kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 01-12-2008 voor het laatst bewerkt.

Otto Dix

Otto Dix (1891-1969)

Otto Dix, Duitse Schilder en Graficus,

Otto Dix experimenteerde met het kubisme, het expressionisme en Dada, maar keerde terug tot het gebruik van traditionele stijlelementen uit de Duitse Renaissance. Samen met George Grosz wordt hij als belangrijkste representant van de Duitse Nieuwe Zakelijkheid, neue-sachlichkeit, gezien. Kenmerkend voor zijn werk is een vaak politiek en sociaal gericht realisme met satirische inslag.

Leerling van Max Feldbauer, Richard Guhr, Otto Gussmann, Wilhelm Herberholz, Heinrich Nauen, Max Rade, Johann Nikolaus Türk,
Invloed op Dieter Asmus, Volker Böhringer,

Biografie.
Otto Dix werd 2 december 1891 geboren te Untermhaus (Thüringen).

Dix ontwikkelde al vroeg zijn tekentalent, aangemoedigd door zijn leraren. Desondanks volgde hij de raad van zijn vader op en volgde van 1905 tot 1909 een opleiding van vier jaar tot decoratieschilder in een decoratiewerkplaats te Gera.

Van 1910 tot 1914 studeerde hij aan de kunstnijverheidsschool van Dresden, waar hij in 1927 zelf docent werd.

Dix woonde tot 1933 in Dresden, met verschillende onderbrekingen. Daarna bezocht hij Dresden tot 1943 en van 1947 tot 1966 jaarlijks.
1912 Mähren Bohemen
1913 studiereizen naar Oostenrijk en Italië.

Zijn vriendschap met Meidner leidde bij hem tot expressionistische vormelementen. Maar het waren twee anderen die zijn werk de beslissende artistieke impulsen gaven. In 1912 zag hij een tentoonstelling met werken van Van Gogh en in de zomer van datzelfde jaar reisde hij naar Italie waar hij kennis maakte met het werk van de futuristen. In zijn vroege werk is ook de invloed van Kokoschka duidelijk zichtbaar. Onder invloed van Van Gogh werd zijn penseelvoering dynamischer, maar het was vooral de voor het futurisme typerende kubistische vormversplinteren dat voortaan in het werk van Dix zou optreden.

Met de belangrijkste vertegenwoordigers van het expressionisme, Die Brucke in Dresden, Der Blaue Reiter in Munchen of Macke in Bonn, had Otto Dix geen enkel contact. De werken van Die Brucke uit Dresden kende hij natuurlijk wel, maar hadden geen enkele invloed op zijn werk.

Eerste Wereldoorlog
Europa, augustus 1914. Het lijkt wel een andere planeet. Jonge kunstenaars trekken enthousiast naar de oorlog en melden zich als vrijwilliger om er het zogenaamde 'echte leven' te leren kennen. Zo ook Otto Dix in Dresden, Duitsland. Hij is dan toch al 23 jaar maar zoals velen bedwelmd door de media en door de overheersende stromingen in het kunstenaarswereldje. De expressionisten verkondigen dat ze in de oorlogstaferelen kleuren en vormen vinden die ze zelf niet kunnen bedenken. De futuristen gaan nog verder en verheerlijken de oorlog zelfs als opperste kunstvorm. Ze zijn uiterst zeldzaam, de kuntenaars als John Heartfield, Frans Masereel of Vladimir Majakovski, die tégen deelname aan de oorlog zijn.

In alle deelnemende landen begint de Eerste Wereldoorlog als een feest. Nationalisme en chauvinisme hebben de geesten zodanig verdwaasd dat de grote massa's denken met een flinke en korte oorlog eens orde op zaken te kunnen brengen in Europa en de wereld. De bourgeoisie in de verschillende Europese landen - Duitsland, Frankrijk, België, Groot-Brittannië, Rusland, Oostenrijk, Italië - kon de oorlog slechts ontketenen toen de grote arbeiderspartijen zich aan haar kant schaarden. Er is massaal kanonnenvlees nodig voor dergelijke oorlog en daar moesten de socialistische leiders voor zorgen. Wat ze, zoals de Belgische Emile Vandervelde die ook nog chef van de Socialistische Internationale was, ook plichtsgetrouw deden. Slechts enkele kleine marxistische groepjes blijven zich tegen de oorlogswaanzin en het imperialistische karakter ervan verzetten: de bolsjewieken onder Lenins leiding in Rusland en de spartakisten met Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht in Duitsland.

Het feest duurt niet lang. Vanaf 1915 reeds komt de ommekeer. Het wordt duidelijk wat soort helse barbarij deze oorlog is. De verschrikkingen van de loopgravenoorlog en de massaslachtingen zijn een harde leerschool. Veel artiesten hebben vrienden weten en soms zien sneuvelen of verminkt worden. Zo ook Otto Dix, die vier volle jaren de hel meemaakt aan de fronten zowel in Frankrijk als in Rusland. Ook bij hem groeit er een grimmige wrok tegen het kapitalistische bestel dat dergelijke barbarij voortbrengt en mooipraat.

Maar in alle oorlogvoerende landen heerst een terreurregime en oorlogsdictatuur met strenge censuur en de grofste medialeugens. Kunstenaars die steeds meer tégen de oorlog zijn moeten hun woede en walging tegen de oorlog en het systeem opkroppen. Eens de oorlog voorbij wordt het in de meest wrange vormen weer artistiek uitgebraakt.

De Eerste Wereldoorlog 1914-1918 bracht otto dix door in het leger, waarvoor hij zich vrijwillig had aangemeld. Zijn enthousiasme was er voordat men de verschrikkingen van de oorlog aan den lijve had ondervonden. Otto Dix schildert zichzelf in 1915 nog als Mars, de oorlogsgod. In de loop van de oorlog echter vinden we in zijn werk motieven van ontploffende granaten, uiteengerukte soldatenlijken en door bomtrechters omwoelde verwoeste landschappen. Dix diende gedurende vijf jaar als artilleriesoldaat in Vlaanderen, in de Ardennen en in Rusland. Hij maakte in deze periode veel tekeningen.

Otto Dix maakte werk dat beïnvloed was door de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog en de economische en politieke nasleep ervan. De verschoppelingen, bedelaars, prostituees en alcoholisten in zijn schilderijen verbeelden de slechte situatie waarin Duitsland tussen WO-I en WO-II in verkeerde. Samen met Grosz en Heartfield bedreef Dix een tegelijkertijd absurdistische en politiek geëngageerde ‘oorlogskunst' die naast schilderijen ook tekeningen en collages opleverde. "Geen mens zal het zien. Ja wat moet dat dan ook allemaal… Die ouwe hoeren en die ouwe afgetakkelde wijven en al die zorgen om het leven…. Geen mens heeft daarover vreugde. Geen galerie zal het willen ophangen. Waarom schilder je eigenlijk nog"

Na de oorlog
1918 Otto Dix studeert weer en wel aan de Kunstacademie van Dresden.

Otto Dix behoorde tot de oprichters van de Neuer Dresdener Secession Gruppe in 1919. Hij wordt ook politiek actief. In 1919 wordt hij lid van de Novembergruppe, een artiestencollectief ontstaan in de progressieve sfeer van de novemberrevolutie in Duitsland in 1918.

1919-1922 vervolgt zijn studie aan de Kunstacademie van Dresden. Tegelijkertijd gaf hij zijn expressieve vormentaal op.

Onder invloed van het Dadaisme betrekt hij nu de collagetechniek in zijn werk. De fragmenten uit de realiteit, stukjes krant, speelkaarten of bankbiljetten, geven de scenes met kreupele oorlogsslachtoffers een roter werkelijkheids- en waarheidsgehalte.

In 1920 nam dix deel aan de Eerste Internationale DADA-messe in Berlijn. Terwijl hij zich al bewoog in belangrijke kunstenaarsgroepen studeerde Otto Dix ook gewoon door aan de academie.

1920 Brussel))
De ‘herinnering aan de spiegelzaal' dateert van Dix' oorlogsjaren, toen hij als soldaat de Brusselse bordelen bezocht. Het Eros- en Thanatosmotief en het bordeel treden in dit schilderij op als een metafoor voor de kapitalistische maatschappij waar de zwakken door de sterkeren worden geëxploiteerd. Het onderwerp is typisch expressionistisch, en wordt ons hier letterlijk in een spiegel voorgehouden. De kubofuturistische compositie, de grafische manier van schilderen en de karikaturale voorstelling verraden nog de invloed van George Grosz en de Berlijnse dadabeweging.

Düsseldorf 1921 - 1925
eerste bezoek in 1921, vanaf 1922 woonachtig in Düsseldorf. In 1922 sloot hij zijn studie aan de Kunstacademie Dresden af.

Van 1922-1924 heeft otto dix veel contact met de jonge kunstenaarsgroep rond galeriehoudster Johanna Ey in Dusseldorf, die zich later Rheinische expressionisten zouden noemen.

De oorlogservaringen in Frankrijk, Vlaanderen, Polen en Rusland gedurende de Eerste Wereldoorlog zijn fundamenteel voor Dix' nieuwe oriëntering na de oorlog. Op rauwe en cynische wijze schildert hij in satirische doeken de gevolgen van de oorlog: kreupelen en verminkten, waanzin, sociale ellende en uitbuiting.
Aanvankelijk nog beïnvloed door expressionisme en Dada, begint hij reeds in 1921 realistischer te schilderen. De collagetechniek, die hij gedurende korte tijd gebruikt, laat hij achterwege en ook de satire verdwijnt. Hij schildert de mens in zijn lelijkheid, zijn domheid en zijn wreedheid, maar, zoals André de Ridder in 1924 in Sélection schrijft, 'met veel barmhartigheid, met een vastberaden en rustige stoutmoedigheid, zonder drukte, uit plicht, zonder afschuw of welbehagen, enkel gedreven door medelijden, zelfs niet door verachting of haat'.

In 1915 begon hij met tekeningen uit de oorlog die in 1924 een definitieve vorm kregen in zijn beroemde grafiekmap Der Krieg. Hier geen dadaïstische spot meer, maar bloedige ernst.

1923 - 1924 verblijf in Italië en Sicilië

Berlijn 1925 - 1927

Neue-Sachlichkeit
In 1925 neemt hij deel aan de tentoonstelling neue-sachlichkeit in de Kunsthalle van Mannheim.
Neue Sachlichkeit, een tendens die in het Duitsland van de Weimarrepubliek een korte maar hevige bloeiperiode kende. De term ‘ Neue Sachlichkeit ' – ontleend aan een gelijknamige tentoonstelling die plaatsvond in de Kunsthalle Mannheim – verwijst naar een nuchtere en zakelijke kunst die, ondanks haar verisme en objectivisme, toch vooral gekenmerkt wordt door een cynische, bijwijlen karikaturale benadering van de sociale werkelijkheid. Will Grohmann noemde Grosz en Dix dämonische Realisten.

Otto Dix en Grosz werkten ten tijden van het Bauhaus. Het Bauhaus omvatte vele artistieke stijlen voor het realisme was echter bijna geen plaats. Desondanks wisten George Grosz en Otto Dix met de 'Neue Sachlichkeit' (Nieuwe Zakelijkheid) een belangrijke positie in te nemen in Weimar-Duitsland. Beide kunstenaars maakten werken die beïnvloed waren door de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog en de economische en politieke nasleep ervan.

Dix' geliefkoosde onderwerp is echter het vrouwelijk naakt, dat gedurende zijn ganse loopbaan terugkeert. De vrouw is voor Dix geen ideaal model. Hij observeert, in de traditie van Cranach, het verouderingsproces van vrouwen, met een pijnlijke precisie die geen enkel teken van verval schuwt. Opvallend in deze context is ook de reeks tekeningen van de geboorte van zijn eerste zoon Ursus uit 1927.

in 1927, kreeg dix een professoraat aangeboden van de kunstacademie in Dresden. Hij vervulde deze functie tot 1933.

Als de politieke organisatie Novembergruppe steeds meer in het vaarwater komt van de sociaal-democratie wordt Dix in 1928 mede-oprichter van de ARBKD, een artiestenbond onder leiding van de communisten. Dit politieke engagement heeft ook artistieke gevolgen. Het verzet tegen het systeem is principieel: dit kapitalisme moet wég! Dit vertaalt zich in een kunststijl die ook de leugenachtige mechanismen en de verrotte hypocrisie van dit systeem blootlegt. De meeste communistisch en socialistisch geëngageerde kuntenaars kiezen vooral voor de stijl en techniek van het messcherpe realisme: de ' Neue Sachlichkeit ' ( nieuwe zakelijkheid ). Otto Dix is er een van de grondleggers en grootste meesters in. Geen pogingen om mooie plaatjes te maken. Ook niet om grote, verheven gevoelens of ideeën uit te drukken zoals de expressionisten. Het publiek wordt een spiegel met uitvergrotend effect voorgehouden. De bourgeoisie ziet zichzelf in de exposities en galerijen, letterlijk in al haar naaktheid die lelijk is. Dit is het antwoord op de smeerlapperij van de Eerste Wereldoorlog.

Zijn oorlogsherinneringen zouden eind jaren twintig aanleiding geven tot een van zijn belangrijkste triptieken, 1929-32),

1931 lid van de Pruisische academie der Kunsten.

In 1933 komen de Nazi's aan de macht en wordt Zijn werk werd ' entartet ' verklaard. Dix krijgt een expositieverbod opgelegd en wordt uit de Pruisische Academie van Schone Kunsten gestoten.

1933 verblijf in Hegau
1935 verblijf in Venetië

In de aanloop tot de Entartete Kunst-tentoonstelling in Munchen (1937) haalden de nazi's 260 werken van Dix uit de Duitse musea. Het bewijst dat Dix' werk al in de jaren dertig goed vertegenwoordigd was in publieke collecties.

Singen 1936 - 1969
In tegenstelling tot Grosz en Beckmann, die later uitweken naar de Verenigde Staten en er na de oorlog een markt voor hun oeuvre wisten te creëren, koos Dix voor een innerlijke ballingschap aan de Bodensee, Hemmenhofen. "Ik ben verbannen naar het landschap" Hier greep hij terug naar technieken en thema's van oude Duitse meesters als Cranach, Grünewald en Caspar David Friedrich. Zijn naakten, landschappen en religieuze thema's hebben niet meer de kritische instelling en de visuele impact van zijn expressionistische tekeningen. Als ontaarde kunstenaar had Dix er alle belang bij de autoriteiten niet voor het hoofd te stoten. Met De triomf van de dood verbond hij een belangrijke zestiende-eeuwse traditie met de gruwelen van zijn tijd. In het aanschijn van de Tweede Wereldoorlog keerde hij opnieuw terug naar zijn vroegste oorlogsherinneringen. Terwijl ze in het vroege werk een narratief en anekdotisch karakter hadden behouden, kregen ze nu door de relatie met de westerse kunstgeschiedenis een mythische dimensie.

In 1939 wordt hij nog gearresteerd vanwege vermeende deelname aan een aanslag op Hitler en worden zijn als ontaard betitelde schilderijen verbrand.

1940 verblijf in Bohemen
1942 verblijf in Bohemen

In 1943 begint hij aan zijn Primamalarei, een nieuwe schilderstechniek.

Als 54-jarige wordt hij in 1945 nog ingezet in de Volkssturm - het reserveleger van knapen en opa's dat de nazi's als laatste strohalm op de been zetten. Hij wordt krijgsgevangen genomen in de buurt van Colmar, Frankrijk.

In 1946 vestigt hij zich opnieuw in zijn geboortestreek Dresden, in de DDR.

Na de oorlog minder heftig expressionisme in vooral landschappen, portretten en religieuze thema's.

Otto Dix kon weer aan de slag als leraar. In 1950 werd hem een professoraat aan de kunstacademie van Düsseldorf gegund.

1959 Cornelius-prijs van de stad Düsseldorf en het Grosche Bundesverdienstkreuz.
Verschillende reizen naar Frankrijk en Italië in de jaren zestig
1962 gastdocent aan de Villa Massimo, Rome.
1964 erelid van de Accademia delle Arti del disegno, Florence; Eremedaille Carl von Ossietzky.
1966 Lichtwark-prijs van Hamburg en de Martin Andersen Nexo-prijs van de stad Dresden.
1967 Ernst Thoma prijs van het land Baden-Wurttemberg.
1968 erelid van de kunstacademie van Karlsruhe.

gestorven: 25 Juli 1969 Singen.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 4692.