kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Richard Roland-Holst

Nederlandse affiche-ontwerper, graficus, illustrator, monumentaal kunstenaar (decorschilder), glasschilder, muurschilder, schilder, tekenaar, beeldhouwer, boekdecoratie-ontwerper van genrekunst, landschappen, portretten, schrijver,

Naamsvariant: Richard Nicolaus Roland Holst, Pseudoniemen: R.I.K., Willem du Tour.

Geboren Amsterdam 4-12-1868, Gestorven Bloemendaal 1938-12-31

Leraar van o.a. Ernee 't Hooft, Willem Molin, Joop Sjollema,

Richard Roland holst (roepnaam Rik), jongste van acht kinderen, werd geboren als Richard Nicolaüs Roland Holst, zoon van Adriaan Roland Holst, fabrikant en assuradeur, en Sabina Posthumus. Zijn neef was de dichter Adriaan Roland Holst.

Richard Nicolaas Roland Holst werd geboren in een politiek tamelijk vooruitstrevend, zeer welgesteld milieu. Tijdens zijn kinderjaren woonde de familie Roland Holst op de Herengracht 147 te Amsterdam, terwijl de zomers werden doorgebracht op het landhuis 'Klein Boom en Bosch' aan de Vecht, iets buiten Breukelen. In 1879 betrokken zij het pand Stadhouderskade 41, toen aan de rand van Amsterdam gelegen.

Reeds vroeg toonde 'Rik' zijn aanleg voor tekenen. Zijn vader was een tolerant man en stond Richard toe als 16-jarige de school te verlaten om door de schilder G.H.C. Overman opgeleid te worden voor het toelatingsexamen van de Rijksacademie. De eerste maal zakte hij, maar in oktober 1885 werd hij als een der jongste leerlingen tot de Rijksacademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam toegelaten. Vier jaren volgde hij de wintercursussen van o.a. A. Allebé en J.A. Alberdingk Thijm in tekenen, schilderen, perspectief en esthetica Het laatste seizoen, 1889/1890, bezocht hij de 'Avondteekenklasse'. Medeleerlingen waren o.a. J.M. Graadt van Roggen, C.N. Storm van 's-Gravesande en C.A. Breitenstein, met wie hij nog een zomer in Breukelen doorbracht.

Na zijn Academietijd woonde Holst in Amsterdam o.a. op de Overtoom en de Noordermarkt nr. 25. Samen met Jan Verkade tekende hij in 1889 en 1890 's zomers in Hattem.

Financiële zorgen heeft Roland holst nooit gekend. Als kunstenaar - wat hij al van jongs af aan wilde worden - was hij niet van de verkoop van werk afhankelijk, hetgeen een comfortabel uitgangspunt was voor een individualistisch of elitair kunstenaarschap. Toch heeft juist Roland Holst zijn leven lang geprobeerd zijn kunst maatschappelijke betekenis te geven.

In 1891/1892 maakte hij een periode van zwaarmoedigheid door in het Gelderse dorpje Heerde, en in de zomer van 1892 beoefende hij zijn kunst in Eemnes, Laren en Huizen.

Tijdens zijn leerjaren op de Amsterdamse Rijksacademie voor Beeldende Kunsten was Roland Holst, beïnvloed geraakt door de impressionistische stijl van G.H. Breitner, overtuigd impressionist. Al omstreeks 1891/1892 kwam hierin, net als bij zijn vrienden Jan Veth en Herman Gorter, een ommekeer, toen hij zich aansloot bij het vooral op België en Frankrijk georiënteerde symbolisme. Hij wordt met Jan Toorop, Joh. Thorn Prikker en Derkinderen beschouwd als de belangrijkste Nederlandse vertegenwoordigers van deze sterk literaire stroming. Tussen ca 1891 en 1895 verschijnen zijn litho's met symbolistische voorstellingen, Anangkè, Mélisande, de catalogusomslag met de zonnebloem als symbool voor Vincent van Gogh bij de door Holst georganiseerde tentoonstelling. Een meer Engelse invloed, bijv. van Walter Crâne, tonen de boekomslagen voor Johannes Viator (Amsterdam, 1892) van Frederik van Eeden en Extaze (Amsterdam, [1892]) van Louis Couperus.

Velen van zijn generatie raakten uitgekeken op het alleen weergeven van de waarneembare werkelijkheid en op het motto 'l'art pour l'art'. Zij zochten naar diepere betekenissen, naar het wezen van de dingen achter de uiterlijke verschijningsvorm, en wilden niet uitsluitend voor een klein publiek van koopkrachtige kenners werken. Het 'Vrije' kunstwerk werd afgezworen ten gunste van de gebonden, decoratieve kunsten en van monumentale toepassingen, liefst in openbare gebouwen. Vanaf 1892 kwam hiervoor de term 'gemeenschapskunst' in gebruik. De invloed van William Morris en de Arts and Crafts -beweging was groot, zeker op Roland Holst, die tijdens een verblijf in Londen Morris en enige van zijn volgelingen ontmoette en hun werk bestudeerde.

Steeds zoekend naar nieuwe ideeën vertrok Roland Holst in november 1893 naar Londen om, zoals hij het zelf, omschreef 'in de Engelsche kultuur van 'applied art' [te] gaan snuffelen'. Hij bleef er tot het volgende voorjaar en had er belangrijke ontmoetingen met William Morris en Walter Crâne en raakte bevriend met Charles Shannon en Charles Ricketts.

Na zijn terugkomst verhuisde hij - zijn vader was in 1892 overleden - met zijn moeder naar Amersfoort. Inmiddels had de jonge kunstenaar vroeg in 1893 bij de dichter en criticus Albert Verwey kennis gemaakt met de dichteres Henriëtte van der Schalk. Zij verloofden zich kort erna.

Zijn gebruiksgrafiek van na 1895 is minder symbolistisch.

Hij trad op 16 januari 1896 in het huwelijk met Henriette Goverdine Anna van der Schalk. Dit huwelijk bleef kinderloos. Na hun huwelijk woonden zij tot 1903 in 's-Graveland. Roland Holst ontwierp, geheel in de geest van Morris, de meubels voor hun nieuwe woning en de typografische vormgeving van Henriettes eerste dichtbundel Sonnetten en verzen in terzinen geschreven (1896).

De verbintenis met de socialistisch georiënteerde persoonlijkheid versterkte Holsts gemeenschapszin, die overigens vooral esthetisch en weinig politiek gericht was. Gorter stimuleerde de belangstelling van het echtpaar voor het socialisme en samen met hem werden zij in 1897 lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP).

Over de aard van zijn huwelijk met Henriette is veel gespeculeerd. Zeker is dat hij een langdurige relatie onderhield met de zangeres I. Santhagens-Waller, een regelmatige gast op de Buissche Heide. Over zijn vrouw schreef Roland Holst in brieven aan vrienden nu eens met veel genegenheid, dan weer stelde hij haar ogenschijnlijk zonder medegevoel voor als lichamelijk wrak en, vanwege haar wisselende politieke loyaliteiten, politiek onnozel.

Terwijl Henriette zich ontwikkelde tot een vooraanstaand theoretica en veelgevraagd spreekster nam Roland Holst onder meer zitting in de commissie die de uitgave van het landelijke dagblad Het Volk voorbereidde en zette hij financiële steunacties op touw bij verscheidene grote stakingen. Maar al snel bleek dat het partijpolitieke 'gedoe', de theoretische geschillen en persoonlijke conflicten hem grote weerzin inboezemden.

Zelf bleef Roland Holst verknocht aan de sociaal-democratie zoals hij die in de begintijd had leren kennen, al mopperde hij bij voortduring op de beweging en haar voorlieden. Vaak is hij beschreven als een aristocraat met een tijdelijke socialistische bevlieging. Meer voor de hand ligt de constatering dat hij zijn oprechte en diepe idealisme maar korte tijd met de praktische partijpolitiek heeft verbonden. Maar altijd is hij bezield geweest door de gedachte, zoals die door Henriette Roland Holst werd verwoord in een tekst voor de bondsraadzaal van de ANDB: 'Eens zal de dag, opgaand, vinden Arbeid en Schoonheid vereend.'

Ook zijn kunst probeerde Richard Roland Holst in dienst van de beweging te stellen. In 1898-1899 maakte hij onder andere een propagandaplaat voor staatspensionering en prenten voor De Sociaaldemokraat, maar het directe reageren op de actualiteit en het werken onder tijdsdruk gingen hem niet erg goed af.

Omstreeks 1900 manifesteert zich bij Roland Holst de invloed van het socialisme steeds sterker. Evenals Derkinderen was hij tot de conclusie gekomen dat de kunst zich in dienst van de gemeenschap moest stellen en dat zijn kunst een ideële, dienende taak moest hebben. Voortaan zou zijn werk gericht zijn op het maken van wandschilderingen en het ontwerpen van gebrandschilderde ramen. Voor de Beurs van H.P. Berlage de wandschilderingen Handel en Industrie (1901) en voor het gebouw van de ANDB een cyclus met voorstellingen uit de ideologie van de arbeidersbeweging (1904-1907; om technische redenen in 1937 door Roland Holst vervangen). In de Koopmansbeurs maakte hij twee taferelen met 'De Handel' en 'De Industrie' als onderwerp, in de bondsraadzaal van het ANDB-gebouw kreeg 'De Arbeid' haar plaats. In een monumentale cyclus, met begeleidende teksten van zijn vrouw Henriette, schilderde hij ontstaan, tegenwoordige toestand en toekomst van de moderne arbeidersbeweging.

1903 verhuizing naar Laren,

Decors en kostuumontwerpen (Marsyas, Lucifer) voor Het Tooneel (1910).

De Sterke, de Diepe en de Zachte uren van den dag bij de invoering van de 8-urige werkdag (1912) ANDB-gebouw, schilderingen in de bestuurskamer.

Voor de Nederlandsche Heidemij. te Arnhem voltooide Holst een fries met ploegende ossen (1913/1914) en o.a. de koren- en fruitoogst (1933).

De belangrijkste gebrandschilderde ramen ontwierp Holst voor de aula van het Amsterdamsch Lyceum (1919-1922), het postkantoor te Haarlem (1923), het Amsterdamse stadhuis (1929) en de Dom te Utrecht (zuidertransept, 1926, koor en noordertransept, 1934-1936).
Voor de ANDB maakte hij nog enige lithografieën, het omslag van de catalogus van de bondsbibliotheek.

Behalve door zijn essays en monumentale werken heeft Roland Holst grote invloed op de jongere generatie kunstenaars gehad door zijn hoogleraarschap aan de Amsterdamsche Academie, waar hij in 1918 tot buitengewoon hoogleraar in de compositie werd benoemd. Zijn inaugurale rede was getiteld Ethische factoren in de monumentale schilderkunst (Rotterdam, 1919).

Sedert 1919 woonden zij in Bloemendaal en op het familielandgoed 'De Buissche Heide' bij Zundert, dat Henriëtte in 1914 met haar oom Henri had geërfd en waar zij en Rik vele gasten ontvingen.

In 1926 volgde zijn benoeming tot hoogleraar-directeur, als opvolger van A. J. Derkinderen.

In de Nederlandse kunstwereld ontwikkelde Roland Holst zich tot een invloedrijk en gezaghebbend persoon. In zijn functie, en in zijn vele geschriften, benadrukte hij de ambachtelijke en ethische aspecten van het kunstenaarschap. Kunst behoorde volgens hem een maatschappelijke functie te vervullen, verheven ideeën uit te drukken in 'schone' vormen en voor een breed publiek toegankelijk te zijn. Daarmee stelde hij zich lijnrecht tegenover de modernste ontwikkelingen in de kunst en kreeg hij de nodige kritiek te verduren.

Roland Holst trok zich meer en meer uit de kunstenaarswereld terug om zich op het landgoed ongestoord aan zijn werk te wijden. Om ongestoord aan de gebrandschilderde ramen van de Utrechtse Dom te kunnen werken werd hem in 1934 op zijn verzoek ontslag verleend.

De ANDB was, met name in de persoon van voorzitter H. Polak, een ideale opdrachtgever. Roland Holst werd met alle egards behandeld, kreeg volledige vrijheid en mocht keer op keer afgesproken termijnen overschrijden. Het inspireerde hem tot enige van zijn mooiste werken. De snelle teloorgang van de schilderingen in de Bondsraadzaal door vochtwerking in de muren was een persoonlijk drama. Roland Holst, die toegaf een verkeerde techniek te hebben toegepast, nam in 1920 de opdracht aan een nieuwe reeks schilderingen op eternietpanelen te maken. Lange tijd kon of wilde hij zich niet tot dit werk zetten. Pas in 1937 werd de tweede serie schilderingen onthuld. Ze zijn ingehouden van sfeer en hebben vooral de bedreigde democratische verworvenheden tot onderwerp.

Zijn laatste werk, dat in 1938 voltooid werd, waren de meer dan manshoge, in marmer gegrifte figuren van de wetgevers Mozes, Solon, Justinianus en Napoleon voor het gebouw van de Hoge Raad te 's-Gravenhage.

Roland Holst's kunst stond niet alleen in dienst van de socialistische religie. Voor verschillende opdrachtgevers, van apotheken tot toneelgezelschappen, ontwierp hij affiches. Voor de Nederlandse Oliefabriek maakte hij porseleinen mayonaiseschaaltjes die je kon ontvangen door zegeltjes te sparen. Voor de Domkerk in Utrecht, het Amsterdams Lyceum en het postkantoor in Haarlem vervaardigde hij glas-in-loodramen. Alles was voor het grote publiek. In zijn tijd was Roland Holst een invloedrijk kunstenaar, als docent en later directeur van de kunstacademie en als ontwerper van affiches: tot ver in de 20ste eeuw volgden affichemakers zijn advies om aandacht te trekken door sobere kleuren en artistieke kwaliteit en niet door schreeuwerige teksten.

Tegenover het wat afstandelijke, geforceerde karakter van Roland Holsts kunstenaarschap stond zijn grote persoonlijke charme. Uit zijn intensieve briefwisseling met onder andere zijn neef, de dichter A. Roland Holst, met J. Huizinga en A. Verwey spreekt een groot gevoel voor humor en ironie.

De stijl van Roland Holst is stijf en symmetrisch, en met vlagen robuust. Maar in die stijfheid en symmetrie blijft hij verfijnd. Vooral in zijn affiches is hij erin geslaagd om zoals hij dat zelf wilde 'voorname distinctie' en 'bijzondere artistieke kwaliteit' te produceren. Maar het is met name de historische waarde van zijn werk, de passie van zijn betrokkenheid, die zijn werk de moeite waard maakt.

Roland Holst was bevriend met vele kunstenaars: Derkinderen, Jan Veth, Willem Witsen, Verwey, Gorter, Van Eeden, Alphons Diepenbrock. Zijn veelzijdigheid uitte zich niet alleen in bijdragen aan de Portefeuille der Nederlandsche Etsclub (1893-1895) en de Hollandsche Prentkunst (Amsterdam, 1898), maar ook in verdienstelijk prozawerk als de tentoonstellingsbesprekingen in De Amsterdammer (ca 1890-1895, als Willem du Tour), de vele publikaties na ca 1895 over zijn idealistische kunstopvattingen, o.a. in De Gids, De Nieuwe Tijd, De Kroniek, en het uit 1923 meer filosofische ''Overpeinzingen van een bramenzoeker''. Hij schreef enkele bundels kunsthistorische essays, alsmede de Werken: Over kunst en kunstenaars (1923); Chassériau et Puvis de Chavannes (1938); In en buiten het tij (1940).

Relevante verwijzingen: http://www.iisg.nl/, http://www.dbnl.org/, http://www.inghist.nl/


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 947.