoog stond om geld te verdienen in 1948 model bij Zadkines academie.

Websites: www.zadkine.com www.engelfriet.net


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 37.