kunstbus

Ben jij onwetend, leerling, gezel, meester of uomo universale? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 10-01-2013 voor het laatst bewerkt.

Rembrandt

Rembrandt (1606/7-1669)

Noord-Nederlands (vóór 1775) etser, graveur, schilder, tekenaar en kunstverzamelaar.
Onderwerpen: genrekunst, historie, landschappen, portretten, tronies.

Naamsvarianten: Rembrandt Harmensz. van Rijn, Rembrandt Harmenszoon van Rijn, Rembrandt van Rijn, Rembrandt Harmensz. van Rhijn, Rembrandt van Rijn,

Geboorteplaats/datum: Leiden 15 juli 1606,
Sterfplaats/datum: Amsterdam 4 oktober 1669, 8 oktober 1669 begraven.

Leerling van Pieter Lastman, Jacob Isaacsz. van Swanenburgh,
Beinvloed door Jacob Symonsz. Pynas,
Rembrandt had zelf vele leerlingen en navolgers: Rembrandts leerlingen...

Gouden Eeuw
Rembrandt Harmensz van Rijn wordt algemeen beschouwd als de belangrijkste Nederlandse schilder van de 17e eeuw. Ook zijn vele etsen en tekeningen zijn beroemd. Zijn bijdrage aan de kunst viel in een periode die geschiedkundigen de (Nederlandse) Gouden Eeuw noemen, een tijdperk (ruwweg samenvallend met de 17e eeuw) waarin de Nederlandse cultuur, wetenschap, handel, wereldmacht en politieke invloed op hun hoogtepunt waren. Zijn carrière ontwikkelde zich in een tijd waarin Nederlandse kunstenaars als gevolg van de zeer gunstige economie veel opdrachten kregen. Het aantal schilderijen en prenten dat in die periode werd gemaakt is niet alleen onvoorstelbaar groot, de kwaliteit was doorgaans ook bijzonder goed.

1568-1648 Tachtigjarige Oorlog tussen de Noordelijke Nederlanden en Spanje.
1602 Oprichting van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC), een handelsorganisatie van Nederlandse steden. De schepen van de VOC varen naar Aziatische landen, waar specerijen, porselein, kostbare stoffen en andere goederen worden ingekocht.
1609-1621 Wapenstilstand in de Tachtigjarige oorlog: het Twaalfjarig Bestand.
1621 Oprichting van de West-Indische Compagnie, een organisatie die handel drijft met plaatsen in Noord- en Zuid-Amerika en Oost-Afrika.
1648 Vrede met Spanje. In Amsterdam verrijst op de Dam een nieuw stadhuis.
1652-1654 De Eerste Engels-Nederlandse Oorlog.
1655 Voltooiing van het nieuwe Amsterdamse stadhuis op de Dam.
1665-1667 Tweede Engels-Nederlandse Oorlog.

Zijn beheersing van licht en donker, waarbij hij vaak scherpe kontrasten neerzette, om zo de toeschouwer in het schilderij binnen te leiden, waardoor de hoofdzaak direct duidelijk werd, zijn levendige scenes vol dramatiek, en geheel zonder de strakke formaliteit die andere kunstenaars in die tijd vaak hanteerden, zijn zichtbare betrokkenheid en compassie voor de medemens, ongeacht rijkdom, leeftijd of afkomst, dit zijn zo een aantal kenmerken die maken dat Rembrandt over ter wereld begrepen en gewaardeerd wordt.

Zie ook Rembrandts oeuvre en Rembrandts zelfportretten.

biografie
Rembrandt Harmenszoon van Rijn, werd (volgens Orlers) op 15 juli 1606 in Leiden geboren, (hoewel er schriftelijke bronnen zijn waarin Rembrandt zelf zegt in 1607 geboren te zijn), als zoon (negende kind van tien? Rembrandt had minstens 8 broers en zussen.) van molenaar Harmen Gerritszoon van Rijn en bakkersdochter Neeltje Willemsdochter van Suydbroeck, en behoorde tot de gegoede middenklasse.

Rembrandt was de enige in het welvarende gezin die een humanistische opleiding kreeg. Als jongste zoon vonden zijn ouders dat Rembrandt een academische vorming moest krijgen. Vanaf zijn tiende (1613-1620) gaat hij naar de Latijnse school. Hier werden de leerlingen onderricht in het Latijn. Onderling werd Latijn gesproken en alle examens werden in het Latijn afgelegd. Ook krijgt hij hier zijn eerste tekenlessen.
Op zijn veertiende werd Rembrandt nog ingeschreven aan de Leidse universiteit waar hij letteren zou studeren. Dat betekent dat hij rechter of dominee of iets anders wou worden. Waarschijnlijk heeft hij echter geen lessen gevolgd. De inschrijving levert hem wel vrijstelling van de dienstplicht op en belastingvrij wijn en bier.

1621 Eerste leermeester Jacob van Swanenburgh
Rembrandt besloot om zich geheel op het schilderen toe te leggen. Van 1621 tot 1624 gaat hij in de leer bij zijn eerste leermeester: de Leidse schilder Jacob van Swanenburgh.
Als leerjongen in het atelier van Van Swanenburgh oefent Rembrandt in het gebruik van verschillende materialen en technieken. Hij bekwaamt zich in de voorbereidingen die een schilder dient te treffen voordat hij kan schilderen. Hij maakt zich eerst de tekenkunst meester. In pen, inkt en krijt tekent hij modellen en voorbeelden van andere meesters na. Pas dan is Rembrandt klaar voor 'het echte werk': schilderen in olieverf.

Na een studieperiode van drie jaar start hij in 1624 zijn eigen atelier in Leiden, waar hij nauw samenwerkt met zijn vriend Jan Lievens. Rembrandt voelt zich dikwijls Lievens mindere en kan dat niet verkroppen. Soms predateert hij daarom etsen, waardoor het lijkt alsof hij zelf met een bepaald idee kwam, en niet Lievens. In enkele gevallen schildert hij tijdens buitenlandse reizen van Lievens zelfs diens werken af om ze met zijn eigen naam te signeren. Het is dan ook vaak hommeles tussen de twee.

Pieter Lastman
Rembrandt had bij Jacob van Swanenburgh zulke goede vorderingen gemaakt dat zijn vader erin toestemde dat de ambitieuze Rembrandt zijn studie zou voortzetten in Amsterdam bij de historieschilder Pieter Lastman. Lastman, een schilder van bijbelse, mythologische en historische taferelen, wordt als een belangrijke invloed op Rembrandt gezien. Hij bracht Rembrandt een goed gevoel voor compositie bij. Ook deed hij Rembrandt inzien hoe hij religie en geschiedenis als inspiratiebronnen voor zijn werk kon gebruiken.

Lastman had in de vroege jaren van de eeuw zelf in Italië gestudeerd. Natuurlijk gaf hij ook zijn italiaanse indrukken en ontdekkingen aan Rembrandt door. Via Lastman maakte Rembrandt kennis met Adam Elsheimer en de sterke licht-donkercontrasten in het werk van de caravaggisten van de Utrechtse school zoals Gerard van Honthorst, Gerard van Honthorst, Hendrik ter Brugghen, en Dirck van Baburen. Hij is dol op hun voorbeeld, de Italiaanse schilder Caravaggio, die donkere, harde werken maakt. De bonte kleuren waarmee Rembrandt zijn vroegste historiestukken schilderde, maken als gevolg hiervan ruimte voor bruintinten. Figuren gaat hij vooral met behulp van licht en donker neerzetten, een techniek die hij zijn verdere leven uitwerkt en gebruikt.

Naast Lastman hebben mogelijk ook de gebroeders Jan en Jacob Pynas in Amsterdam invloed uitgeoefend op Rembrandt. Arnold Houbraken vermeldt Jacob Pynas als zijn leermeester.

1625 Leiden: Atelier (met Jan Lievens)
Rembrandt studeerde een half jaar bij Pieter Pietersz. Lastman. Na deze korte maar belangrijke leerperiode in Amsterdam begon Rembrandt als zelfstandig meester in zijn atelier in Leiden, dat hij deelde met vriend en collega Jan Lievens. Lievens was ook bij Lastman in de leer geweest. De twee jonge, eigenzinnige schilders werden al snel bekend. Vanuit Amsterdam komen steeds meer opdrachten. Dat is op dit moment nog niet zozeer te danken aan de kwaliteit van het werk als wel aan de goede contacten die zij hebben. Rond 1628 trokken zij de aandacht van Constantijn Huygens (1596-1687), de secretaris van de prins van Oranje. Zo kregen zij hun eerste opdrachten van het stadhouderlijk hof in Den Haag.

In Rembrandts Leidse periode was de invloed van Lastman duidelijk zichtbaar; De Doop van de Kamerling en Het Feest van Esther. Dit blijkt uit het bonte, aanvankelijk harde coloriet, de dramatische clair-obscur-belichting (felle belichting van details) en uit de nadruk op de uitbeelding van sterke gemoedsaandoeningen.

Veel werken uit deze Leidse periode tonen al een grote belangstelling voor lichteffecten en behelzen voorstellingen van geleerden of studies van de ouderdom van de mens, zoals de disputerende geleerden en Tobias (1928), Anna en het bokje (1926).
De meeste vroege werken zijn kleine panelen of koperplaten, rijk in detail (b.v. in kostuums en juwelen) en met vrij bonte kleuren. Religieuze en allegorische thema's overheersten. Rembrandt signeerde met het monogram RHL (inéén; voor: Rembrandt Harmensz. Leidensis) gemerkt.

Gerard Dou (1613-1675)
In februari 1628 kreeg Rembrandt zijn eerste leerling, de 14-jarige Gerard Dou. Rembrandt ondervond dus kennelijk reeds waardering, hoewel hij nog maar 21 jaar oud was. Datzelfde jaar werd hij ook leermeester van Isack Jouderville (1612-1645/48). Gerard Dou en Jouderville bleven beiden tot 1631 bij Rembrandt in de leer.

Rembrandt's etsen
De eerste etsen uit 1626 worden nog gekenmerkt door een grove schetsmatigheid, maar in 1628 had Rembrandt de techniek volledig onder de knie. Uit fijne, de etsgrond wegstrijkende streepjes bouwde hij zijn eerste fysionomische studies op, daarbij uitvoerig ingaande op de gelaatsexpressie; het overige is meestal slechts schetsmatig aangegeven. Men kan aannemen dat zijn etstechniek zijn vroege schildertechniek beïnvloed heeft d.w.z. dat hij net als bij de etsgrond kraste en tekende in de nog natte verflaag om bijv. de haargroei of het bont aan te geven.

Rembrandt's tekeningen
Onder de tekeningen vallen de vlugge, maar trefzekere schetsen van bijbelse voorstellingen en uitgewerkte studies van oude mannen met baard op. Zij zijn doorgaans in zwart en/of rood krijt uitgevoerd.

Tegen 1630 werd het coloriet in zijn schilderijen zachter, met een duidelijke voorliefde voor paars, bronsgroen en gedempt geel.

Amsterdam
In 1631 had Rembrandt zo'n stevige reputatie opgebouwd dat hij verschillende opdrachten voor portretten kreeg uit Amsterdam. Rembrandt reist nu veelvuldig heen en weer tussen Amsterdam en Leiden. Dit was voor hem reden om naar die stad te verhuizen en juli 1632 in te trekken bij de kunsthandelaar Hendrick van Uylenburgh wiens commerciële uitbating van zijn atelier een voorbeeldfunctie heeft voor Rembrandt.

Wanneer hij zijn eigen atelier start in Amsterdam heeft hij net als van Uylenburgh leerlingen in dienst, onder wie Ferdinand Bol, Govert Flinck en Carel Fabritius, die moesten betalen voor hun opleiding. Het grootste deel van hun opleiding bestond uit het maken van kopieën van zijn eigen werk. Deze kopieën waren het bezit van Rembrandt en vormden zodoende een bron van inkomsten. Als het werk van zijn leerlingen of oud-leerlingen door Rembrandt beschouwt werd als een werk wat hij mogelijk zelf gemaakt kon hebben ging er ook zijn eigen handtekening onder. Het schilderij was dan meer waard. Een dergelijke werkwijze was in die tijd niet ongebruikelijk. Dit is overigens ook de reden dat experts zo veel moeite hebben met het onderscheiden van de 'echte' Rembrands van die van leerlingen en oud-leerlingen.

Gedurende zijn eerste jaren in Amsterdam maakte Rembrandt vooral grote doeken, gebruikte hij felle kleuren en schilderde hij vooral dramatische taferelen. De schilderijen uit deze meest barokke periode zijn breed en met veel bravour opgebouwd.


1632 Anatomische Les van Dr. Nicolaes Tulp, doek, 163x217, Gesigneerd en gedateerd 1632, Mauritshuis, Den Haag.
Rembrandt is een moeilijk mens, wat hem de nodige problemen met het verkrijgen van opdrachten oplevert. Zijn dwarse karakter doet hem kansen missen en het feit dat hij geen calvinist is, helpt ook niet mee. Toch krijgt Rembrandt de opdracht voor zijn eerste groepsportret: De anatomische les van dokter Nicolaes Tulp. Dit werk is een mijlpaal in het leven en werk van Rembrandt. De opdracht was bijzonder eervol. Hoewel er voldoende Amsterdamse portretschilders van naam waren, die daarvoor in aanmerking kwamen, zoals Pickenoy, Van der Voort of Thomas de Keyser, kreeg de jonge Rembrandt uit Leiden de opdracht. Uit De anatomische les van dr. Nicolaas Tulp bleek zijn fascinatie voor gezichten.

Rembrandt maakte na deze opdracht veel portretten van welgestelde, modieus geklede Amsterdamse burgers, theatrale portretten van oosterlingen en mythologische figuren (Saskia als Flora, 1634; Hermitage, Sint-Petersburg) gekenmerkt door dezelfde pronkachtige zwier en rijke aankleding. Hij vervaardigde talrijke, monumentale portretten, vaak paren, zoals Maarten Daey en zijn vrouw (1634), Maarten Soolmans (1634), Jan Pellicorne en zoon en Jan Pellicornes vrouw en dochter (ca 1636). Zijn overige schilderijen toonden vooral bijbelse en mythologische taferelen.

Vanaf 1632 zijn de schilderijen voluit met Rembrandt gesigneerd.

In zijn werk uit deze periode wordt het licht-donkercontrast steeds sterker, de toets losser en de expressie van de afgebeelde personen steeds overtuigender. Het coloriet wordt geleidelijk gedempter, de tonaliteit wordt vaak bepaald door goudbruin, rood dat aan koper doet denken, zachtblauw, violet, mosgroen, geel, terwijl vele soorten zwart, zoals violetzwart, zorgen voor de contrastwerking. Bij historiestukken koos Rembrandt telkens voor een origineel en beslissend moment in het verhaal. Met de dramatische composities uit deze jaren wilde hij waarschijnlijk de beroemde Vlaamse barokschilder Peter Paul Rubens evenaren.

De tekeningen tonen nu een grotere verscheidenheid in technisch en stilistisch opzicht; met een rake veren pen werden in huis of op straat bewegingen vastgelegd, terwijl zelfs de middeleeuwse zilverstift werd beproefd. Door middel van de betrekkelijk dunne, korte arceringen worden soms vrij uitvoerig de details uitgebeeld.

Bij de etsen valt het verschil op tussen schetsen, die veel vrijer van opzet zijn, zoals de meesterlijke studies van Saskia, en de volledig uitgewerkte, voor de kunsthandel bestemde, meestal bijbelse taferelen. De fijne etstechniek blijft voorlopig nog zeer gedetailleerd.

In 1633 kreeg hij van stadhouder Frederik Hendrik een opdracht voor het schilderen van een reeks van vijf kleine passietaferelen, schilderijen over het lijden van Christus, wat hem voor de komende jaren uitzicht geeft op een inkomen.

Saskia
Rembrandts verblijf in het huis van Hendrick Uylenburgh heeft er zonder twijfel toe geleid, dat hij er diens jonge nichtje Saskia heeft leren kennen. 22 juni 1634 (ondertrouw 10 juni 1634) trouwde Rembrandt Hendrick's pleegdochter, de welgestelde nicht Saskia van Uylenburg in de gereformeerde kerk te Sint-Annaparochie in Friesland. Als dochter van een patriciër, haar vader was oa burgemeester van Leeuwarden geweest, kon zij hem, al had ze als wees minder geld en connecties in Amsterdam dan soms gewenst, in de hogere sociale milieus introduceren, waardoor zijn roem zich verder verbreidde. Mede door zijn huwelijk met Saskia van Uylenburgh kreeg hij veel opdrachten voor portretten. Behalve haar oom Hendrick woonde ook haar veertig jaar oudere nicht Aaltje Uylenburg, gehuwd met ds. Jan Cornelisz. Sylvius, in Amsterdam. Zij is met deze nicht altijd goed bevriend geweest. (zie ook Saskia van Uylenburgh)

Rembrandt en Saskia betrekken een huurwoning aan de Nieuwe Doelen, waar zoon Rombartus wordt geboren. Deze sterft echter al na twee maanden. Kort erop verhuist het echtpaar naar een nieuwe woning, waar dochter Cornelia wordt geboren. Net als haar broertje sterft ze snel: ze wordt nog geen maand oud.

Op 8 oktober 1637 kocht Rembrandt een schilderij van Rubens. Rembrandt legde een eigen kunstverzameling aan, voor zichzelf en voor de verkoop. Een Rubens mocht in zijn verzameling niet ontbreken. Het schilderij van rond 1605 verbeeldde de mythe van Hero en Leander. Leander zwemt ’s nachts de Hellespont over om bij zijn geliefde Hero te komen. Als de fakkel die Hero heeft aangestoken om hem de weg te wijzen dooft in een storm, verdrinkt hij. Rubens schilderde de nachtelijke onweersstorm en het woest kolkende water met daarin het bleke lichaam van Leander. Zulke schilderijen wilde Rembrandt zelf ook graag schilderen. Rubens was in die tijd zijn grote voorbeeld. Hij bestudeerde het werk van de meester en schilderde net als hij onstuimige historiestukken. In 1644 verkocht Rembrandt zijn ‘Rubens’ voor 530 gulden — met winst dus — aan de kunsthandelaar Lodewijk van Ludick. Het schilderij hangt tegenwoordig in New Haven, in de Verenigde Staten.

Landschappen
Eind jaren dertig schilderde Rembrandt zijn meeste landschappen en maakte hij veel etsen over de natuur. Zijn landschappen waren in die tijd vaak speelbal van die natuur, met dreigende wolkenluchten en bomen die door de storm geknakt waren. Meestal bergachtige fantasielandschappen in de trant van Hercules Segers. Rembrandt had zelf acht werken van hem in zijn bezit. Rembrandts landschappen zijn dramatisch, vooral door de lichtinval. De doeken, die later zo werden gewaardeerd om deze techniek, waren in zijn tijd niet erg populair.
Vanaf 1640 maken de duistere krachten van de natuur plaats voor rustige Hollandse plattelandstaferelen.

Rembrandthuis
In 1639 verhuizen Saskia en Rembrandt naar een voornaam en duur huis in de Sint-Anthonisbreestraat in de joodse wijk. Rembrandt betaalt er 13.000 gulden voor. De schilder omringt zich sowieso graag met dure dingen, hij heeft een grote verzameling prachtige spullen, die hij regelmatig in zijn schilderijen afbeeldt. De weelde van een groot woonhuis en luxe aankopen rechtvaardigt hij met de opdracht voor De Nachtwacht, die hij in hetzelfde jaar krijgt.
De straat heet tegenwoordig Jodenbreestraat en het huis is nu Museum het Rembrandthuis. Daar wordt ook zoon Titus geboren. De omgeving gaf Rembrandt de gelegenheid om joodse gezichten te bestuderen, een inzicht dat de waarachtigheid van zijn bijbelse werk ten goede kwam. Rembrandt heeft ongeveer 300 werken vervaardigd met bijbelse thematiek.

Aanvankelijk was zijn schilderwerk vrij barok, maar vanaf ca 1640 werd Rembrandts werk soberder, wat wellicht te verklaren is uit de familietragedies die hem overkomen waren. In de schilderijen (overigens ook in de tekeningen) maakt het dramatisch bewogene geleidelijk plaats voor een overwogen plaatsing van de figuren en een harmonische toepassing van de lichtcontrasten. Uitbundigheid maakte plaats voor diep gevoelde innerlijke emoties. Het formaat van de doeken werd weer kleiner.
Ook zijn indringende portretten worden minder theatraal. Zijn portretten gaven het blijk van diepe invoeling in de emoties van de geportretteerden.
Hoogtepunt op het gebied van regie van personen en door het gebruik van lichteffecten is het in 1642 voltooide Korporaalschap van kapitein Banningh Cock, de Nachtwacht (Rijksmuseum, Amsterdam).
Zowel compositioneel als koloristisch hebben sedert ca 1640 schilderijen van meesters als Rafaël en Titiaan Rembrandts verdere ontwikkeling medebepaald.
Bijbelse taferelen waren nu vooral gebaseerd op het Nieuwe Testament, en niet meer op het Oude Testament zoals eerder het geval was geweest. De bijbelse voorstellingen, waaronder vier schilderijen van de Heilige Familie, munten uit door eenvoudige huiselijke sfeer en rustige compositie en gaan meestal op naar het leven gemaakte penkrabbels terug.
De belangrijkste vernieuwing in de tekeningen wordt gevormd door de topografische landschappen vanaf ca 1640, gemaakt op wandelingen in de omgeving van Amsterdam of in Amersfoort en Rhenen. Deze ongecompliceerde en spontane weergaven van het Hollandse landschap getuigen van een zeldzaam raffinement.
Terugkeer tot de natuurbeleving spiegelt zich ook in de etsen af, al missen deze veelal de spontane directheid van het werken in de natuur. Het werk van de etsnaald wordt anders, schijnbaar minder uitvoerig, maar uitgebreid door het gebruik van de droge naald. Van het papier zijn grotere partijen uitgespaard als contrast met de gradueel donkere dichtheid van de parallelle of van de kruisarceringen; de plaats van de in deze lichtpartijen met droge naald zuiver getekende figuren wordt van nu af steeds belangrijker.
Landschappen werden vaker geëtst dan geschilderd. De duistere krachten van de natuur maakten plaats voor rustige hollandse plattelandstaferelen.


1639-1642 De compagnie van Frans Banning Cocq beter bekend als De Nachtwacht doek, 438x359, Gesigneerd: Rembrandt f. 1642. (Rijksmuseum, bruikleen van de stad Amsterdam)
De bekende Nachtwacht (zijn grootste schilderij) wordt als een laatste barokke uitspatting gezien en is net zo wereldlijk en energiek was als enig schilderij daarvoor. Hij zou dit werk bestemd voor de Amsterdamse Doelen overigens in de Zuiderkerk geschilderd hebben, aangezien zijn atelier te klein was voor een doek van die omvang. Elke geportretteerde betaalde naarmate hij op de voorgrond stond, maar lang niet iedereen was gelukkig met de wijze waarop hij geschilderd was. De vrijheid van de voorstelling gaat in dit werk duidelijk veel verder dan in soortgelijke schuttersstukken van Van der Helst, De Keyser of Hals. Het werd dus niet begrepen en door de Doelen geweigerd.
Het doek was oorspronkelijk nog groter en hing in de feestzaal van de Kloveniersdoelen. Sinds 1715 hing het in de kleine raadzaal van het Oude Stadhuis. In 1815 verhuisde het naar het Trippenhuis. In 1808 kwam het in bruikleen van de stad Amsterdam.

De verminderde waardering voor Rembrandt en tengevolge daarvan verslechterende financiële situatie had sterk te maken met de manier waarop hij omging met zijn opdrachtgevers. Rembrandt liet opdrachten gedurende jaren aanslepen. Pas wanneer hij geld nodig had voelt hij zich geroepen de schilderijen af te leveren. Hij vraagt vervolgens het dubbele van de afgesproken prijs. Nadat met deze verhoogde prijs is ingestemd, doet hij weer een poging om de prijs te verhogen. Dergelijke zaken hebben hem waarschijnlijk een slechte naam bezorgt. Eveneens heeft hij geld verloren door te speculeren.

Dat Rembrandt boven zijn stand leefde blijkt ook uit het zelfportret met Saskia (ca 1642) , een voorbeeld van schreeuwerige overdaad. Hij schilderde, tekende en etste trouwens vele portretten van zijn Saskia.

Titus (1641-1668)
In 1640 krijgen Rembrandt en Saskia opnieuw een dochter en noemen haar wederom Cornelia. Het meisje blijft maar enkele weken in leven. In september van het jaar erop wordt Titus geboren. Dit kind blijkt wel levensvatbaar, maar Saskia ziet het niet groot worden. Ze wordt ziek en sterft op 14 juni 1642 aan tbc. Titus is dan nog geen jaar oud. Zelf wordt Saskia slechts 29 jaar oud.

De dood van zijn vrouw doet Rembrandt geen goed. En de schulden die hij heeft door zijn huis maken de situatie er niet beter op. Rembrandt laat zich van zijn slechtste kant zien. Leerlingen moeten in die periode zelfs gaan betalen voor de lessen. In ruil daarvoor worden ze tot tranen toe afgebekt door de meester, die zich opgejaagd voelt om maar zoveel mogelijk omzet te boeken. Zijn afzetmarkt probeert hij in zijn greep te houden door de etsplaten in eigen beheer te houden en door op veilingen op zijn eigen werk te bieden om de prijs op te drijven. Het helpt allemaal niet veel. Rembrandt kan gewoon niet met geld omgaan, reden waarom Saskia in haar testament haar bezittingen vermaakt aan Titus en niet aan haar man.

Het aantal werken uit deze jaren dat met zekerheid aan hem kan worden toegeschreven is gering en zeer ongelijk van uitvoering.

Geertje Dircx
Geertghe Dircx werd na de dood van Saskia aangesteld als het kindermeisje van Titus. Hij begint een relatie met haar die enkele jaren later in een scheiding eindigt. Geertje daagde Rembrandt in 1649 voor de rechter wegens verbroken huwelijksbeloften. Het hof had bepaalde dat hij alimentatie moest betalen op voorwaarde dat zij Titus als enige erfgename behield en zij geen van Rembrandts verkregen bezittingen verkoopt. Wanneer zij toch een ring verkoopt hielp hij om haar in 1650 een aantal jaren in een spinhuis te laten opsluiten.
Al deze onverkwikkelijke gebeurtenissen waren het gevolg van zijn liefde voor de 22 jaar jongere Hendrickje Stoffels. Hendrickje Stoffels, die al enige tijd Rembrandts huishoudster was geweest, trok bij hem in. Dit leverde Rembrandt in 1654 een officiële berisping van de Kerk op, omdat hij 'in zonde leefde'.

Hendrickje Stoffels (1626-1663)
In januari 1647 hertrouwde Mechteld Lamberts, de moeder van Hendrickje Stoffels, met de buurman sergeant Jacob van Dorsten, een weduwnaar met drie kleine kinderen. Het is zeer aannemelijk dat de veranderende gezinssituatie voor Hendrickje aanleiding zijn geweest uit Bredevoort te vertrekken, om in Amsterdam de soldatenweduwe Geertje Dirks te helpen in de huishouding van de schilder Rembrandt.
Dat Rembrandt al spoedig onder de indruk kwam van de frisse schoonheid van Hendrickje en zich onttrekken wilde aan al of niet duidelijke toezeggingen aan Geertje Dirks bleek uit een heftige ruzie tussen Rembrandt en Geertje, die in het voorjaar van 1649 plaatsvond en waarvan Hendrickje getuige is geweest. Pas in oktober 1649 legt Hendrickje daarover bij de notaris een getuigenis af. De reden voor deze late getuigenverklaring was gelegen in het feit dat Hendrickje in de zomer van 1649 terug was in Bredevoort. Ze treedt dan als doopgetuige op in de kerk van Bredevoort. De ten dele niet gelokaliseerde etsen van Rembrandt uit de jaren 1649 en 1650 zouden erop kunnen wijzen dat Rembrandt samen met Hendrickje de reis naar Bredevoort heeft ondernomen.
In het jaar 1654 is Hendrickje in verwachting van een kind uit haar verhouding met Rembrandt. Ze wordt wegens overspel voor de kerkenraad gedaagd en verschijnt pas bij de vierde daging op 23 juli 1654 waar ze alleen de bestraffing van de kerkenraad aanhoort. Een bewijs van moed en innerlijke kracht van de vrouw die haar situatie zoals die is, aangaat en de consequenties ervan op zich neemt.
periode is Rembrandts schilderkunst tot volle ontplooiing en rijpheid gekomen. Schilderijen werden weer groter, kleuren feller, dieper en rijker, penseelstreken krachtiger, de werkwijze afwisselender en, naast een incidentele neiging tot sober monochroom coloriet, heeft vooral diep rood, bruin en goudgeel de voorkeur.
Hiermee nam Rembrandt afstand van eerder werk en van de heersende mode, die juist meer en meer neigde tot fijn, gedetailleerd werk. Hij gebruikte nog steeds veel bijbelse thema's, maar de nadruk lag nu niet meer op groepsscenes maar meer op intieme portretachtige figuren.

De verf wordt steeds pasteuzer, dikker en breder aangebracht, na 1660 soms met paletmes en brede borstel. De koloristische relatie met de Venetiaanse schilderkunst van de 16de eeuw, in het bijzonder met de late stijl van Titiaan, wordt steeds duidelijker. De lange reeks van zelfportretten wordt afgesloten met een portret met het als het ware in de verf geboetseerde, opgezwollen gezicht (Mauritshuis, Den Haag).

In zijn tekeningen zette Rembrandt in het begin van de jaren vijftig zijn studies van het landschap voort. Het gebruik van de brede rietpen hierbij en ook bij andere onderwerpen veroorzaakte een zekere hoekigheid van de lijnvoering. Geheel anders van karakter echter zijn de late, vloeiende penseeltekeningen, die op bestudering van Aziatische voorbeelden duiden. De studies van vrouwelijke naakten completeren ten slotte de rijkdom van het getekende oeuvre.
De burijn en vooral de droge naald werden in deze periode de meest gebruikte instrumenten voor zijn etsen. Op de koperplaat gelaten of aangebrachte inkt werd soms als monotype afgedrukt; deze nieuwe werkwijze werd meestal bij nachtscènes toegepast, waarvan doorgaans verschillende staten bestaan. Door het gebruik van Japans of Chinees papier en van perkament werd een verdere verfijning van de contrastwerking bereikt. Uit ca 1654 dateert ten slotte de diagonale arceringswijze naar het voorbeeld van Andrea Mantegna. Na 1660 heeft Rembrandt, mogelijk door de verzwakking van zijn gezichtsvermogen, geen etsen meer gemaakt.

Op 30 oktober 1654 wordt de dochter Cornelia van Rijn, dochter van Hendrickje Stoffels en Rembrandt van Rijn in de Oude Kerk te Amsterdam gedoopt.

Rond 1653, als Amsterdam wordt geteisterd door de pest, gaat het bergafwaarts met de financiële situatie van Rembrandt. Hij maakt grote schulden om zijn huis af te betalen, onder andere bij zijn vriend Jan Six, de burgemeester van Amsterdam. Maar zijn problemen halen hem in. Rembrandt leefde in die tijd boven zijn vermogen. Hij kocht veel kunst, kostuums (die hij vaak in zijn schilderijen gebruikte) en curiosa. Door een economische crisis moest hij de hypotheek van zijn woonhuis en atelier in de Breestraat in één keer afbetalen. Dit leidde in 1656 tot zijn faillissement. (Rembrandt zit aan de grond en moet met lede ogen toezien hoe zijn bezittingen verkocht worden. Ten behoeve daarvan wordt een inventarislijst opgesteld, die ons vandaag de dag gedetailleerd inzicht geeft in de spullen waarmee Rembrandt zich omringde.

In zijn laatste jaren kreeg hij nog verscheidene grote opdrachten, zoals De anatomische les van Dr. Deyman (1656), De Samenzwering van de Batavieren (1661) en De Staalmeesters (1662).

1660 Rembrandt betrekt een bescheiden woning op de Rozengracht. Zijn vrouw Hendrickje en zoon Titus begonnen daar een kunsthandel om voor de nodige inkomsten te zorgen. Rembrandt werkte voor dit vennootschap, waardoor het verdiende geld niet aan Rembrandts overgebleven schuldeisers hoeft te worden betaald.

Rembrandts roem verbleekte in deze tijd enigszins, maar dit zou in later jaren opnieuw veranderen. In deze periode ging hij vooral om met andere kunstenaars.

(??? Rembrandt probeert het nu ook met landschappen. De doeken, die later zo worden gewaardeerd om hun lichtinval, zijn echter niet populair. De vrolijke en idyllische landschappen van Ruisdael zijn veel meer in trek. ???)

1662 De Staalmeesters olie op doek, 279x192
Rembrandts laatste officiële opdracht.

In 1663 keert de pest terug in Amsterdam en daarmee de rampspoed voor Rembrandt. Zijn Hendrickje sterft. Rembrandt begraaft haar in de Westerkerk.
Hendrickje komt uit de biografieën naar voren als de zorgzame vrouw, die Rembrandt in de ongetwijfeld zeer zware jaren van financiële moeilijkheden terzijde heeft gestaan en zijn trouwe levensgezellin is gebleven tot haar dood. Er is geen enkele reden om aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen, al weten we in feite bitter weinig van haar.
De reden waarom Rembrandt haar niet getrouwd heeft, zal wel samenhangen met de financiële consequenties die een dergelijk huwelijk mee zou hebben gebracht. De erfenis van Saskia zou dan voor een deel zijn teruggevallen aan haar familie. Rembrandts geldzorgen waren in die tijd al aanzienlijk. Of het verschil in stand tussen Rembrandt en Hendrickje een andere reden was, valt moeilijk te beoordelen.
Een gedocumenteerd portret van Hendrickje bestaat niet, maar het is mogelijk dat de vrouw die hij na 1650 geregeld schilder, inderdaad Hendrickje is.

1664 Rembrandt maakt zijn laatste ets (een portret van de arts Jan Antonides van der Linden) en nog een jaar later zijn laatste grote werk in verf, Het joodse bruidje.


1664/1665 Het Joodse Bruidje (Isaac en Rebekka) Gesigneerd, olie op doek, 122x167, Rijksmuseum, Amsterdam

In 1668 is het nog even feest als Titus met Magdalena van Loo trouwt. Maar Titus maakt de geboorte van zijn dochter Titia niet meer mee. Hij sterft, 27 jaar oud, halverwege 1668 aan de pest. Rembrandt geniet maar kort van het grootvaderschap.

Rembrandt overleefde zowel Hendrickje als Titus. Aan het eind van zijn leven had hij alleen zijn dochter Cornelia nog. Hij stierf op 4 oktober 1669 in Amsterdam, 63 jaar oud, en werd 9 oktober 1669 net als zijn zoon begraven in een anoniem gehuurd onbekend graf in de Amsterdamse Westerkerk. Een gedenksteen ter zijner ere wordt bij gebrek aan beter daarom aangebracht tegen een van de pilaren bij het graf van zijn zoon Titus.
Of Rembrandt in armoede gestorven is niet duidelijk, want ook na zijn faillissement kreeg hij verschillende belangrijke opdrachten. Bovendien dreef hij een handel in zijn eigen etsen en oude kunst.

Waardering
Rembrandt behoort tot die geniale vernieuwers die gehele generaties kunstenaars in hun ban hielden; ook tijdens zijn leven was hij internationaal beroemd. Tegen 1660 moet, door opkomende classicisme, de waardering voor zijn werk zijn afgenomen. Tijdens de romantiek werd het zeer bewonderd, een bewondering die ook in de 20ste eeuw nog voortduurt en berust op de gave van de kunstenaar het innerlijk van de mens aanschouwelijk te maken, het religieus gevoel van de beschouwer te raken en bovendien op zijn technisch meesterschap.

Leerlingen en invloed
De bekendste leerlingen van Rembrandt zijn geweest: Gerard Dou (1613-1675), J. Backer, Ferdinand Bol (1616-1680), Govert Flinck (1615-1660), Philips Koninck en Gerbrand van den Eeckhout (tijdens de Amsterdamse jaren, tot 1642), Samuel van Hoogstraten (ca 1627-1678), Carel Fabritius, Abr. Furnerius en L. Doomer (jaren veertig), Nicolaes Maes (1634-1693), W. Drost, Abr. van Dijck, Heijmen Dullaert (jaren vijftig; ook niet-leerlingen als J. Koninck stonden in deze periode onder zijn invloed en tijdens de laatste jaren: Aert de Gelder, Godfrey Kneller en J. Leupenius.

De volgende leerlingen of navolgers hebben in zijn stijl geëtst: J. van Vliet, G. Dou, F. Bol, G. van den Eeckhout, S. van Hoogstraten, W. Drost, C. à Renesse, Ph. Koninck en P. de With.

Er is menig verhit debat gevoerd tussen kenners van Rembrandt over de authenticiteit van veel schilderijen die lange tijd aan hem toegeschreven waren: werden ze door Rembrandt zelf gemaakt, door een van zijn leerlingen, of deels door beide?

Onderzoekingen hebben in de 20ste eeuw een zuivering van het oeuvre, wat schilderijen en tekeningen betreft, op gang gebracht. Zo werd de catalogus van A. Bredius door Gerson in 1969 met ruim tweehonderd nummers besnoeid; zowel het geschilderd als het tekeningenoeuvre (samengesteld door Benesch in 1954–1957) wordt opnieuw kritisch bezien. In de jaren tachtig werden de aan Rembrandt toegeschreven schilderijen, met name de vroege werken, door een team van kunsthistorici systematisch onderzocht, waarbij de technische aspecten een belangrijke rol spelen (A corpus of Rembrandt paintings, onder leiding van J. Bruyn, 3 dln.,1989). Het onderzoek van de etsen, waarvan de authenticiteit tamelijk goed vaststaat, richt zich vooral op de papiersoorten en op een verder onderscheid van staten.
Veel schilderijen worden tegenwoordig dankzij het Rembrandt Research Project niet langer aan Rembrandt toegeschreven en gezien als het werk van een van Rembrandts leerlingen.

Bronnen:
Rembrandt vervaardigde in totaal ongeveer 600 schilderijen, 300 etsen en 2000 tekeningen. Hij maakte een groot aantal zelfportretten, in totaal bijna 100 (merendeels schilderijen, maar ook zo'n 20 etsen). Al deze portretten samen geven ons een opmerkelijk scherp beeld van de man, van hoe hij er uit zag en van wat hij voelde. De rimpels die tegenspoed en zorgen in zijn gelaat groefden, spreken op latere schilderijen voor zich.
Zijn naaste familie: zijn moeder, Saskia van Uylenburgh, zijn vrouw, zoon Titus, en zijn maîtresse Hendrickje Stoffels zijn vaak nadrukkelijk in zijn schilderijen aanwezig. Zij fungeerden naar alle waarschijnlijkheid vaak als model voor bijbelse of historische figuren.

Het is bekend dat hij een grote collectie etsen bezat van onder meer Albrecht Dürer en Lucas van Leyden.

Veel musea hebben belangrijke collecties van Rembrandts werk, schilderijen, etsen en/of tekeningen. In Nederland is de meest uitgebreide verzameling ondergebracht in het Rijksmuseum, waar onder andere De Nachtwacht en Het Joodse Bruidje te zien zijn. Het Haagse Mauritshuis heeft een omvangrijke verzameling zelfportretten. Zijn voormalige woning, die nu als museum fungeert, bezit een groot aantal van zijn etsen. Belangrijke collecties in andere landen bevinden zich in Berlijn, St. Petersburg, New York, Washington D.C., het Louvre in Parijs en de National Gallery in Londen.
Representatieve collecties van zijn teken- en grafisch werk zijn te vinden o.m. in het Rijksprentenkabinet in Amsterdam, Museum Boijmans-Van Beuningen in Rotterdam, het Teylers Museum in Haarlem, het prentenkabinet van het British Museum in Londen, de Albertina in Wenen en de Pierpont Morgan Library in New York.

Rembrandt is nagevolgd door vele kunstenaars, zowel in zijn tijd als in de huidige, waaronder Jacob Adriaensz. Backer, Mikhail Dronov, Charles Exshaw, Anthony de Haen, Jacob Koninck, Edward Lutterell, Monogrammist I.S. Lois Renner, Roelant Roghman, William Say, Antonio Segui, Andres Serrano, Alexander Taratynov,

En had invloed op Invloed op Salomon Adler, Philipp Hieronymus Brinckmann, Ludwig Wilhelm Busch, Michael Lucas Leopold Willmann, Hendrik Dethier, John Whalley, Johanna Marianne Freystein, Alexis Grimou, Alexandre Montallier, Jean Pierre Norblin de la Gourdaine, Claude Vignon, Arnoldo Ciarrocchi, Jacques Andre Joseph Camelot Aved, Glenn Brown, Bon de Boullogne, Robert Tournières, Jean Raoux, Pierre Jacques Cazes, Antoine Coypel, Charles Antoine Coypel, Antoine Pesne, Antoine Demarcenay, Franz Friedrich Franck, Giuseppe Nogari, Benjamin Wilson, (Sir) Joshua Reynolds, Larry Rivers, Emil Jacob Schindler, Thomas Hudson, (Sir) George Howland Beaumont, John Donaldson, Hendrik Oldelandt,


Test je competentie op YaGooBle.com.

Je kunt ook zelf een opinie of encyclopedisch artikel op Kunstbus of Muziekbus plaatsen!

lexicon opinie

Test je algemene kennis op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 586.