kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 22 05 2016 13:51 voor het laatst bewerkt.

Pierre Alechinsky

Belgisch kunstenaar, beeldhouwer, graficus, keramist, schilder, tekenaar van dieren, figuurvoorstellingen, non-figuratief, stillevens, geboren 19 oktober 1927 in Brussel.

Pierre Alechinsky is een Belgische Cobra-schilder die abstract-expressionisme en surrealisme met elkaar verenigde. In tegenstelling tot de Nederlandse en Deense Cobra-schilders, die uitgesproken expressionistisch werken, schilderde Alechinsky in een warme lyrisch-abstracte stijl, die is gebaseerd op oosterse kalligrafie. Zijn imaginaire figuren komen voort uit het surrealisme.

Alechinsky gebruikte allerlei onderwerpen voor zijn werk: verhalen, mythes, gebeurtenissen en ontmoetingen. Hij was een actief kunstenaar die meedeed aan tentoonstellingen, oprichter was van het gemeenschapshuis “Les ateliers du Marais” en meewerkte aan verschillende Cobra tijdschriften.

Biografie
Pierre Alechinsky Wordt op 19 oktober 1927 te Brussel geboren als zoon van een Joodse arts die uit Rusland vluchtte en een Waalse moeder. Tijdens zijn schooljaren werd hij onderwezen volgens de Decroly methode, waarbij hij voor het eerst de principes van de drukkunst leerde kennen.

Het oorlogsgeweld ontvluchtte hij in het Zuid-Franse Aveyron. Terug in Brussel volgde hij avondcursussen tekenen aan het atelier van de schilder-graveur Edgard Tytgat.

Van 1944 tot 1948 studeerde hij aan de Ecole Nationale Supérieure d'Architecture et des Arts Décoratifs de La Cambre (Ter Kameren) te Brussel. Hij legde zich daar toe op boekillustratie, typografie en verschillende grafische technieken. Hij ontmoette de cineast Luc de Heusch, de dichter-schilder Jean Raine en bezocht het salon van de kunsthistoricus Luc Haesaerts, een ontmoetingsplaats van schilders, schrijvers en cineasten. De kunstenaar waagde zich aan zijn eerste schilderijen nadat hij monotypes had gedrukt als illustratie bij de fabels van Aesopus.

Hij ontdekte in 1945 het werk van Henri Michaux en Jean Dubuffet en ontwikkelde een vriendschap met de kunstcriticus Jacques Putman, die verscheidene werken aan Alechinsky wijdde.

Alechinsky is een bewonderaar van volkskunst. Ook de volksachtige houtsneden van de kunstenaar Edgar Tijtgat kan hij appreciëren. Tijdens zijn opleiding verdiept hij zich in houtsneden uit oude boekillustraties die naar zijn mening ook een uiting van volkskunst zijn. Hij gebruikt deze als inspiratiebron voor een aantal illustraties. Een paar hiervan, een serie etsen, zijn later op de grote Cobra tentoonstelling in Amsterdam te zien. Ook het schilderij 'Les mariés' (het bruidspaar) dat op de volkskunst is geënt hangt op deze tentoonstelling.

In 1947 reisde hij door Marokko en Joegoslavië.

In 1947 trad Alechinsky toe tot de groep Jeune Peinture Belge (1945-47)(met onder ander Louis Van Lint, Jan Cox en Marc Mendelson). Hij betrok zijn eerste Brusselse atelier in de Rue de la Paille en opende zijn eerste tentoonstelling in de galerie Lou Cosyn, waar ook Camille Goemans, Marcel Lecomte, René Magritte, André Souris over de vloer kwamen. Het contact met Jean Raine verdiepte zich. Via hem leerde Alechinsky de kineast Henri Storck kennen.

In 1948 ontmoette hij Michèle Dendal, die hij Micky noemt, dochter van de schilder André Dendal. Hij huwde haar het jaar daarop. In deze periode maakte hij de boekillustraties voor Marcel Lecompte's Le Sens des Tarots, lithografieën en de grafische reeks Les métiers.

1948 brengt hij grotendeels in Parijs door. Daar schreven de landgenoten Christian Dotremont en Joseph Noiret geschiedenis. Samen met Nederlanders en Denen richtte zij uit de rangen van het revolutionair surrealisme COBRA op, de belangrijkste avant-garde beweging kort na WO II.

Cobra
Na zijn ontmoeting met Christian Dotremont, één van de stichters van de Cobragroep, sluit Alechinsky zich in 1949 aan bij deze kunstvernieuwende groepering. Met Dotremont was Alechinsky de spil van de Belgische tak van Cobra. Hij draagt veel bij tot de verwezenlijking van het tijdschrift 'Cobra'. Net als Dotremont reist hij naar het buitenland om contact te leggen met andere Cobra kunstenaars.

Alechinsky exposeert zijn werk op de grote Cobra tentoonstelling in 1949 in het Stedelijk Museum te Amsterdam.

Les ateliers du Marais
Samen met de beeldhouwers Olivier Strebelle en Reinhoud, de architect André Jacqmain en de graficus Michel Olyff was hij de organisator van "Les ateliers du Marais" het trefpunt voor vele Cobra-kunstenaars in Brussel. Alechinsky verzorgde er samen met Dotremont het tijdschrift Cobra. Alechinsky stort zich met zoveel enthousiasme op de organisatie van de Cobra beweging en haar tijdschrift dat hij er nauwelijks aan toekomt om zijn eigen kunstwerken te maken. Een groot deel van zijn tijd gaat dan ook op aan werkzaamheden zoals timmeren en metselen om het 'Cobra huis' aan de Rue du Marais van ateliers en woonruimtes te voorzien.

Alechinsky ontving in ’50 zowel de prijs Hélène Jacquet als de prijs Jeune Peinture Belge. Hij ontmoette in Parijs Jean-Michel Atlan, Gaston Bachelard, Jean Dubuffet, Alberto Giacometti en bezocht de kunstenaars Carl-Henning Pedersen en Henri Heerup in Denemarken en Zweden.

De laatste gemeenschappelijke Cobra-tentoonstelling expositie in Luik (1951), de 2de internationale tentoonstelling van experimentele Cobrakunst in het Palais des Beaux-Arts van Luik, wordt door hem georganiseerd omdat Dotremont ziek is. Deze expositie luidde het einde van Cobra in. In het tiende en laatste nummer van het tijdschrift Cobra publiceerde hij de tekst Abstraction faite (Voltooide abstractie).

In de jaren vijftig werd zijn overwegend abstracte schildertrant bewogener en pasteuzer. Zijn doeken bedekte hij met een massa van vormen in witte, grijze, groene en blauwe tinten. Alechinsky wordt behalve door de volkskunst diep getroffen door de wereld van de Deense en Nederlandse experimentelen, met name het werk van Asger Jorn spreekt hem aan. Hij laat onder invloed van de experimentelen steeds meer fantasiewezens in zijn werk ontspruiten en hanteerde een grotere vrijheid in kleur en vorm.

Na het uiteenvallen van de beweging, in de winter van 1951, vestigt hij zich in Parijs, waar hij graveerkunst studeert. Hij werkte in het atelier 17 van Hayter, waaraan ook John Buckland Wright (1897-1954) als docent verbonden was.

Vooral na Cobra kwam zijn ontwikkeling echt goed op gang. Olieverf maakte geleidelijk aan plaats voor inkt en acrylverf, waarmee hij de vrije loop kan geven aan een vlotte en gevoelige stijl. Vanaf 1951 helde zijn werk over naar het expressionisme, waar het daarvoor vooral beïnvloed was geweest door het surrealisme.

Het schrift
Alechinsky is linkshandig. Op school wordt hij gedwongen ook met zijn rechterhand te schrijven. Hij vindt dit wel een uitdaging en probeert van alles uit. Hij begint van links naar rechts met zijn rechterhand te schrijven en in omgekeerde richting met zijn andere hand. Zo ontwikkelt hij een schrift met beide handen tegelijk (simultaanschrift). De interesse voor het schrift wordt ook gevoed door zijn moeder die grafologe is.

Hij geraakte in de ban van de Japanse kalligrafie en onderhield een correspondentie met Shyriu Morita, leider van het tijdschrift Bokubi in Kyoto. In 1954 initieert Walasse Ting hem in de Chinese schilderkunst, wat wederom bijdraagt tot het ontdekken van nieuwe horizonten.

In 1954 had hij zijn eerste tentoonstelling te Parijs, in de galerie Nina Dausset.
Het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel organiseerde zijn eerste grote tentoonstelling in 1955.

Tokio
Dotremont, die net zoveel lol als Alechinksky heeft met experimenten met zijn eigen handschrift, brengt hem eveneens op het spoor van de oosterse kalligrafie. In 1955 onderneemt Alechinsky samen met Ferenk Haar een reis naar Japan om daar de Japanse kalligrafie te bestuderen. Daarin vindt hij waar hij naar op zoek is: een 'innerlijk schrift', ontstaan vanuit grote vrijheid en uiterste geconcentreerdheid.
In Japan bestudeert hij niet alleen het werk van een aantal bekende Japanse kalligrafen, maar ook hun werkwijze. Bij de Japanners ligt het papier niet op een tafel zoals bij ons gebruikelijk is, maar op de grond. De kunstenaars kunnen zich daardoor makkelijk over het papier heen buigen en geheel vrij bewegen. Alechinsky maakt zich deze werkwijze eigen en ontdekt wat een verschil dat is. Hij laat zich ook inwijden in het gebruik van allerlei soorten inkten en penselen.
Ze maken de documentaire film Calligraphie japonaise, waarbij hij de totaal andere manier van werken laat zien. De prent won een prijs op het Internationale Kunstfilmfestival van Bergamo, Italië (1957) en kreeg een erediploma op het Cultureel Filmfestival van Tokio (1961).
De Japanreis zette hem aan tot het maken van schilderijen met inkt op papier die hij voor het eerst toonde in de Parijse Galerie du Dragon.

In 1957 maakte hij muurschilderingen voor de Cinematheque in Parijs.

In samenwerking met Appel, Jorn en Corneille illustreerde Alechinsky in’57 Vues Laponie van Christian Dotremont. Hij trad toe tot het bestuur van de Salon de Mai te Parijs en sloot een contract met de Galerie de France. Een regelmatig inkomen liet hem toe op grotere doeken te werken.

New York (1960), waar hij een Hommage à Ensor vervaardigde.

In 1960 en 1972 werd zijn werk getoond op de Biënnale van Venetië. De buitenlandse belangstelling voor Alechinsky steeg na tentoonstellingen in het Minneapolis Institute of Arts, het Palazzo Grassi te Venetië en het Carnegie Museum of Art te Pittsburg.

In het Franse La Bosse deelde hij een werkruimte met Reinhoud. Alechinsky verbleef in ‘61 ook voor het eerst in New York, waar de action painting furore maakte. Hij schilderde er in het atelier van Walasse Ting. In 1962 exposeerde de schilder in de New Yorkse galerij Lefebvre. In 1963 en 1966 stelde hij tentoon in het Stedelijk Museum te Amsterdam.


Alice Grows Up, 1961, oil on canvas, 205 x 245 cm

De structuur van Alechinsky’s abstracte schilderijen was intussen soepeler geworden en hij bevolkte zijn doeken met fantastische wezens. Hij schiep in die periode ook het doek Alice Grandit, naar het verhaal Alice in Wonderland van Lewis Carroll.

Alechinsky kreeg steeds meer belangstelling voor het samenwerken met andere kunstenaars. Er verschenen publicaties met dichterlijke teksten van verschillende auteurs, die hij met zijn fabelwezens illustreerde. Met zijn Chinese vriend Walasse Ting maakt hij vierhandige schilderijen: 'peintures à quatre mains'. Met Dotremont realiseert hij enkele 'peintures-mots': woordschilderingen, waarbij Dotremont een geheel eigen onleesbaar schrift creëert en Alechinsky stripachtige tekeningen maakt.

Een bezoek aan het atelier van André Breton bevruchtte zijn fantastiek en leverde een schat aan beelden op. Van de surrealistische dichteres Joyce Mansour illustreerde hij literair werk. Zij inspireerde hem ook tot het schilderij Astre et désastres. Hij begon een samenwerking met Peter Bramsen en toonde voor het eerst zijn grafisch werk te Parijs.

In 1964 nam hij deel aan documenta 3 te Kassel.
In 1965 nam hij deel aan de laatste grote surrealistische tentoonstelling L'Ecart Absolu te Parijs in de galerie de l'Oeil.

Terwijl Alechinsky zich in zijn grafiek, tekeningen en gouaches op een hele vrije manier kan uiten lukt het hem in zijn olieverfschilderijen op doek daarentegen pas na de Cobra tijd spontaan te werken. In 1965 verruilt hij de olieverf voor acryl dat veel sneller droogt. Nu kan hij nog directer lijnen, cirkels, tekens, fabeldieren en teksten ineen laten vloeien. Hij gebruikt geen linnen meer, maar papier als ondergrond. Over zijn ontdekking van de acrylverf vertelt Alechinsky: "Omdat ik nu eindelijk kon schilderen zoals ik tekende, altijd al was ik in mijn tekeningen voorop geweest op mijn doeken. Nu eindelijk kon ik het schilderen in de banen van de tekenkunst leiden, en ik kon ook schilderen op bladen papier die losjes op de vloer lagen, ik was verlost van die angstkoorts die me bij de keel nam telkens als ik een opgespannen doek tegemoet trad zoals het daar gepropt stond op een schildersezel, die schildersezel die zo gelijkt op een guillotine…".


Central Park, 1965, acrylic on paper, maroufled on canvas,
162 x 193 cm

kanttekeningen
In 1965 maakt hij in New york kennis met de snelle en soepele acrylverftechniek, een techniek die hem in staat stelde zijn "graffiti" van lijnen, tekens, cirkels, teksten en fabeldieren tot een geheel te smeden. Zijn bekendste werk, 'Central Park' dateert uit die tijd. Het is zijn eerste werk met 'kanttekeningen', een reeks boordversieringen op de vier zijden van het centrale beeld die de betekenis van het schilderij moeten aanvullen. Ook werkt hij op reeds gebruikte dragers, zoals brieven, facturen en landkaarten. Zijn penseel en verbeelding glijden over de bestaande lijnen die zodoende opgenomen worden in zijn wereld.

Zijn sleutelwerk Central Park (1965) is het eerste schilderij waarin de kunstenaar het werken met acrylverf combineerde met de opdeling van het schilderij in een centraal beeld en een lijst van kleinere marginalia. Acryl liet zich net als de oosterse inkt snel en vloeiend verwerken. Gaandeweg ruilde de schilder zijn olieverf in voor deze materialen.

In 1967 installeerde hij een eigen gravure-atelier in Bougival, dichtbij Parijs. Omstreeks deze tijd realiseerde hij ook zijn eerste acrylschilderijen met predella, stroken met beelden die hij aanbracht onder het hoofdmotief.
Het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten toonde in ’69 een overzicht van zijn werk, dat doorreisde naar Denemarken en Duitsland. De kunstenaar zelf deed de Canarische eilanden en Noorwegen aan.

Hij werd aangezocht voor het Belgisch Paviljoen op de 36ste Biënnale van Venetië in 1972 en betrok Dotremont in de onderneming. Zij maakten gezamenlijke dessins-logogrammes.

In 1973 moest Alechinsky de dood van Asger Jorn en zijn eigen vader verwerken. Hij reisde o.a. naar Turkije en Lapland.

Het Koninklijk Museum voor Moderne Kunst te Brussel toonde een retrospectieve van zijn tekeningen. Een overzicht van zijn schilderijen in acrylverf deed Darmstadt, Rotterdam, Parijs en Zürich aan. In Het Musée National d’Art Moderne, Paris begon de tentoonstelling Alechinsky à l’imprimerie aan haar rondreis.

Samen met Dotremont maakte hij in ’76 de muurdecoratie Sept Ecritures voor het metrostation Anneessens te Brussel.

In 1977 nam hij deel aan documenta 6 te Kassel.

Ook in 1977 werd Alechinsky onderscheiden met de Andrew W. Mellon-prijs voor zijn aandeel in de moderne kunst. Voor het behalen van de A.C. Mellonprijs eerde het Carnegie Institute te Pittsburgh hem met een retrospectieve in 1977.
Samen met Karel Appel creëerde hij zijn Encres à deux pinceaux, begeleid door gedichten van Hugo Claus.
Alechinsky schilderde reeds op oude documenten. Nu ontstonden de papiers traités (behandelde papieren) : litho’s op facsimiles van ouderwetse facturen en etsen op grote vellen Taiwanees papier.

Centre Pompidou in Parijs (1978).

Alechinsky liet zich vertegenwoordigen door de Parijse Galerie Maeght. In 1979 richtte hij een atelier in te New York.
Voor het cultureel centrum van de Belgische franstalige gemeenschap versierde hij een foyer in het Parijse Centre Pompidou.

Vanaf 1980 onderwierp hij ook vluchtnavigatiekaarten en –plattegronden als dragers aan zijn experiment.
In het MOMA te New York opende in ’81 een retrospectieve van zijn grafische kunst.
In de ateliers van de Fondation Maeght in Saint-Paul beschilderde Alechinsky ook keramiek. In zijn schilderijen, tekeningen en drukwerken integreerde hij afdrukken van riooldeksels en roosters die hij verzamelde tijdens zijn reizen naar Arles, Parijs, Brussel, Rome, Salzburg, New York en Peking. Vanaf 1984 nam hij ook kaarten uit een negentiende-eeuwse atlas als uitgangspunt.

In 1983 werd hij professor in de schilderkunst aan de École nationale supérieure des Beaux-Arts te Parijs.

België ridderde de kunstenaar in de Orde van de Kroon. In 1984 behaalde hij de Franse Grand Prix National des Arts et Lettres voor zijn schilderkunst. Het jaar daarop werd hij Officier in de Ordre des Arts et des Lettres in Frankrijk.
Hij werkte ook verschillende opdrachten af, waaronder een postzegel voor de Franse posterijen en decoreerde een ontvangstzaal voor het Ministerie van Cultuur te Parijs.

De andere hand
Een groot deel van zijn teksten werd gebundeld in De andere hand (Meulenhoff, 1987), in een vertaling van Hugo Claus en Freddy De Vree.

De retrospectieve die in 1987 in het Solomon R. Guggenheim Museum te New York werd getoond, reisde verder naar Des Moines (Iowa), Hannover en het Brusselse Koninklijk Museum voor Moderne Kunst. Alechinsky gaf zijn Parijse professoraat op. Hij werd lid van de Belgische Koninklijke Academie.
De kunstenaar reisde naar China. In Salzburg eerde men hem met de Herbert Boecklprijs.

Tegen het einde van de jaren tachtig schilderde hij na vele jaren opnieuw met olieverf.

Ook in de jaren negentig realiseerde Alechinsky verschillende opdrachten : muurdecoraties in geglazuurde lava voor de eetzaal van de firma Lhoist in Ottignies-Louvain-la-Neuve en voor de ingang van het Musée Bibliothèque PAB te Alès en de decoratie van de ingang van het Franse Ministerie van Onderwijs te Parijs.
In de Bibliotheca Wittockiana te Brussel had een expositie plaats van het geheel van de bibliofiele werken van Alechinsky. Naar aanleiding van het tweehonderdjarig bestaan van de Franse republiek ontwierp hij een postzegel.
Met de dichter Jean Tardieu voltooide hij in ’93 te Parijs de wanddecoratie van de « petite rotonde » die het Palais de Lassay verbindt met het Palais Bourbon.

Alechinsky werd Commandeur in de Ordre des Arts et des Lettres en kreeg de onderscheiding van Chevalier de la Légion d’Honneur.
In Ter Kameren, waar hij vijftig jaar eerder leerling was, exposeerde hij in ’94 grote grafische werken en 80 affiches in de expo Retrouvailles in situ.

In 1994 ontving hij een eredoctoraat van de Vrije Universiteit Brussel.
Een van zijn ontwerpen werd in 1995 gebruikt voor een Belgische postzegel.
In 1995 decoreerde hij samen met Hugo Claus de entreehal van de nieuwe gebouwen van het universitair Centrum van Antwerpen.

In 1997-98 toonde de Galerie Nationale du Jeu de Paume voor zijn zeventigste verjaardag een rondreizende retrospectieve. Het Cabinet des estampes, Musée Rath, Genève toonde een retrospectieve van zijn prentkunst in zwartwit.

Galerie Nationale Jeu de Paume Parijs (1998)

Alechinsky realiseerde een illustratie voor het honderdjarig bestaan van Alfred Jarry’s Ubu Roi en een reeks doeken geïnspireerd op Gorlfar (Belle-île-sur-mer).
Voor het Théâtre de Belgique en voor het museum te Silkeborg vervaardigde hij muurschilderingen.
In La Louvière een overzicht van zijn grafisch werk.

Het Provinciaal Museum voor Moderne Kunst van Oostende wijdde in 2000 een belangrijke retrospectieve aan deze zeer productieve kunstenaar.

Tijdens hun werkbezoek aan Frankrijk, van 26 tot 28 maart 2001, brachten Prins Filip en Prinses Mathilde een bezoek aan het atelier van pierre alechinsky in Parijs en woonden de vernissage bij van zijn laatste tentoonstelling.

Ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag in 2007 brengen de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België te Brussel hulde aan hem door middel van een overzichtstentoonstelling van zijn 60-jarige carrière.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 390.