kunstbus







Rik Wouters

Belgisch schilder en beeldhouwer, geboren maandag 21 augustus 1882 te Mechelen - overleden 11 juli 1916 in Amsterdam.

Hendrik Emil Wouters ook genaamd Henri- en Rik, legde zich aanvankelijk vooral toe op sculptuur. Zijn gebeeldhouwde oeuvre is te situeren tussen 1907-1912, als schilder is hij vooral productief tussen 1912-1914. Op vlak van de schilderkunst neemt hij een heel eigen plaats in het Brabantse-fauvisme, hij gebruikt grote transparante kleurtoetsen, sommige plaatsen van zijn doeken zijn onbeschilderd om het lichteffect te verhogen. Zo komen bloemstukken, stillevens, zonnige interieurs met Nel, in helle warme tinten tot stand.

Wouters vertrok in 1902 naar Brussel en kwam daar op de academie, waar hij leerling was van Ch. P. van der Stappen, in contact met een groep jonge kunstenaar, o.a. E. Tijtgat. In datzelfde jaar ontmoette hij zijn vrouw Nel, die in praktisch al zijn werken figureert. In 1904 vestigde hij zich te Bosvoorde, waar vanaf 1907 het belangrijkste deel van zijn oeuvre ontstond.

Tijdens een reis naar Parijs ontdekte Wouters de impressionisten en dankzij zijn vriend S. Levy de kunst van Cézanne en de fauvisten, die een diepe indruk op hem maakten. Tijdens zijn internering in Nederland in 1915-16 manifesteerde zich een ongeneeslijke ziekte die de dood tot gevolg had.

Aanvankelijk schilderde Wouters halfrealistisch, halfimpressionistisch met donkere tonen, mede onder invloed van het vroege werk van Ensor. Nadien ging hij over tot een eigen vorm van fauvisme met werken, die gekarakteriseerd worden door een losse, kleurrijke en heldere schilderstijl, waarbij de kleurvlek, die het licht dient te vertolken, als autonome waarde optreedt. Ook in zijn door het impressionisme gemerkte beeldhouwwerken spelen de werkingen van licht en schaduw een overheersende rol. (Summa)

Biografie
Zijn vader vervaardigde gebeeldhouwde meubels in een 'antieke' stijl, een specialiteit in Mechelen. Zijn moeder deed het huishouden, zij overleed 6 jaar na zijn geboorte.

Als twaalfjarige hield hij de school voor bekeken en krijgt Wouters zijn eerste opleiding in het atelier van zijn vader, waar hij als houtbewerker meubelornamenten uitvoert. In dat atelier werken ook de drie broers Wijnants, waarvan Ernest zal uitgroeien tot een van de belangrijkste Mechelse beeldhouwers.

Op zijn vijftiende houdt Henry het voor bekeken in de werkplaats van zijn vader. Hij wil kunstenaar worden en het beroep van beeldhouwer aanleren.

Rik Wouters schrijft zich in 1897 in aan de Academie te Mechelen, waar hij tot in 1901 de lessen blijft volgen.

Samen met Ernest Wijnants trok hij naar het atelier van Theo Blickx, een oudwerknemer van zijn vader.

In 1900 mag Henry van zijn vader ook dagonderricht volgen aan de academie en kan hij een echte kunstenaarsopleiding volgen.

Rik Wouters volgt een opleiding beeldhouwen maar voelt zich tegelijk meer aangetrokken tot de schilderkunst; hij leert beeldhouwen en tekenen naar levend model en gipsfragmenten, maar schilderen doet hij alleen uit zichzelf.

Omstreeks 1896-1901 begint Rik Wouters te schilderen, eerst portretten en daarna allegorische en symbolische composities waaraan hij een nieuwe luminositeit zoekt te geven. Als een ware autodidact onderzoekt hij uitvoerig manieren om meer licht en helderheid in zijn doeken te brengen. Hij gebruikt een lichter kleurengamma met zilvergrijze en paarlemoeren tonaliteiten, maar slaagt er niet in een zekere zwaarte van de verfmaterie te vermijden. Zijn proefnemingen leiden hem beurtelings tot het aanwenden van een ‘pointillétechniek' met brede, vette stippen, tot het gebruik van was om aan zijn schilderij Zomerochtend een mat effect te geven, of tot experimenten met diverse soorten van dragers.

In 1900 wordt hij ingeschreven aan de Academie te Brussel om er meer speciaal de cursus ‘beeldhouwkunst naar de natuur' van Charles Van der Stappen te volgen.

De kunstenaar toont zich nog weinig oorspronkelijk in deze tijd, gebonden als hij is door de academische spelregels van de prijskampen met allegorische onderwerpen.

In Brussel maakt Rik Wouters meteen kennis met het progressieve kunstenaarsmilieu van de hoofdstad, zoals Anne-Pierre de Kat, Edgard Tytgat en Jean Brusselmans, die de Parijse kunstrevoluties op de voet volgt. Maar het leven in Brussel is niet altijd even prettig, het is er armoedig wonen, men discusieert en inspireert elkaar, men schept vijanden en maakt echte vrienden. Henry kan aan het werk in het atelier van Albert Aerts.

In 1901 wordt hij officieel toegelaten aan de Academie, hij wint er de eerste prijs voor beeldhouwen en is als tweede gerangschikt in historische compostie. In dat zelfde jaar presenteert Henry zich ook voor het eerst aan het publiek, hij neemt met drie tekeningen deel aan een groepstentoonstelling van de St. Lucasgilde in Mechelen.

Vanaf 1904-1905 beeldhouwt Rik 'De nimf', waarin zowel zijn wil om zich te bevrijden van het academische keurslijf tot uiting komt, als de beperking van zijn talent. Bestemd voor de Godecharleprijs, werd het beeld te Watermaal begonnen en dan naar Mechelen overgebracht. Het bleef daar achter zonder ooit te worden voltooid.

Als hij tweeëntwintig is ontmoet hij de vrouw van zijn leven. Nel poseert als model voor verscheidene kunstenaars en wordt de muze die hij nooit zal ophouden voor te stellen.

Samen met Hélène Duerinckx, Nel, vestigde hij zich in 1904 in Watermaal, nadat Henry zijn studies aan de Academie voltooid heeft.

Hendrik is getrouwd in Watermaal (Brab) op zaterdag 15 april 1905 op 22-jarige leeftijd, getrouwd voor de kerk in Amsterdam (Nl) rond mei 1916 , met Hélène Philomène Lionardine DUERINCKX ook genaamd Nel (18 jaar oud), geboren in Schaarbeek (Brab) op maandag 18 oktober 1886, overleden in het jaar 1971, 85 jaar oud.

Hij begint dan vrij te schilderen en te beeldhouwen.

Het zijn echter barre tijden, zodat het paar verplicht wordt om het jaar daarop naar Mechelen terug te keren bij Riks vader. Die terugkeer naar het ouderlijk huis ervaart het paar als een vernedering. Nel wordt tot ‘huishoudster' van het gezin Wouters, terwijl Rik, die kan beschikken over een gedeelte van de vaderlijke werkplaats, er niet toe komt zich te concentreren op zijn werk, zodat hij niets bevredigends tot stand brengt. Zij voelen zich onderdrukt en werken hard zonder te genieten van enige intimiteit in de bekrompen woning. Nauwelijks vijftien maanden na hun vestiging te Mechelen doet de gerezen spanning het paar beslissen naar Brussel terug te keren.

Doordat ze aan tuberculose lijdt, dient Nel buiten te gaan wonen. Ze verhuizen naar de gezonde lucht van het Zoniënwoud in Bosvoorde. Hun huis wordt een ontmoetingsplaats voor heel wat kunstenaars-vrienden zoals Johan Frison, Fernand Wery, Anne-Pierre de Kat etc.

Wouters zou te Bosvoorde meerdere proeven van lichtschildering ondernemen. Daartoe schildert hij met heldere kleuren op karton omdat schildersdoek te duur uitkomt. Zijn voorkeur betreft vooral interieurs en stillevens die met het mes worden uitgevoerd, in brede verfstroken, zoals ook Ensor deed om in zijn burgerinterieurs de vibrerende atmosfeer te scheppen. Doeken als Dame met de grijze handschoen, of Interieur van de etser lijken wonderwel op sommige schilderijen van de Oostendse meester door hun bijzonder luminisme, hun intimistisch onderwerp en de wijze waarop de verf is aangebracht om zoveel mogelijk licht op te vangen.

Zijn vrouw is zijn geliefd model, maar vaak ook komen de kinderen uit de buurt poseren voor de beeldhouwer. De kinderhoofdjes zijn impressionistisch van factuur. Licht trilt op elk facet van de klei. Zijn modellen hebben thans een levendige uitdrukking en een geanimeerde houding (Vooroverbuigende tors, Houdin).

In 1907 wordt Dromerij bekroond met de tweede Godecharleprijs: zijn eerste werk dat echt loskomt van het strakke academisme. De lichte knik in de heupstand, de gekruiste voeten of de armen losjes langs het lichaam en in de lenden brengen een effect teweeg dat wijst op een gewijzigd aanvoelen. Alles werkt samen om een vluchtige beweging als momentopname te suggereren. Met het oog op de voorbereiding voor de Romeprijs schrijft hij zich opnieuw in aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Brussel.

In 1909 vat hij het plan op om met een verbluffend wild werk zijn herinnering aan de danseres Isadora Duncan gestalte te geven en begint hij aan wat twee jaar later 'De dwaze maagd' of 'Het Zotte Geweld' zal worden. Dit bronzen beeld van de Vlaamse kunstenaar Rik Wouters bezit een uitgesproken dynamisme. Aanleiding was een optreden van de beroemde danseres Isadora Duncan waar Rik Wouters, zoals vele andere kunstenaars uit zijn tijd, door aangegrepen werd. Nel Wouters, de vrouw van de kunstenaar, stond model voor dit werk, net zoals voor de vele schilderijen van de kunstenaar.

In 1910 ontmoet Rik Wouters Simon Levy, een groot bewonderaar van Cezanne en Van Gogh, met wie hij een uitvoerige briefwisseling zal voeren. De kennismaking is van het grootste belang voor zijn artistieke ontwikkeling. Deze man spreekt hem uitgebreid over tentoonstellingen die hij bezoekt en over de werken die hij er ontdekt. Lévy stuurt hem zwartwit-reproducties toe van de werken die hem bevallen, vooral die van Cézanne.

Rond 1911 poogt de schilder opnieuw een grotere vloeibaarheid aan de verfmaterie te geven, om zo de transparantie van de kleuren te bevorderen. De verf wordt vermengd met terpentijn. Ze wordt met de borstel aangebracht (het mes is voorgoed opgeborgen) in een dunne laag die op sommige plaatsen doorschijnend is. Hij kiest voor een opslorpend doek omdat hij meent daardoor het probleem van de te zware verflaag op te lossen. Ongelukkig genoeg, dient de kunstenaar het verlies aan kleurklank weer goed te maken door meer verf te gebruiken, zodat de hele compositie opnieuw wordt verzwaard. Hij streeft ook naar een betere opbouw van de voorstelling en naar een duidelijkere vormgeving. Rik Wouters maakt ook sterk doorgevoerde fraaie tekeningen waarin veel zorg is besteed aan lichtspel en ruimtewerking. Zijn tekeningen zijn nauwkeurig uitgewerkt als ze tot voorbereiding dienen voor zijn schilderijen of gravures. Waar ze echter een momentopname van een beweging of een houding willen weergeven, tonen ze een snelle en schetsmatige uitvoering met pen of penseel in oostindische inkt

'De dwaze maagd' of 'Het zotte geweld' wordt in vorm gegoten in het begin van 1912. Het is een reusachtige bacchante met uitgestrekte ledematen, die ons tot vervoering brengt.

Georges Giroux, een Fransman die in de mode zat ontmoette in april 1912 Rik Wouters en zag bij hem thuis diens nieuwste beeld 'het zotte geweld'. Dit maakte zo'n indruk, dat hij besloot de jonge Wouters financieel te steunen. Bovendien groeide vanaf dat moment in hem het idee in Brussel een nieuwe galerie te openen. Hij pakte de zaken groot aan, huurde een luxueus pand en liet een gedeelte tot een ruime expositieruimte verbouwen, 'zoals er zelfs in Parijs niets vergelijkbaars bestond'. Met Georges Giroux sluit Rik Wouters een contract af. Dat laat hem toe met betere materialen te werken, zonder zich te hoeven bekommeren om praktische zaken. Daarvoor dient hij wel exclusiviteit te verlenen voor de verkoop van zijn werken, die in deze tijd in stijgende lijn gaat. Dank zij zijn galeriehouder begint voor Rik Wouters een tijd van grote productiviteit. In 1912 schildert hij een zestigtal doeken.

De opbrengst van zijn eerste door Giroux ingerichte tentoonstelling stelt Rik Wouters in staat om een lang gekoesterde droom te verwezenlijken: naar Parijs te gaan om er de impressionisten te ontdekken.

Tijdens zijn verblijf in Parijs, in 1912, ontdekt Wouters eindelijk de kleuren van Cezanne. Met vreugde ziet hij opnieuw de impressionistische landschappen van Monet, de vleeskleur bij de vrouwen van Renoir en het vuurwerk van Matisse. Hij ontdekt Degas, Sisley, Picasso, Greco en Goya. Wouters is ervoor gewonnen: hij gewaagt zelfs zich in de lichtstad te zullen vestigen. Hij tekent veel en maakt talrijke aquarellen. Te Bosvoorde is zijn stijl radicaal vernieuwd: zijn palet klaart op wordt lumineus. Hij geeft het gebruik van absorberend doek op ten gunste van het licht of halflicht geweven doek dat beter de kleurklank bewaart. Door het werken met aquarel en dank zij zijn vele proeven met diverse technieken in de voorgaande jaren, wordt de kleur doorschijnend en licht. Hij laat het impressionisme achter zich door niet langer te schilderen met veel kleine kleurentoetsen. De borstel raakt het doek nog nauwelijks aan en er blijven meer en meer gedeelten van de drager zichtbaar. In werken uit 1912 zoals De strijkster, het Portret van Ernest Wynants, of ook het Interieur, vrouw in het blauw met geel halssnoer, onderkent men weer iets van Ensor in de vlinderende kleuren, die echter zijn aangebracht door lichte toetsen en niet meer met het paletmes. De invloed van Matisse is merkbaar in de arabesken en schitterende kleuren van Appelen en kunstbloemen, of Hulde aan Cézanne, in Seringen of nog in De rode gordijnen, uit 1913. De intensiteit en de vrijheid van het kleurgebruik, zowel als de onstuimigheid van uitvoering zijn onmiskenbaar in verband te brengen met het fauvisme.

Buiten de talrijke schilderijen die Rik Wouters in de periode 1912-1914 tot stand brengt, schildert hij ook het decor voor ‘Klein Duimpje', in een bewerking van Elslander, dat eerst in het Gaîtétheater te Brussel wordt opgevoerd, vooraleer in de Parijse Folies-Bergères te worden voorgesteld.

Na zijn reis naar Parijs in 1912, begeeft Wouters zich naar Keulen en Düsseldorf waar hij zowel de werken van Van Gogh, Cézanne en het Duitse expressionisme bewondert, als die van de oude meesters. Hij komt terug met enkele schetsen.

In 1913 maakt de beeldhouwer Huiselijke zorgen, de Buste van James Ensor en de Buste van Elslander, werken die niet meer de onstuimigheid en dynamiek tonen van De dwaze maagd, maar die toch even indrukwekkend zijn. Beeldhouwen wordt voor Rik Wouters van minder belang naast het schilderen dat op de eerste plaats komt.

Eind 1913 gaat hij met Giroux en Elslande naar Parijs om er de decors bij te werken voor het toneelstuk ‘Klein Duimpje', dat in de Folies-Bergères wordt opgevoerd. Hij ontdekt er opnieuw de werken van Cézanne. Zijn schilderijen tonen hoe hij op een nieuwe manier kan schilderen: rechtstreeks naar de natuur.

Op 19 december 1913 krijgt Wouters het bericht dat hij zich in geval van mobilisatie onmiddellijk dient aan te melden in de wapenkazerne te Luik. Hij is er zich dan nog niet van bewust, dat hij enkele maanden later naar het front zal worden gezonden.

In februari-maart 1914 organiseert de galerie Giroux een individuele tentoonstelling van zijn werk. Het is een bekroning van zijn œuvre.

In 1913 ontving Wouters de Picardprijs. Het eraan verbonden bedrag van 600 frank is bestemd voor de aankoop van een pand gelegen aan het Citadelplein te Bosvoorde, waar hij zijn huis wil bouwen. In de lente van 1914 nemen Rik en Nel er hun intrek. In zijn atelier heeft hij een vrij uitzicht op de Bezemhoek en het Zoniënwoud verderop, die hij nooit moe wordt te schilderen. Vaak gaat hij er ook naartoe en dat uit zich ook in zijn schilderijen uit die tijd: hij toont een voorkeur voor buitenzichten of voor figuren die voor een open venster staan.

Op 31 juli 1914 wordt de kunstenaar onder de wapens geroepen. Als de oorlog uitbreekt wordt hij naar het front gezonden: naar Luik, Lier en Haasdonk voor een tijd van zes weken. Daar wordt hij krijgsgevangen, maar ontsnapt. Nabij Antwerpen wordt zijn groep ingesloten en hij deserteert, om terecht te komen in een kamp te Zeist, in Nederland.

In september begeeft Nel zich naar het neutrale Nederland.

Omstreeks midden oktober wordt Rik Wouters ondergebracht in een interneringskamp, eerst in Amersfoort en vervolgens in Zeist. Hier ontstaat in zijn omgeving een golf van medevoelen. Belgische en Hollandse vrienden wenden zich tot de kampoverheid om voor zijn lot te pleiten. Door vele listen kunnen Rik en Nel elkaar tussendoor zien. Men bezorgt hem verf en papier om te kunnen tekenen en aquarelleren. Hij geeft weer wat hij in zijn omgeving ziet: zichten in het kamp, soldaten en Nel als de gelegenheid zich voordoet dat ze elkaar zien. Gedurende zijn internering werkt hij veel, maar zijn gezondheid gaat snel achteruit en de kunstenaar dient meermaals te worden geopereerd.

Dank zij de tussenkomst van Emile Verhaeren krijgt hij begin 1915 toelating om elke dag tot 's avonds het kamp te verlaten. Hij gaat voor verzorging naar het militaire hospitaal te Utrecht en blijft hoopvol ondanks de operaties en de donkere bril die hij moet dragen. Nic Beets, die verbonden is aan het Prentenkabinet te Amsterdam, onderneemt pogingen om hem een beperkte mate van vrijheid te bezorgen. De sympathiebetuigingen houden daarmee evenwel niet op.

Het echtpaar Eppo Harkema neemt de medische kosten voor zijn rekening en zorgt ervoor dat hij in Amsterdam een appartement kan betrekken bij zijn voorwaardelijke vrijstelling. In juni 1915 neemt hij er zijn intrek met Nel. Hij heeft er een uitzicht op de zeer drukke vaart die hem tot enkele fraaie werken inspireert.

Juli 1915 kennen de artsen de aard van zijn ziekte. Het betreft kanker van het kaakbeen. Vreselijke pijn maakt het werken steeds moeilijker. Toch blijft het werk in deze tijd nog even kleurig en helder. In oktober wint de ziekte veld: hij verliest een oog en een nieuwe operatie verwijdert een flink stuk van de kaak. Hij dient een ooglap te dragen (Zelfportret met zwarte ooglap). Desondanks blijft hij schilderen in het voorzuitzicht van de tentoonstelling die in januari-februari 1916 in het Stedelijk Museum te Amsterdam zal plaatsvinden.

Op 5 april 1916 verlaat hij zijn appartement om in de kliniek op de Prinsengracht een laatste heelkundige ingreep te ondergaan. De laatste maanden van zijn leven zijn een lijdensweg.

Rik Wouters sterft op dinsdag 11 juli 1916, 33 jaar en 325 dagen oud, te Amsterdam.

In nauwelijks 10 jaar creëerde hij 170 schilderijen, 35 sculpturen, 50 etsen, 4O pastels en 1.500 tekeningen.

Zie ook:
Rik Wouters, door Lien Cornelli
http://www.rikwouters.com

Werken:
Het huiswerk,

Het zotte geweld, 1912, Antwerpen, Openluchtmuseum Middelheim

De dolle maagd, 1912, Luik, Le Musée en plein air du Sart Tilman
Geïnspireerd op de danskunst van Isidora Duncan. (ggk 12-65)

De strijkster, 1912, 125x107, Antwerpen, K.M.S.K.
In deze periode evolueert Wouters naar een postimpressionisme met fauvistische inslag, waarin het licht en de kleur vereenzelvigd worden. Hij schept werken vol licht en glans, waaruit schaduwen en sombere kleuren gebannen werden en waarin de witte vlekken een overwegende rol spelen. Mensen en voorwerpen blijven, niettegenstaande het spel van de lichtweerspiegelingen, vaste massa's en worden met sonore kleuren en rake arabesken uitgebeeld. Enkele stevige kleurtoetsen en enkele vlugge trekken met Oost-Indische inkt volstaan voor hem om een hymne aan het leven en aan het licht te zingen. (Sneldia)

Zittende vrouw, 1915, olieverf op doek, 96x74, Gent, M.S.K.

Het ravijn, 1913, olieverf op doek, 135x140, privé-verzameling
Rik Wouters is een generatiegenoot van Van de Woestijne, Van den Berghe en Permeke, maar behoort tot een ander artistiek milieu. Hij krijgt een opleiding als beeldhouwer in Mechelen; als schilder is hij autodidact. Vóór de Eerste Wereldoorlog is hij, na Ensor, zowat de enige kunstenaar in België die deel heeft aan het Europese modernisme. Vanaf ca. 1910 schildert Wouters kleurrijke en schetsmatige portretten, landschappen en interieurs in fauvistische stijl.

Paul van Ostaijen is een van de eerste kunstcritici die Wouters als een pionier van het modernisme erkent. In zijn artikel Ekspressionisme in Vlaanderen uit 1918 schrijft hij: 'Met en na Ensor blijft het impressionisme weer geruime tijd hoogtij vieren (...). Dan duikt het tweede evenement van het ekspressionisme in Vlaanderen op: Rik Wouters. Geen gebeurtenis als Ensor, spijts de reuzenkracht die uit zijn jong werk spreekt; doch een geweldige hoop (...). Rik Wouters begint gelijk eenieder, wiens eerste vorming in het impressionisme wortelt; hij past intuïtief beginselen van het ekspressionisme toe, doch verzet zich nog tegen de beweging (...). Dat Wouters zo vroegtijdig de genade van het licht vond zal wel, buiten de Brabantse levenslust om, aan Ensor toe te schrijven zijn. Zij verering voor de Oostendse meester was groot. Daarna komt Cézanne, de voorloper van het Franse kubisme, in het leven Wouters. De invloed van Cézanne was zo dat er toch nooit in een doek van Wouters meer van Cézanne, dan van de echte Wouters aanwezig was' (Verzameld werk, p. 70).

Ook J.F. Elslander onderschrijft het baanbrekende karakter van het werk van Wouters. In een uitgebreid artikel over de kunstenaar schrijft hij, naar aanleiding van de tentoonstelling van 1912 bij Galerie Georges Giroux: 'Het was de eerste maal, in België, dat iemand zich veroorloofde om zo vrijmoedig een nieuwe taal te spreken' (L'Art Libre, I, 1919, 2, p. 3). Van Hecke en De Ridder erkennen de waarde van Wouters als voorloper aanvankelijk niet. In een woordenwisseling met Galerie Georges Giroux wordt Wouters, die in 1912 met Giroux een contract afsluit, afgedaan als voorbijgestreefd impressionist in tegenstelling tot Permeke, Van den Berghe en De Smet, die zij als voorbeelden van de avant-garde naar voor schuiven (Sélection, I, 1921, 10).

In 1922 is hun oordeel al meer genuanceerd: 'Natuurlijk erkennen wij in Wouters - zoals in Ensor die hem evenveel beïnvloedde als Cézanne - een pionier van onze nieuwe kunst en een schilder die gelukkig verschilt van de adepten van het impressionisme', maar, 'door zijn vormgeving staat hij dichter bij ons dan Ensor, niet naar de geest' (Sélection, II, 1922, 9-10, p. 287).

In 1914 wordt Wouters als soldaat in Nederland geïnterneerd. Twee jaar later overlijdt hij te Amsterdam na een zware ziekte. Zittende vrouw schildert hij in 1915 in zijn appartement in Amsterdam. Zijn vrouw Nel is zoals in zovele van zijn tekeningen en schilderijen het model. Het doek is, uitzonderlijk voor Wouters, in een somber koloriet geschilderd. Reeds vanaf 1908 brengt Wouters de verf dun aan en laat hij op aquarelachtige wijze onbeschilderde partijen van het doek meespelen. Deze techniek zien we ook in Het ravijn. Wouters bezoekt in 1912 Parijs en leert er het werk van Cézanne kennen. De invloed van de Franse kunstenaar is in dit landschap goed zichtbaar, in het bijzonder in de opbouw van volumes met kleine kleurvlakken en in de schijnbaar verdwenen perspectief, waardoor het werk enigszins een tapijtachtig aanzien krijgt. Door de heftige kleuren en de bewogenheid van het landschap staat her werk evenwel zeer dicht bij de dynamiek van het Duits expressionisme. (exp 98)



privacybeleid