kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 01-12-2008 voor het laatst bewerkt.

Pyke Koch

Pyke Koch (1901-1991)

Nederlands monumentaal kunstenaar (decorschilder), schilder, tekenaar van landschappen, erotiek, genrekunst, portretten, stadsgezichten, stillevens,

Naamsvariant Pieter Frans Christiaan Koch,

Geboren Beek (Ubbergen) 15-7-1901, Gestorven Utrecht 27-10-1991,

Pyke Koch werd op 15 juli 1901 geboren in Beek bij Nijmegen.

Koch had in zijn jeugd wel getekend, maar had niet de ambitie om er zijn beroep van te maken. Vooralsnog ging hij rechten studeren. In 1920 begint Koch aan een studie rechten aan de Rijksuniversiteit te Utrecht.

In 1927, vlak voor zijn doctoraalexamen, breekt hij deze studie af en besloot hij van de ene dag op de andere schilder te worden. Hij sloeg een aantal handboeken na over schildertechnieken, won wat advies in van schilders en maakte binnen een paar jaar naam als een veelbelovend kunstenaar.

Hij volgde colleges schilderkunstige chemie en raadpleegde vaak een boek van Max Doerner, Malmaterial und seine Verwendung im Bilde. Schildertechnisch streefde Koch naar perfectie.

In 1927 voltooide hij zijn eerste schilderij en een jaar later neemt hij voor het eerst deel aan een expositie. In de jaren die volgden experimenteerde Koch met verschillende vormen van realisme. Vooral de Duitse expressionistische film was een grote inspiratiebron voor Pyke.

Na 1930 slopen de eerste surrealistische trekken in zijn werk. Zelf deelde Koch zijn werk in bij dat van de magisch realisten.

Hoewel er grote verschillen bestaan tussen de kunstenaars die als magisch realisten beschouwd werden, hebben zij een aantal kenmerken gemeenschappelijk: een traditionele, zeer nauwkeurige schilderwijze met een gladde, onpersoonlijke penseelstreek, terwijl de elementen van de voorstelling aan de werkelijkheid zijn ontleend en als zodanig herkenbaar blijven. Vooral door deze onpersoonlijke techniek maar ook door de afgebeelde voorwerpen aan hun gebruikelijke omgeving te onttrekken of in een ander verband te plaatsen ontstaat er een vervreemdingseffect.

Koch onderscheidde zich van anderen doordat hij een fijnschilder was die zijn techniek ontleende aan die van oude meesters en Vlaamse primitieven. Aan abstracte kunst had hij een broertje dood. Wat dat betreft sloot zijn schilderkunst aan bij de Duitse Nieuwe Zakelijkheid ( Neue Sachlichkeit )(met Otto Dix en George Grosz als belangrijkste representanten) en bij andere Nederlandse magisch realisten, zoals Carel Willink (1900-1983), Raoul Hynckes (1893-1973), Wim Schuhmacher en Dick Ket, maar ook met Belgische en Franse surrealisten.

Koch behoorde met Hynckes en Willink tot de belangrijkste vertegenwoordigers van het magisch realisme in de Nederlandse schilderkunst. Koch omschreef het magisch realisme als volgt: 'Het magisch realisme bedient zich van voorstellingen die wel mogelijk, maar niet waarschijnlijk zijn.'. Zijn werk wordt gekenmerkt door een opvallend krachtige, scherpe schildertrant met sterke lichtcontrasten. Portretten, kermistaferelen en achterbuurten vormden zijn voornaamste onderwerpen.

Zijn carrière liep zo voorspoedig dat Museum Boymans-van Beuningen op zijn dertigste al het monumentale schilderij 'De Schiettent' aankocht. De grote mate van perfectie en technisch kunnen maakten grote indruk. Uiteraard was er ook kritiek op zijn werk. Velen hielden niet van zijn onderwerpen, achterbuurten, hoeren en kermisgasten, die veelal de minder fraaie kant van de maatschappij behandelden.

Beroemd zijn vooral zijn vrouwenportretten zoals het 'Portret van Asta Nielsen' (1929). Koch was een groot liefhebber van film en de Deense actrice Asta Nielsen zou nog verschillende malen in zijn werk opduiken. Voor hem vertegenwoordigde zij, in zijn eigen woorden, de categorie 'hard-boiled wijven'. Een soort oervrouwen die symbool stonden voor ongelimiteerde seksuele lustbevrediging. Het sterkst komt dat naar voren in het duistere doek 'Bertha van Antwerpen' (1931).

Het grootste deel van zijn leven woonde Koch in Utrecht. Tot zijn vriendenkring behoorden onder andere Martinus Nijhoff, Cola Debrot en Jan Engelman.

Tussen de jaren 1932 en 1945 nam zijn productie af door gezondheidsproblemen.

Zijn "Zelfportret met zwarte band" uit 1937, waarin hij zichzelf als nationaal-socialist zou hebben afgebeeld, wordt niet door iedereen gewaardeerd.
Pyke Koch geeft in dit zelfportret door houding en gelaatsuitdrukking blijk van een geesteshouding die sympathieën voor het fascisme niet verborgen houdt. Koch heeft bijvoorbeeld in de typering en inhoudelijke explicatie van dit geïdealiseerde zelfportret evenzeer verwezen naar politieke aanplakbiljetten uit de jaren twintig en naar de antieke portretkoppen die in het Italiaanse fascisme en in de heroïsering van Mussolini een belangrijke rol speelden als naar de ideologische aspecten van het fascisme met betrekking tot "de nieuwe mens". Het heeft onmiskenbaar iets weg ook van het beeld van de "Herrenmensch".
Anderzijds verschaft dit zelfportret door de ogenschijnlijk koele distantie en uiterlijke strengheid waarmee de kunstenaar de indruk wekt zichzelf te bezien, de beschouwer een inzicht in diens innerlijke conflicten en psychische spanningen. De intensiteit en directheid waarmee deze zichtbaar worden gemaakt roept engagement op. De diepe ernst en de scepsis die uit dit werk eveneens naar voren treden verduidelijken de psychische toestand waarin de kunstenaar zich bevond. Gelijktijdig houdt het werk een verwijzing in naar de geestelijke crisis van genoemde periode en naar de algemeen heersende ideologische onzekerheid.

Florence 1938 - 1940
Na zijn reizen naar Italië gaat Koch zich steeds meer interesseren voor de kunst uit de renaissance. Vooral de schilders Mantegna en Piero della Francesca maken grote indruk op hem. Tevens was Koch een groot bewonderaar van de Italiaanse cineast Frederico Fellini, de moderne Italiaanse schilders zoals De Chirico en Severini en het Italiaanse landschap.

Van huis uit was Koch een politiek conservatief man en een cultuurpessimist. Dat was tijdens de donkere crisisjaren niet uitzonderlijk. Het boek 'Der Untergang des Abendlandes' van Oswald Spengler was in die jaren een veelgelezen bestseller. Koch ging echter net een stap te ver nadat hij na een Italiaanse reis aan het eind van de jaren dertig veel sympathie voor Mussolini begon te voelen.

In een bijdrage in de Waag uit augustus 1940 is Koch duidelijk in zijn standpunt naar het fascisme: ..De blijde boodschap van het nationaal-socialisme is nou juist, dat het klasse-isolement wordt opgeheven: ieder krijgt weer de rol en plaats in de maatschappij die hem van nature toebehoort.

Hoewel hij de fascistische thematiek slechts in een paar van zijn werken onverholen tot uitdrukking heeft gebracht (bijvoorbeeld in het 'Zelfportret met zwarte band' (1937) en 'Marschgezang' uit 1940) dragen andere werken er wel de sporen van. Zelfs het statige portret van zijn vrouw Jonvrouw Heddy de Geer (1940), lijkt een ode aan 'De Nieuwe Mensch'.

Utrecht 1940 - 1991

Zijn sympathieen voor het Fascisme werd Koch na de oorlog niet in dank afgenomen. Toch bleef hij rustig doorschilderen.

Zijn werk werd onder invloed van Italiaanse schilders als Andrea Mantegna en Pierro della Francesca zonniger en lichter van kleur. Wat bleef waren de raadselachtige, verstilde expressie en de erotische toespelingen.

Zo is in het fijngeschilderde portret van Jkvr J.C. van Boetzelaer II de invloed van de vroege Italiaanse Renaissance duidelijk herkenbaar door de frontale weergave van het tere, lichtgroene gezicht, het karakteristieke fresco-achtige coloriet en de subtiele weergave van stof en huid.

Na de oorlog werkte hij weer regelmatig en maakte hij werken als "Nonnenglijbaan", "Vrouw met dode vogel" en "Rustende slaapwandelaarster". De thematiek van de werken uit deze tijd verschilde weinig met die van voor de oorlog. Kermisklanten en hoeren bevolkten zijn schilderijen. Daarnaast maakte hij van tijd tot tijd een stilleven en enkele portretten.

Een hoogtepunt bereikte hij in zijn schilderijen van 'slangemensen', zoals 'De grote contorsioniste' (1957).

Ook aan het eind van zijn carrière deed hij nog van zich spreken met bijvoorbeeld 'Het signaal' (1975), dat weer terugverwijst naar de doeken die hij rond de jaren dertig maakte.

In 1980 schildert Koch zijn laatste grote schilderij "De koorddanser III" waarin hij zijn artistiek credo tracht te symboliseren.

In de tweede helft van de tachtiger jaren, tot zijn dood op 27 oktober 1991, leidt Pyke Koch een teruggetrokken bestaan.

Kenmerkend voor Koch zijn zijn nauwgezette en trage wijze van schilderen, alsmede de lange periodes waarin hij niet tot scheppende activiteit kon geraken. Hierdoor is Koch's oeuvre weinig omvangrijk gebleven. Hij liet een oeuvre van nog geen honderd schilderijen na. Daarnaast heeft Koch toneeldecors vervaardigd en maakte hij ontwerpen voor postzegels, een bankbiljet en een lantaarnkap.

Door zijn spel met symbolen en gelaagde betekenissen kan het werk van Koch niet eenduidig geïnterpreteerd worden. Zelf was hij zich daar terdege van bewust, getuige zijn uitspraak: ,,Een schilderij is een zelfbedieningswinkel. Ieder haalt eruit wat hem van pas komt.''


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 360.