kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Peter Vos

Doorverwijspagina

Peter Vos I (1935) Petrus Antonius Carolus Augustinus Vos, geboren 15 september 1935 in Utrecht. Bekende Nederlandse graficus, illustrator en tekenaar, vooral van dieren. Hij ziet zichzelf als tekenaar als een neefje van een oude familie tekenaars als Pisanello, Dürer en Döre.

Peter Vos kreeg grote bekendheid als illustrator en werd vooral vermaard om zijn tekeningen van vogels, die hem al van jongs af aan intrigeren. Decennia lang tekent hij voor Vrij Nederland. Zijn Beestenkwartet werd een nationaal spel en met de door hem geïllustreerde Sprookjes van de lage landen zijn generaties opgegroeid. Hij kreeg de Gouden Griffel voor de beste illustraties in een kinderboek en de Ton Smits oeuvre-prijs voor cartoonisten naast vele andere onderscheidingen.
Maar Peter Vos is vooral bekend als illustrator van andermans werk, boeken van Carmiggelt en Renate Rubinstein met wie hij bevriend was, maar vooral ook ‘Sprookjes van de Lage Landen' van Eelke de Jong en Hans Sleutelaar en de boeken van Anton Koolhaas. Alsmede een onafzienbare rij andere titels; halverwege de jaren negentig moet hij de honderd hebben bereikt.

biografie
Tekenaar Peter Vos was zoon van Netty Hofland en Cornelis Vos, bijgenaamd Der Foeks. Zijn vader, journalist en corrector bij de Utrechtse Courant, verbleef even graag in de kroeg als in literaire kringen, voor zover dat niet hetzelfde was. Peter Vos was zeer verknocht aan zijn verhalenvertellende vader en is zijn leven lang met hem bezig gebleven.

Hij bezocht de lagere school bij de fraters in Utrecht en tekende waarschijnlijk al voordat hij naar school kwam. Hij kwam uit een geletterd milieu dat zijn tekenen zeker gestimuleerd heeft. Hij tekende in ieder geval in de eerste klas al opvallend goed en veel.

Zijn eerste tekenprijs kreeg Peter Vos nog voor hij twaalf werd, zijn eerste publicatie was in 1947 in de jeugdrubriek van het blad ‘De Fontein'.

Na het gymnasium doorlopen te hebben koos hij in 1953 definitief voor het kunstenaarschap en ging naar de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam. Onder invloed van mensen als G.V.A. Roling, de vader van Marthe, ontwikkelde hij daar zijn voorliefde voor het tekenen van dieren, met name vogels, die zijn werk tot de dag van vandaag kenmerkt.

Als illustrator van het Amsterdamse studentenblad Propria Cures kwam Peter Vos in contact met Hugo Brandt Corstius, Joop van Thijn en Rinus Ferdinandusse en in hun voetspoor ging hij in 1958 voor Vrij Nederland tekenen, onder meer tot op heden de leeuwtjes bij de rubriek ‘Terzijde'. Ook ging hij werken voor K.L Polls ‘Hollands Maandblad' en publiceerde eigen boeken als ‘De 100 Reigers', ‘Klein Pulcinellenboek voor Anneke', ‘Een studie in grijs' en later, in de jaren negentig ‘Wat je ook niet vaak ziet'.

Hij voelt zich thuis in de realistische traditie en werkt figuratief omdat hij van huis uit een sterke waarheidsliefde heeft. De dingen moeten bij hem steeds een duidelijke relatie hebben met hun natuurlijke staat. Hij wil in zijn werk doorgronden hoe de structuur is. Dat geldt niet alleen voor de vogels die zo virtuoos uit zijn pen komen, maar ook voor de losser getekende en soms in mensenkleren gestoken andere dieren. In zijn vrije werk uit zich zijn grote veelzijdigheid, zijn tijdens zijn gymnasiumopleiding gevormde belangstelling voor de klassieken (tekeningen onder meer geïnspireerd door Ovidius 'Metamorfosen') en zijn liefde voor vogels.

Uit het werk van Peter Vos blijkt dat hij altijd gefascineerd is door gedaanteveranderingen. Hij tekent met ongeëvenaard vakmanschap en op een liefdevolle realistische manier mensen en dieren, vooral vogels. Daarnaast laat hij zijn fantasie zijn gang gaan, in tekeningen met een mengeling van realisme, magie en humor. Vaak tekent hij kruisingen van dieren tot niet bestaande soorten, bijvoorbeeld een steltkluutmutatie van een huismus, en half mens/half dier-figuren zoals een giraffevrouw en een menshond.

Dieren vervullen in het werk van Peter Vos een prominente rol. Of Vos zijn dieren nu volstrekt serieus en naturalistisch weergeeft of als onderwerp voor een geestige cartoon gebruikt, de natuurvorm ligt er altijd aan ten grondslag. Op een gegeven moment wilde hij vogeltekenaar worden, omdat het hem altijd al ontzettend geïntrigeerd had hoe deze dieren - 'zo'n zijtak van de evolutie die fladdert'- in elkaar zitten, hun grondvorm en hun skelet. Maar ook het fascinerende van hun snelle motoriek en het onbereikbare benijdenswaardige verschijnsel van het kunnen vliegen, vastleggen was een van zijn drijfveren. Hij observeert ze in bos en veld, in dierentuinen, in de stad en tijdens vogelreizen en legt ze voor eeuwig vast in zijn vogelboekdummies die tevens reisverslagen worden. Mussen blijven zijn favoriete vogels: 'Ik hou van lorrige mussen'. Ze zijn ook altijd dichtbij te vinden en voortdurend in al hun doen en laten te observeren en na te tekenen. Als een vogel niet direct voorhanden is, maakt hij soms gebruik van zogeheten vogelbalgen: met stro opgevulde vogellijkjes van de taxonomieafdeling van Artis om te zien hoe de dekveertjes en de slagpennen van zo'n vogel er uitzien. Maar de snelle motoriek van pimpelmees, winterkoning of goudvink kan hij alleen in zijn pen krijgen door het observeren van die vogel in de natuur, door het kijken, dat een groot bestanddeel van zijn werk is. Ondanks zijn grote kennis van vogels noemt hij zich 'een amateur-ornitholoog, die elke dag nog bijleert'.

Daarnaast is de commedia dell'arte - een Italiaanse theatervorm vol overdreven motoriek, snelheid, vodderige kostuums en harlekijnachtige figuren - bij hem een blijvende inspiratiebron, voor zowel vrij werk als boektekeningen. Dat is bijvoorbeeld zichtbaar in het Klein Pulcinellenboek Voor Anneke (1969), dat hij tekende voor zijn toenmalige vrouw Anneke Bakkum. In dit kleine boekje maakte hij een veelheid van gecompliceerde pentekeningen rondom deze goedige Jan Klaassen-figuur uit de commedia dell'arte. Hier hebben zijn tekeningen beslist een erotische lading. Ook in zijn illustraties voor De reizen van Pater Key door Raoul Chapkis of die voor De avonturen van Anna Molino van Mensje van Keulen is dat het geval. Anderzijds ridiculiseert hij die erotiek weer in zijn tekeningen bij het licht-pornografische De barre ballade van Boris Borus door Ivan Barkow. Ook in enkele van de door hem geïllustreerde kinder boeken (De twaalf rovers, Het fort van Sjako) zitten erotische elementen, hoewel hier wat voorzichtiger.

Soms gaat Vos zich even te buiten aan andersoortige versieringen. Een eigenschap die hij toeschrijft aan zijn als positief ervaren katholieke jeugd. Want hij is van mening dat het katholicisme zowel voor een musicus (hij heeft als kind Gregoriaans in het kerkkoor gezongen) als voor een beeldend kunstenaar een prachtige vooropleiding is. 'Omdat je in zo'n oude katholieke kerk al jong geconfronteerd wordt met dit element van versieren: je leert bizarre afbeeldingen kennen van bijvoorbeeld St. Sebastiaan met pijlen in zijn lichaam. Je maakt er meteen kennis met het surrealisme '. Daarbij is het tekenen voor Vos soms ook een soort therapie, omdat hij zijn eigen problemen in een tekening kan formuleren. Tekenen biedt hem de mogelijkheid tot verinnerlijking, tot verwerking en het voor zichzelf vastleggen van de dingen. 'Geluk is moeilijk te tekenen, maar het verdriet slaat in je tekeningen neer,' zegt Vos.

1970 Beestenkwartet
Behalve werkelijk in de natuur voorkomende dieren tekende Vos, geïnspireerd door de metamorfosen uit de Griekse en Egyptische mythologie, ook veel niet-bestaande dieren, wezens die aan de onderkant menselijke vormen hebben, maar getooid zijn met een dierenkop (een uiterst vreemde vogel). In zijn Beestenkwartet (1970) trok hij daarvoor alle registers van zijn fantasie open en zo produceerde hij Klavierleeuw, Belhamel, Luistervink, Mafkikker en Kamerolifant. Het werden geestige kwartetten met hecht doorwerkte pentekeningen van mensdieren, die op hun beurt weer een bron van inspiratie werden voor componist-dirigent Jurriaan Andriessen (1973). In 1980 verscheen de zilveren editie.

1972 een Zilveren Griffel voor zijn illustraties in De Pozzebokken van Bouke Jagt.

1981 Jeanne Bieruma Oostingprijs voor tekenen.

In 1984 maakte Peter Vos voor zijn toen zeventienjarige zoon een reeks pentekeningen waarin in fasen de gedaanteverandering van een man in een hop wordt getoond. In de tentoonstellingscatalogus Eye love books (Amsterdam : Bis, 1997) is deze leporello, getiteld Metamorfose [Met amor fose] voor Sander één van de unieke 'kunstenaarskinderboeken': boeken gemaakt door professionele kunstenaars voor één speciaal kind. Zo'n speciaal kind is ook Sander. Zijn vader spreekt in interviews over hem als 'de langstlopende liefde' van zijn leven. Hij tekende Sander vaak, en tekende ook veel speciaal voor hem. In Eye love books is een uitspraak van Sander afgedrukt over Metamorfose voor Sander: 'In Metamorfose verandert een man in een hop. Hoewel dat een lijdensweg is, krijgt hij wel een prettiger leven. Dat vind ik mooi en hoopvol, maar ook wel griezelig omdat het menselijk bewustzijn er uiteindelijk niet toe lijkt te doen.' Sander Vos ziet na de lijdensweg die verandering is, iets beters in het verschiet. Dat hopen we ook voor het papieren erfgoed, dat op een andere informatiedrager hopelijk een betere toekomst tegemoet gaat via het project Metamorfoze.

Het Fort van Sjako, 1985 (Fictie van 10 tot 12 jaar) ( kinderboek )

Lieve kinderen hoor mijn lied, 1990 ( poëzie )
Wat je ook niet vaak ziet, 1991 ( kunst )
1991 Gouden Penseel voor zijn illustraties in Lieve Kinderen hoor mijn lied van Rudy Kousbroek

In Jannes (1993) van Toon Tellegen kon Peter Vos zijn fantasie over de metamorfose van dieren ook volop uitleven. Want als Tellegen in dit bizar- poetische dierenverhaal over het peuterolifantje Jannes naast de 'mensolifanten' ook olifanten in bomen laat fluiten, in het water laat zwemmen, of zich van de ene tak naar de andere laat slingeren, dan laat Vos zich hierdoor inspireren tot het overtuigend visualiseren van die fantasiedieren in innige pentekeningen. Het verhaal in beelden dat in sfeer een volkomen eenheid vormt met de geschreven tekst.

1994 de Ton Smitspenning.

Peter Vos-tekenaar (L.J. Veen, 1995),
ter gelegenheid van een overzichtstentoonstelling in de Beyerd te Breda met meer dan vierhonderd reproducties van zijn werk.

De tekeningen zijn gebaseerd op een van de sagen uit Ovidius' Metamorphosen: het verhaal van de Thracische heerser Tereus, die zijn vrouw Prokne bedroog met haar zuster Philomela en door de goden in een hop werd veranderd.
De inleiding in dat wondermooie boek is van Aad Nuis: "niet de manier waarop hij tekent, maar wat zijn tekeningen laten zien vormt het mysterie. De tekeningen zijn nauwkeurig naar de werkelijkheid getekend, maar blijven toch altijd de eigen persoonlijke schepping van Peter Vos. En wat hij ook laat zien, hij laat het volledig aan de toeschouwer over om het essentiële erin te ontdekken".

Varkensliedjes, 1996 ( poëzie )

Ook voor het boekje Wiet (1999), over de belevenissen van een dwergpapegaai, maakte hij de illustraties.

Peter Vos is een erudiet literatuur en poezie-liefhebber waarbij de alcohol al vele jaren een onontbeerlijke metgezel is. Maar boven alles is hij tekenaar. Zoals zijn mini-biograaf Ben van der Velden schrijft: ‘Peter Vos heeft zichzelf afgebeeld als een vos met op de plaats van zijn hart een mol – omdat het hart blind is – en op zijn hand een vogel die zijn pen stuurt. Hij kan niet anders dan voortgaan met tekenen, omdat zijn vader dat wilde, omdat het een drang is als nagelbijten, omdat hij geschenken wil uitdelen en omdat hij van tekeningen houdt.'
Naast zijn carrière als - volgens kenners - de beste tekenaar van Nederland leefde Peter Vos een leven vol poëzie en literatuur, vriendschap, liefde en kroegpraat. Vijftig jaar na het verschijnen van zijn eerste tekeningen in druk kijkt hij daarop terug in een drie uur durend Marathoninterview. tekeningen van Peter Vos zijn in bezit van particulieren, vrienden en verzamelaars. Veelal van hem gekregen, soms gekocht. Weinig is in musea of, ook al door de aard van zijn werk, in openbare gebouwen terecht gekomen.

Peter Vos II (1975)

Geboren in Utrecht. Woont en werkt in Amsterdam.

Opleidingen:
Koninklijke Academie, Den Haag (1994-1998)
Ateliers, Arnhem (1998-1999)
Rijksacademie, Amsterdam (2000-2001)

1999 Koninklijk Paleis, Amsterdam 'Koninklijke subsidie voor vrije schilderkunst'

2001 solo Galerie Metis, Amsterdam

Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst 2004
Vier jonge kunstenaars, Thomas Raat, Marjolein Rothman, Peter Vos en Barbara Wijnveld, ontvingen op 1 oktober 2004 de Koninklijke Prijs voor de Vrije Schilderkunst uit handen van de koningin.

Nominatie Van Bommel Van Dam-Prijs 2004 Winnaar is Sidi El Karchi.
Jury over Peter Vos: De afstandelijkheid waarmee het onderwerp geschilderd is symboliseert het verlangen naar dat wat ongrijpbaar is. Schilderijen met een dwangmatig karakter, tegen een romantische achtergrond…


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 2077.