kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Religieuze-Kunst

Religieuze Kunst

Artistieke waarde is geen garantie voor religieuze diepgang en authenticiteit en omgekeerd religiositeit niet voor kunstzinnigheid. Dat blijkt wel uit de vaak gehoorde stelling dat veel religieuze en kerkelijke kunstwerken in artistiek opzicht nietszeggend en teleurstellend zijn, terwijl daarentegen kunstenaars die niets met geloof te maken willen hebben, soms een diepe religieuze sensibiliteit ten toon weten te spreiden. Wat is religieuze kunst? Wat maakt een voorwerp tot een kunstwerk? Wat maakt een kunstvoorwerp tot religieuze kunst? Is er in onze moderne, geseculariseerde samenleving nog wel plaats voor religieuze kunst. Hoe is de verhouding tussen kunst en religie? Heeft religie al dan niet kunst nodig en zo ja waarvoor? Of heeft omgekeerd kunst religie nodig en zo ja in welk opzicht?

Byzantijnse Kunst
Tussen de 4de en de 6de eeuw kristalliseerde zich uit de vermenging van verschillende stromingen – de klassieke traditie van het hellenisme, oosterse elementen en provinciale kunstuitingen – een nieuwe kunstrichting, de Byzantijnse. De Griekse traditie manifesteerde zich in de vormentaal en in het gebruik van de motieven, de oosterse in het hiëratische en ongenaakbare. Was de Byzantijnse maatschappij niet slechts op de Griekse cultuur en de Romeinse staatsidee, maar voor alles op het christendom gegrondvest, ook in de kunst speelde de christelijke gedachtewereld een allesoverheersende rol.

Vanaf de definitieve kerstening van het openbare leven onder keizer Theodosius I (379–395) werden godsdienst en Staat aan elkaar geklonken en werd het christendom in feite vrijwel geheel afhankelijk van de Staat. De keizer was als hoogstgeplaatste in de Staat Christus' onderkoning op aarde, ‘de dertiende apostel'. Hij wilde zijn macht ook uiterlijk op elke mogelijke wijze verhogen en haalde de beste kunstenaars naar zijn hof. Geplaatst tegenover het meest protocollaire hof en het meest met uiterlijke glans omgeven keizerschap ontplooide de Kerk een schitterende, op haar omgeving geënte uitbeeldingswereld. De pracht en praal van het Byzantijnse hof werden overgebracht op Christus, de hemelse keizer, op Maria, de hemelse keizerin, en op de heiligen, hun hofhouding. Profane en religieuze kunst waren eensgezind in het uitbeelden van die ene gedachte: de glans van de hemelse hiërarchie die zich weerspiegelt in het Byzantijnse keizerschap.

In de Middeleeuwen kende de kunst eigenlijk geen zelfstandigheid; kunst had in het algemeen een religieuze functie;
Een klooster is een religieuze leef- en werkruimte. Als ze artistiek opgesmukt wordt, moet dat gebeuren in dienst van de mensen die erin leven en werken, en alleen onrechtstreeks met het oog op occasionele bezoekers. Schilderijen en fresco's waren niet alleen religieuze kunst wat hun thematiek betreft maar eerst en vooral door hun functie: een hulpmiddel voor confraters bij hun gebed en meditatie en hun predikatie.

Pas na de 15e eeuw, in de Renaissance tijdens het humanisme, kwam het individu naar voren en ontstond er vrijheid in de kunst en in de 17e eeuw begon ook de religieuze kunst meer interpretatievrijheid te tonen, waarbij de Christusfiguur bijvoorbeeld menselijker trekjes kreeg en een meer gedramatiseerd en gevoeliger voorkomen.

De verwereldlijking van de kerkelijke kunst in het Westen was trouwens los van de Renaissance al eerder aangevangen, zoals dat onlangs nog eens wereldwijd duidelijk werd tijdens de tragische aardbevingen in Italië, waarbij beroemde fresco's van o.a. Giotto verloren zijn gegaan. Wederom in de Volkskrant vond ik de volgende veelzeggende zin: 'De schilder Giotto, die leefde rond 1300, brak als eerste met de plat-Byzantijnse composities van die tijd, zijn afbeeldingen kennen veel meer samenhang en de personen vertonen veel menselijker gelaatstrekken.' Hier wordt de suggestie gewekt dat er in de kerkelijke kunst een soort 'ontwikkeling' had plaatsgevonden van een 'platte primitieve' Byzantijnse kunstvorm (ook nog een kunstvorm van die tijd!) naar een meer 'ontwikkelde', 'samenhangende' en natuurgetrouwe Italiaans-Katholieke schilderstijl.

Wanneer we kijken naar een Westerse Madonna en een Oosterse ikoon van de Moeder Gods dan worden wij een wereld van verschil gewaar. De Westerse Madonna lijkt geheel geïnspireerd door Maria's aardse verschijning met bijna wulpse vrouwelijke vormen en Christus wordt vaak afgebeeld als een wollige baby, die menig vrouw gaarne in haar armen zou willen sluiten. Bezien wij daarentegen de Oosterse afbeelding van de Moeder Gods, dan zien wij zowel haar als Christus in een zodanige serene verschijning afgebeeld, dat zij uit een andere wereld lijken te komen. Blijkbaar is er vanuit een totaal andere conceptie geschilderd.

Evenzeer kan men grote verschillen in opvatting waarnemen bij de kerkelijke architectuur, de liturgische praktijk en de kerkzang. Vaak wordt dit toegeschreven aan het feit dat aan de Oosterse Kerken de Renaissance en de Verlichting zijn voorbij gegaan. In het Westen wordt dit feit overigens bezien vanuit het perspectief van 'een gemiste kans', terwijl in het Oosten de Renaissance wordt beschouwd als een pure restauratie van het heidendom, dat met zijn accent op de mens en de wereld het hele Westerse Christendom heeft uitgehold en geseculariseerd. De Renaissance heeft aldus de religieuze kunstopvatting gedood en de Verlichting het religieuze denken.

Duidelijk is wel dat zowel de Renaissance als de Verlichting typisch Westerse verschijnselen zijn, inhaerent aan en voortkomend uit het Westerse theologische denken. Zij hadden nooit op orthodoxe bodem kunnen ontstaan of zelfs maar kunnen overwaaien naar het orthodoxe kerkelijke bewustzijn.

Kerkelijke kunst is in de Orthodoxie een religieuze en kerkelijke dienst gebleven, die in al zijn uitingsvormen een theologische eenheid vormt, waarin de dogmatiek als levend onderdeel van de traditie naar voren komt. De scheiding tussen kunst, theologie en gebed heeft nooit plaatsgevonden en dat maakt dat ook de hedendaagse ontwikkelingen in de orthodoxe kunst sterk afwijken van de ontwikkelingen in het Westen.

Het Concilie van Trente.
Het Concilie van Trente geeft de richtlijnen voor de Contrareformatie en bepaalt de inhoud van het katholiek humanisme. De religieuze kunst moet ook voor de ongeletterden verstaanbaar zijn, een opbouwend karakter uitstralen en de geloofsverkondiging op een gevoelige wijze illustreren. Het Concilie legt de nadruk op het gemeenschapskarakter van de Kerk, de heiligenverering en de hemelse vreugde waartoe allen geroepen zijn. De herleving van de Roomse Kerk wekt een gevoel van triomfalisme, basis voor de Barok.

Godsdienst in de Nederlanden
De Nederlanden kenden in de zeventiende eeuw een door en door christelijke cultuur. Iedereen geloofde dat God hemel en aarde had geschapen en dat Hij altijd en overal aanwezig was. In het hele leven stond de godsdienst centraal en ongelovig zijn was bijna ondenkbaar. In de onafhankelijkheidsstrijd tegen Spanje nam godsdienst een belangrijke plaats in omdat de Spaanse koning alleen het katholicisme toestond. In de onafhankelijke Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd de gereformeerde religie van de calvinisten de officiële godsdienst. Andere richtingen, bijvoorbeeld katholieken, lutheranen en doopsgezinden, waren niet verboden, maar wie bij de overheid wilde werken, moest lid zijn van de calvinistische kerk. Over het algemeen tolereerden de calvinisten de andere groeperingen, maar soms werd hevige strijd gevoerd over geloofskwesties. Een theologische discussie over de predestinatie (voorbeschikking tot hemel of hel) leidde in het begin van de zeventiende eeuw zelfs bijna tot een burgeroorlog. Godsdienst hield de gemoederen dus flink bezig en dat kwam in alle vormen van kunst duidelijk naar voren. Er werd niet alleen veel religieuze kunst geproduceerd, maar ook in wereldlijke teksten en in beeldende kunst zat meestal wel een godsdienstig element. Voortdurend werd het publiek voorgehouden hoe ze zich als goed christen moesten gedragen.

In de 18de eeuw gaan Kerk en kunst uit elkaar; de kunst ziet het niet meer als haar taak de christelijke boodschap te verkondigen. Ook wanneer de kunst religieuze thema's verwerkt brengt ze meestal toch geen religieuze boodschap meer; bv. een afbeelding van Jezus aan het kruis is geen uitbeelding meer van de verlossing, maar de uitbeelding van het menselijk lijden, dikwijls met een connotatie van een aanklacht of een morele oproep

Veel religieuze gebouwen zijn omgebouwd tot musea en veel religieuze kunst is in het verleden uit zijn oorspronkelijke context gehaald en is beland tegen de maagdelijk witte muren van het museum, waar het tevens zijn oorspronkelijke functie heeft verloren. Hun oorspronkelijke functie blijft misschien in zover bewaard, dat ze voor religieus ingestelde bezoekers een vorm van predikatie zijn.

Begin jaren zestig was er een abrupt einde gekomen aan het eeuwenlange mecenaat van de rooms-katholieke Kerk. De bouw van nieuwe kerken stagneerde, aan de behoefte was ruimschoots voldaan en de secularisatie deed zich steeds sterker gevoelen. De kerken begonnen leeg te lopen. Voor kunstenaars als Jan Dijker, Marius de Leeuw, Gérard Princée, Niel Steenbergen, Albert Troost en Frans Verhaak, in de jaren vijftig nog goed voor talloze monumentale wandschilderingen, glas-in-lood vensters en sculpturen, bood de Kerk geen onderdak meer. Bovendien nam in de jaren zestig een aanzienlijk deel van de geestelijkheid en het kerkvolk radicaal afstand van 'Het Rijke Roomse Leven' met al zijn uiterlijke kenmerken. De liturgie werd sober, aan de zoete heiligen was geen behoefte meer. Menig gipsen beeld belandde op de schroothoop.

Glazenier Jacques Frenken trok zich het lot van deze beelden aan, verzamelde de resten en assembleerde ze tot pop-art achtige beelden. één van zijn werken is een gipsen piëta waar Frenken 365 spijkers in heeft geslagen. Een kritiek op de Kerk die haar erfgoed verkwanselde, maar tevens een nieuw beeld van smarten. In die tijd werd dat echter niet door iedereen onderkend. Frenken werd voor blasfemist uitgemaakt, sommigen zagen in hem zelfs een anti-christ. In een tijdbestek van niet meer dan tien jaar waren kunst en kerk mijlenver uit elkaar gegroeid.

In het midden van de jaren tachtig was het schilderen van religieuze onderwerpen in Nederland zeer ongewoon en niet van gevaar ontbloot. In de kringen van de kunst was religie verdacht en zo ongeveer de grootste zonde die een kunstenaar kon begaan was het werken in dienst van de kerk. Dat stond min of meer gelijk aan het tekenen van een eigen artistiek doodvonnis.

Sindsdien is er echter wel veel veranderd. De Religie is langzaam aan uit de verdomhoek gekropen. Jongere generaties kunstenaars, die gevrijwaard zijn gebleven van de balast van de jaren zestig, hebben zich aangediend. Maar de oude banden tussen kunst en kerk zijn niet hersteld. De rooms-katholieke kerk heeft haar mecenaat, uitzonderingen daargelaten, (nog?) niet hernomen, de initiatieven liggen nu meer aan protestantse kant. In het licht van de historie is dat een gedenkwaardige ontwikkeling, want de meeste protestantse kerkgemeenschappen in Nederland, en zeker de calvinisten, waren tot voor kort 'beeld-vijandig'.

De belangstelling van protestantse zijde uit zich vooral in de organisatie van tijdelijke tentoonstellingen in hun kerkgebouwen en verwante instellingen. Het geeft blijk van een toenemende interesse voor religieuze kunst, maar heeft niet of nauwelijks gevolgen voor het karakter en de inhoud van deze kunst. Opdrachten blijven immers schaars. De religieuze kunst die vandaag de dag het licht ziet, gaat praktisch geheel buiten de kerken om. De kunst is zowel gemaakt als bedacht door individuen. Het werk doet verslag van de persoonlijke beleving van de maker, is gekleurd, vaak moeilijk verstaanbaar en alleen daarom al omstreden. Net als de meeste hedendaagse kunst overigens.

Een van de eerste jonge kunstenaars die het taboe rond de religieuze kunst doorbrak was Marc Mulders. Zijn doeken tonen de sporen van het gevecht met de taaie, nat-in-nat opgebrachte verf, en zijn letterlijk loodzwaar. De onderwerpen doen daar nauwelijks voor onder. Getordeerde bloemstillevens, gevilde konijnen, piëta's, doornenkronen en kruisigingen. Het is de dood die het leven markeert en tekening geeft, maar het lijden en het onrecht blijven onverdraaglijk. Mulders schildert de klacht die uit de aarde opstijgt.

Mulders verbeeldt het aardse, Gijs Frieling het bovenaardse, het mysterie. Hij schildert niet alleen de kruisdood, maar ook het lege graf en de opstanding. Of een engel. Onzichtbaar, zonder uiterlijk en toch wil Frieling er een vorm voor vinden. Frieling heeft daar geen pasklare antwoorden voor. Bij ieder onderwerp moet hij opnieuw op zoek en het resultaat beschouwt als niet meer dan voorstellen. Toch zijn z'n doeken herkenbaar aan de in eitempera opgebrachte verflagen die aan de werken een helderheid en lichtheid meegeven, gelijk een verschijning.

Een verschijning lijkt op komst in de terracotta sculptuur 'Zonder titel' (Madonna-beeld op een haspel) van Guido Geelen, al is Maria op een zeer bijzondere wijze aanwezig. Drie, opeengestapelde en gedraaide Madonnabeelden vormen de buitenkant van het beeld dat van binnen door een fel schijnende lamp wordt verlicht. Het werk doet denken aan een Lourdes-grot, het licht en de haspel verbeelden de energie, de kracht die van Maria naar de gelovigen uitgaat. Het beeld kan ook anders geïnterpreteerd worden en niet alleen gelezen worden als een boodschap van Maria, maar ook aan de Moeder Gods en wellicht aan de vrouw het algemeen. Het licht schijnt immers niet alleen naar buiten, maar ook naar binnen. Een verwijzing naar de Annunciatie, de aankondiging van haar zwangerschap, van de vrucht, het leven dat zij zal dragen.

De verschillen in de benadering en stijl van deze drie kunstenaars laten zien dat het moeilijk is om moderne kunst te categoriseren. Bij ieder werk past een verhaal, of zelfs meerdere verhalen, want al onze pogingen om de werken te verklaren ten spijt, blijven het niet meer dan interpretaties.

de religie staat sinds enige jaren sterk in de belangstelling van de kunstenaars. Niet omdat de kunstenaars nu opeens zoveel geloviger zijn geworden dan de doorsnee Nederlander of Vlaming, wel omdat zij een meer dan gemiddeld oog hebben ontwikkeld voor de beelden van smart en hoop, voor de mythen en verhalen, voor het aardse en het mysterie die door de religies in het algemeen, en door christenen bij ons in het bijzonder, zijn voortgebracht.

Kunstenaars in wier werk het religieuze op een of andere manier een belangrijke rol speelt: Gijs Frieling, Harrie Gerritz, Gérard Garouste, Paul Klemann, Mark Mulders en Rinke Nijburg.

Relevante verwijzingen: De orthodoxe opvatting van religieuze kunst


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 40.