kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 17-04-2009 voor het laatst bewerkt.

Perspectief

1 de kunst om voorwerpen zo op een plat vlak af te beelden, dat zij op het oog dezelfde indruk maken als de voorwerpen zelf.
2 manier waarop voorwerpen zich van een bepaald punt uit aan het oog vertonen.

Perspectief: het uitbeelden van ruimte en diepte door o.a. toonnuances (licht en donker), lineair perspectief en kleurperspectief.

Het is voor de mens niet mogelijk diepte vanuit één bepaald gezichtspunt waar te nemen. Dat wij toch 'diepte' menen te zien, ligt voor een deel aan het feit dat wij twee ogen hebben en dus niet exact uit één punt waarnemen ( stereoscopie ) en voor een deel aan het interpreteren van de waargenomen beelden. Zien wij bijvoorbeeld twee gebouwen, terwijl het ene gebouw afgesneden wordt door het tweede gebouw, dan weten we uit ervaring dat dit tweede gebouw vóór het eerste staat. Evenzo lijken voorwerpen kleiner naarmate ze verder weg liggen. Van deze interpretaties maakt een kunstenaar gebruik om diepte in een plat vlak te suggereren waar die in werkelijkheid vanzelfsprekend ontbreekt.

Behalve de vormen zijn ook de kleuren van belang voor een ruimtelijke suggestie. Door het aanbrengen van schaduwen kan men informatie overbrengen over de ruimtelijke vorm van de voorwerpen en over de richting van de lichtinval. Zeer ver weg gelegen voorwerpen schijnen enigszins blauwachtig van kleur, terwijl de contouren vervagen, een verschijnsel dat Leonardo da Vinci atmosferisch perspectief noemde en dat bijvoorbeeld in de landschapschilderkunst gebruikt wordt om een grote afstand te suggereren.

lineair (wetenschappelijk) perspectief
Het (wetenschappelijk of lineair) perspectief, ook wel centraalperspectief genoemd, is een op de wiskunde gebaseerd systeem, waardoor het mogelijk is om voorwerpen en figuren op een plat vlak zodanig weer te geven dat zij driedimensionaal lijken te zijn en waarmee ruimte en diepte wordt gesuggereerd.

Een belangrijk begrip bij het centraalperspectief is de horizon, een horizontale lijn die op ooghoogte ligt. Is de horizon extreem hoog gesitueerd, dan spreekt men van een vogelvluchtperspectief; ligt hij extreem laag, dan noemt men dit kikvorsperspectief.

Het meest kenmerkende van het centraalperspectief is dat lijnen die in werkelijkheid evenwijdig lopen, op de tekening in één punt bijeenkomen. Dit is het verdwijnpunt of vluchtpunt, en iedere richting in de ruimte heeft haar eigen verdwijnpunt. Door deze manier van ruimtesuggestie zijn alle afstanden meetbaar.

historie

polydimensionaal perspectief
De oude Egyptenaren tekenden een tafel als een rechthoek (het van bovenaf geziene tafelblad) met aan de onderkant vier even lange poten. Bij het moderne technisch tekenen met zijn voor-, boven- en zijaanzichten en doorsneden, en ook bij de kubistische stroming in de schilderkunst, vindt men dit polydimensionaal perspectief weer terug.

De Grieken gingen tegen het eind van de 5e eeuw vC objecten perspectivisch verkort afbeelden en maakten gebruik van schaduw. De resultaten berustten nog op proberen. De Grieken kenden nog geen constructies voor het centraalperspectief, hoewel dit vaak wel werd benaderd.

De wiskundige Euclides (ca 300-250 vC) schreef over de gebruikte methoden het boek 'Optica', dat de grondslag voor de perspectiefleer zou worden en ook invloed uitoefende op middeleeuwse schrijvers over dit onderwerp. De Romeinen maakten van dezelfde middelen gebruik als de Grieken. Met de ineenstorting van het Romeinse Rijk verdween ook het gebruik van perspectief en werden weer methoden als die van de Egyptenaren toegepast. Met name in veel middeleeuwse miniaturen vindt men weer het combineren van rechte aanzichten uit verschillende standpunten terug.

Pas ten tijde van de gotiek ging men weer op een meer perspectivische manier tekenen. De regels werden proefondervindelijk vastgesteld en verschilden bij de diverse scholen.

De Italiaanse schilderkunst van de eerste helft van de 15e eeuw wordt gekenmerkt door een grote wetenschappelijke belangstelling, die zich vooral uitte in de aandacht voor het centraal en atmosferisch perspectief (zie sfumato).

Brunelleschi
In 1415, de vroege renaissance, ontwikkelde de Florentijnse architect Brunelleschi (1377-1446) het lineair- of centraalperspectief (ook wel renaissanceperspectief genoemd), dat geometrisch geconstrueerd kan worden en niet afhangt van individuele interpretatie.

Tot die tijd was dit niet mogelijk en werden gebouwen en mensen willekeurig en vanuit verschillende gezichtspunten op een afbeelding neergezet. Je kon taferelen van onderen, van boven en van opzij in één afbeelding afgebeeld zien. Je moet als het ware van links naar rechts mee lopen met het beeld om het qua perspectief te laten kloppen. De ontdekking van Brunelleschi leverde erg nauwkeurige en nauwgezette beelden op. Zo precies dat je nu nog van vergane gebouwen en steden die ooit op oude schilderijen zijn afgebeeld, de plattegrond kan reconstrueren.

Dat juist een architect dit vond, is begrijpelijk, omdat de grootste perspectivische problemen zich voordoen bij het weergeven van geometrische figuren (rechte lijnen, rechthoeken, vierkanten en cirkelbogen), zoals die in gebouwen en interieurs verwerkt worden. Landschappen zijn minder kritisch ten aanzien van het gebruikte perspectief, terwijl dit voor portretten nog minder een rol speelt.

De eerste die de regels voor het wetenschappelijk perspectief opstelde, was de Italiaanse kunstenaar en theoreticus Leon Battista Alberti (1407-1472).

In het boek Perspective … (1604) beschreef Hans Vredeman de Vries (1572-vóór 1609) voor het eerst in de Nederlanden de grondregels van het wetenschappelijk perspectief. Tevens diende dit werk als een voorbeeldboek, een staalkaart van aan de klassieke oudheid ontleende elementen.

Vooral in de barok bestond een sterke voorkeur voor ingewikkelde architectuurtekeningen met wenteltrappen, poorten, doorkijkjes, zuilen en bogen, die perspectivisch geheel correct werden geconstrueerd. Ook vervaardigde men enorme wand- en plafondschilderingen, waarbij de indruk gewekt werd dat er geen wand of plafond was, maar een tafereel dat zich diep uitstrekte. Men verlengde bijvoorbeeld de zuilen van een kerk visueel door ze op een hemelsblauw koepelvormig dakgewelf door te schilderen, waarbij engelen voor de zuilen werden getekend, zodat men de indruk kreeg naar een open luchtruim met zwevende engelen te kijken. Andere voorbeelden van een dergelijk trompe-l'oeil-effect (misleiding van het oog) vormen schilderingen van doorkijkjes die niet in een schilderijlijst, maar in een raamkozijn werden gemonteerd.

Zie ook tekencursus.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 369.