kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 16-05-2011 voor het laatst bewerkt.

Paul Delvaux

ochtendgloren, juli 1937

Belgische kunstschilder, geboren 23 september 1897 te Antheit – overleden 20 juli 1994 in Veurne.

Paul Delvaux, die vaak werd en wordt geschaard onder het Belgische surrealisme, vond deze benadering van zijn werk te eng, te formalistisch en vooral te oppervlakkig en noemde zijn werk liever "een poëtisch realisme".

Het werk van Delvaux valt moeilijk te doorgronden, eerst omdat de schilder zich zelf zelden heeft uitgelaten over de door hem gebruikte motieven en deze dan nog voor velerlei uitlegbaar bleven. In zijn 'bovennatuurlijke', schijnbaar realistisch geschilderde, maar mysterieuze en onwerkelijke voorstellingen dwalen vrouwelijke naakten met grote droomogen rond in ruïnes van de klassieke architectuur. Zijn naakten lijken op slaapwandelaars en zijn vaak vergezeld van stilstaande locomotieven, skeletten, halve manen en spiegels. Delvaux schilderde bijvoorbeeld ook menselijke skeletten, ouderwetse treinen en wagons, stations en klassieke gebouwen. Later combineerde hij bijvoorbeeld elektriciteitspalen tussen Griekse tempels als deel van een droomwereld, die ondanks haar realistische aard vervreemdend aandeed.

Nadat hij de invloed had ondergaan van Dalí, de Chirico en Magritte, ontwikkelde hij zijn eigen stijl die een speciale betrokkenheid bij de factor tijd, erotiek en de dood weerspiegelde.

Naast schilderijen vervaardigde hij ook een aantal belangrijke muurschilderingen.

Biografie
Paul groeide op in Brussel als zoon van de gerenommeerde advocaat Jean delvaux. Opgroeiend in een bourgeoisie-familie, kwam Paul veel in contact met muziek. Hij maakte kennis met de muziek van Beethoven en leerde accordeon, piano en orgel spelen. Maar de jonge Paul las ook graag, De Odyssee en Ilias las hij talloze malen (Zijn adoratie voor de Oudheid vind je later in zijn werk terug...). Hij had ook belangstelling voor Jules Verne en speciaal voor de illustraties uit die boeken. Bepaalde figuren, heeft hij letterlijk uit zo'n boek van Jules Verne gehaald.

In de lagere school van St.-Gilles stonden in het muzieklokaal opgezette dieren, vogels en geraamten. Geraamten zouden later tot zijn favoriete onderwerpen gaan behoren. Als kind zag hij ook de eerste elektrische trams en telegraafpalen.

Paul Delvaux volgde de Grieks-Latijnse humaniora aan het Atheneum van Sint-Gillis. Op de middelbare school had hij heel wat moeite met Grieks-Latijn en wiskunde.

In 1916 verliet hij de middelbare school. Hij had geen ambitie om net als zijn vader advocaat te worden. Zijn ouders hadden nog de hoop dat Paul zou gaan studeren aan het Conservatorium en zo een loopbaan in de muziek zou uitoefenen. maar hoewel muziek een belangrijke rol in zijn leven speelde, had Paul meer en meer interesse gekregen voor de schilderkunst.

Zijn moeders vermaningen maakten de toekomst extra beangstigend. Delvaux werd in een bourgeois milieu gekoesterd en beschermd tegen de realiteit van het leven, vooral tegen de vrouwen. Hij ging in afwachting bouwkunde studeren. Zonder enthousiasme schreef hij zich in bij de Kon. Academie voor Schone Kunsten te Brussel, maar kreeg tezelfdertijd een opleiding in het schildersatelier van Contant Montald, net als zijn tijdgenoot René Magritte. Hij zakte dus voor zijn eindexamen.

Gezien hij niet naar de universiteit wenste te gaan, moest hij ergens zijn brood verdienen. Na de vakantie aan zee leerde hij kunstschilder Frans Courtens kennen. Franz Courtens had Delvaux's aquarellen doorgenomen en zei tot Paul's vader dat diens zoon een grote belofte was en aanmoediging verdiende om van het schilderen zijn beroep te maken.

Na heel wat tegenstribbelen waren de ouders bereid hem de eerste drie jaar financieel te steunen zodat hij lessen kon volgen aan de Kon. Academie. Hij was van natuur een eenzaat. Ziekelijk verlegen had hij geen vriendinnen. Van zijn ouders kreeg hij op het einde van zijn studies een waar atelier, die zijn artistieke ontwikkeling in belangrijke mate beïnvloedde.

In zijn beginperiode kwamen eerst de landschappen aan bod, vanaf 1922 stations, marines. In 1924 de attracties van de hoofdstad, al zijn onderwerpen zijn ontleend aan de natuur, niet aan zijn verbeelding.

De geometrie die zo kenmerkend is voor zijn werk, is al duidelijk zichtbaar in de horizontale lijnen van de stations en het rollend materiaal. De rijen straatlantarens en telegraafpalen tot aan de horizon zijn voorlopers van zijn latere herhaling van figuren ten dienste van de perspectief, zoals in 'Stoet in kant' (1936).

Hij werd voor het eerst opgenomen in een groepsexpositie bij "Le Sillon", in 1924. Hij werkte enige jaren in de omgeving van Bosvoorde, naar een permekiaans-expressionistische weergave.

Hij begint zich in te laten met de menselijke figuur. Zijn ouders waren geschokt door zijn naakten.

In 1926 bezocht hij de tentoonstelling "Pittura metafisica" van Giorgio De Chirico waardoor zijn kunstopvatting drastisch zou veranderen.

In het begin was hij niet gevoelig voor het werk van Magritte. Hij begreep de eigenaardigheid niet en hij hield niet van zijn techniek. Op het eind van de jaren twintig was het expressionisme oppermachtig. Gustaaf De Smet's schilderijen oefenen invloed uit, ook die van Permeke (1929) vooral na het C. Permeke-retrospectief in 1930.

In het begin van de jaren '30 was hij niet tevreden met zijn werk, dat hij aan anderen ontleend had. Hij zocht verder naar een eigen expressie. Enkele interessante werken zijn gewijd aan taferelen uit zijn kinderjaren. Velen menen dat Delvaux's grootheid eerder ligt in zijn tekeningen dan in zijn schilderijen. Zijn tekeningen laten de gloed van een plotse geestdrift zien, terwijl zijn doeken uiterst doordacht van compositie en zeer nauwkeurig zijn uitgevoerd.

Vanaf 1930 begon hij lesbische paren te tekenen, dit behelsde geen morele beoordeling, gezien er geen spraak was van enige relatie tussen hen. De lesbische vrouw is tevens het toppunt van vrouwelijke ongenaakbaarheid.

In 1932 zou zijn bezoek aan het "Musée Spitzner" op de "Foire du Midi" in Brussel zijn kunst verder bepalen.

Hij begon met het schilderen van zijn eerste slapende Venus. Er kwam iets artificieels, aangrijpends in zijn werk, mensen in een killige, bijna onaardse atmosfeer die doet huiveren. Een vreemdheid op aangrijpende wijze verscherpt door het gewijd vulgair theaterdecor.

1 januari 1933 overleed zijn moeder, die "zijn eerste liefde" (zijn "Tam") nooit had aanvaard. Datzelfde jaar vernietigde hij meer dan 100 van zijn vroegste werken. De vernietiging van een honderdtal doeken bleek de noodzakelijke catharsis die hem in staat stelde andere expressievormen te vinden. Hij bleef echter landschappen schilderen en tekenen en vond zijn leven lang ontspanning in het maken van realistische en gedetailleerd uitgevoerde aquarellen.

Vanaf 1933 verwijderde hij zich voorgoed van Permeke en Van de woestijne en gingen zijn schilderijen behoren tot de geestesfamilie van de Chirico, Dali en Ernst. Het werk van Chirico heeft hem het meest geboeid. Toch bewaarde hij in zijn schilderijen tal van elementen die uit zijn eigen milieu stamden.

Delvaux's schilderkunst vanaf 1935 plaatste hem duidelijk in de surrealistische tak van de fantastisch-realisten. Zijn surrealistische doelstelling: een nieuw realiteit, een synthese van de uiterlijke wereld en het innerlijk model, Het doorbreken van de grens tussen dromen en waken, ais een aansporing tot het ongebreideld gebruik van de fantasie.

In de twee volgende decennia is Delvaux's werk zonder enige twijfel surrealistisch. Vanaf die tijd ziet men het schokkend element 'le hazard objectif' in zijn schilderijen minder worden. Daardoor wordt hij door sommige surrealisten genegeerd terwijl anderen hem als afvallige veroordelen.

'De vrouw met de roos' uit 1936 was de definitieve stap, gevolgd hetzelfde jaar door 'De Spiegel', 'Vrouw in een grot'.

Zijn verknochtheid aan de Noordzee dateert van 1936 toen hij bij beeldhouwer George Grard logeerde.

Hoewel Grard niet enthousiast was over de surrealistische schilderijen van Magritte, stelden zij beiden in 1936 ten toon in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten waar duidelijk bleek dat Delvaux zijn eigen weg ging, naar het poëtische toe, wel met surrealistische onwaarschijnlijkheden.

Zijn vader overleed in 1937, het jaar dat hij trouwde met Suzanne Purnal. Dit huwelijk dat een emotioneel drama werd van ontgoocheling en eenzaamheid inspireerde hem wel tot zijn allerbeste werk.

In 1938 exposeerde hij op de "Exposition Internationale du Surréalisme", georganiseerd door Marcel Duchamp, te Parijs in januari. In juni was hij op eenzelfde tentoonstelling georganiseerd door André Breton en Paul Eluard in Amsterdam en in Londen exposeerde hij in de London Gallery van Edouard Mesens. Hij ontving dat jaar ook nog de Prix de l'Académie Picard .

Dankzij zijn reizen naar Italië in 1937-38 werden de architectonische elementen in zijn schilderkunst gedetailleerder weergegeven en volledig geïntegreerd in het schilderij.

Naast zijn hang voor een klassieke stijl, de grote rol van de architectuur, werd rond 1940 de lijnperspectief geaccentueerd.

Gewone kantoorbedienden die op straat voorbijkomen, komen op zijn schilderijen terecht omwille van de uitgesproken middelmatigheid.

Les phases de la lune III, 1942, Olieverf op doek, 155 x 175 cm, Museum Boijmans van Beuningen
Dit doek is het derde en laatste in de serie 'Les phases de la lune' die Delvaux tussen 1939 en 1942 schilderde. De eerste twee werken bevinden zich in de collectie van het Museum of Modern Art en een particuliere collectie in New York.
Delvaux zei over deze serie: “Het personage van de vurige, enigszins excentrieke geleerde Otto Lidenbrock zoals Riou hem uitbeeldde in de fraaie gravures van de Hetzel-uitgave van Jules Verne, heeft me altijd geboeid… Op een avond, toen ik met genoegen aan deze man dacht (…) kreeg ik het idee dat hij in een schilderij zou kunnen voorkomen en door zijn vreemde eigenschappen de sfeer van dat schilderij zou kunnen bepalen. Ik koos het thema de Maangestalten (Les phases de la lune) als passend bij deze wetenschappelijke figuur. Ik moest dit strenge personage echter wel veranderen om het een universele betekenis te geven. Ik voegde naakte figuren en een landschap toe om de context te veranderen

Delvaux schilderde tijdens de oorlog veel op hout en mengde olieverf met wat hij maar kon vinden om het gebruik ervan te rekken. Het skelet, de fundamentele structuur van het leven werd geëmancipeerd, kreeg eindelijk erkenning voor de verborgen rol die het in het leven speelde.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog weigerde hij te exposeren.

Na de bevrijding stond delvaux in het middelpunt der belangstelling als de belangrijkste Belgische schilder die tentoonstelde in New-york en Parijs, aangezet door zijn vrienden.

In de winter van 1944-45 had hij in het Paleis voor Schone Kunsten zijn eerste grote retrospectieve tentoonstelling. De Belgische cineast Henri Storck maakte de film "Le monde de Paul Delvaux".

In 1947 ontmoette hij in een krantenwinkel te Sint-Idesbald opnieuw en totaal onverwacht zijn eerste geliefde Anne-Marie De Martelaere, zijn "Tam". Hij verliet zijn vrouw en leefde met Tam in hun hervonden idylle op een tweede etage van een huis rechtover de kerk van Bosvoorde op kamers die zij hadden gehuurd. Veel geld hadden zij niet; Paul was blij toen hem in 1950 een baan van leraar voor het schildersatelier werd aangeboden in de 'Ecole Nationale superieure d'Architecture et des Arts decoratifs de la Cambre'. 25 oktober 1952 zou hij Tam ook huwen.

De kunstenaar vervaardigde de wandschilderijen voor het Casino te Oostende (1952).

Talloze lesbiennes komen voor op de tekeningen uit de jaren dertig en veertig - maar pas aan het einde van de jaren vijftig en in het begin van de jaren zestig kwamen ze ook vaak op schilderijen.

In 1954 nam hij deel aan de 27ste Biënnale van Venetië.

In 1955 ontving hij de Italiaanse Reggio Emilia-prijs.

In 1956 reisde hij naar Griekenland, het land waar zijn vaak geschilderde tempelgalerijen vandaan kwamen.

5 juli 1956 werd hij opgenomen in de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België.

De kunstenaar vervaardigde de wandschilderijen voor het Kongressen-Paleis te Brussel (1959).

In 1962 verliet hij Ten Kameren en bracht de helft van het jaar te St.Idesbald door waar hij een klein witgekalkt huisje in de trant van de visserswoningen liet bouwen.

Delvaux ontving in 1964 de Belgische Staatsprijs voor zijn gezamenlijk kunstwerk en werd benoemd tot Voorzitter van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten.

Vanaf het midden van de jaren 60 wordt de compositie van zijn schilderijen eenvoudiger, het licht speelt een grote rol, die vond hij te St.ldesbald in de Noordduinen.

Vanaf 1966 woonde hij al de helft van het jaar in het Park te Veurne.

Overal in de wereld geëerd, brak hij eerst in Frankrijk door in 1969 met een overzichtelijke tentoonstelling.

Henri Storck realiseerde in 1971 een nieuwe film: "Paul Delvaux ou les femmes défendues", ditmaal naar een draaiboek van René Micha.

De Franse Académie beloonde hem als "Officier de l'Ordre des Arts et des Lettres de France" in 1972.

In 1973 ontving Delvaux de Rembrandt-prijs van de Johann Wolfgang von Goethe-Stiftung te Bazel. Tezelfdertijd organiseerde het Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam zijn grote overzichtstentoonstelling. Deze expositie werd hernomen, het jaar daarop, in Japan, in de Nationale Musea van Tokio en van Kioto.

De kunstenaar vervaardigde de wandschilderijen voor het casino van Chaudfontaine (1974).

In 1977 werd hij buitenlands erelid van de Academie Francaise.

In het Beurs-metrostation, te Brussel, maakte hij de monumentale wandschildering, in 1978. Dat jaar werd hij ook ereburger van de stad Veurne.

De Brusselse Université Libre nam Paul Delvaux op als Doctor Honoris Causa in 1979.

De Amerikaanse pop-kunstenaar Andy Warhol ontmoette Delvaux te Brussel, in 1981, en maakte een reeks portretten van de schilder.

Op 26 juni 1982 werd te Sint-Idesbald het Paul Delvaux-museum geopend. In de 10 jaar voor zijn dood volgden nog exposities in Parijs, Ferrara, München, Tokio, Osaka, Yokohama en Himeji.

Sinds 1985 wordt hij erkend als de grootste in leven zijnde schilder in België. In dat jaar werd hem de Vijfjaarlijkse Prijs toegekend en benoemd tot Voorzitter van de 'Academie Royale des Beaux-Arts'.

De ouderdom bracht een zekere vermindering van Delvaux's levensangst, wat terug te vinden is in zijn werk. Het is heel belangrijk dat zijn werk in die tijd wat minder trefzeker werd.

Paul Delvaux overlee 20 juli 1994 in Veurne.

Websites:
. www.delvauxmuseum.com


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 46.