kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 01-05-2011 voor het laatst bewerkt.

Rogier Van der Weyden

Brusselse schilder uit de school der Vlaamse Primitieven, geboren 1399/1400 in Doornik (Tournai) - overleden 18 juni 1464 in Brussel (Hertogdom Brabant).

Van der Weyden wordt samen met Jan van Eyck beschouwd als een van de belangrijkste Nederlandse schilders van de 15de eeuw. Van der Weyden had opdrachtgevers in heel Europa en is een van de meest invloedrijke schilders van zijn eeuw. Alhoewel zijn werken in de 15e en 16e eeuw gedocumenteerd zijn Italiaanse, Spaanse en Duitse collecties en kerken is er geen enkel werk bewaard dat met zekerheid aan Rogier kan worden toegeschreven. In zijn atelier werden van vele afbeeldingen meerdere versies geproduceerd en doordat Rogier van der Weyden zijn schilderijen niet dateerde of ondertekende zijn zij bijzonder slecht in de tijd te plaatsen. Bovendien is ook niet altijd vast te stellen wat de bemoeienis van de meester zelf is geweest in deze werken. Ook schetsen van hem zijn bewaard gebleven. Zijn werken behoren tot de Noordelijke Renaissance.

De 15e eeuw
De Middeleeuwen lopen op hun einde en de Renaissance maakt haar opwachting. Onder het kunstminnende oog van de Bourgondische hertogen schieten de talentvolle schilders in de Lage Landen als paddestoelen uit de grond. Hun stijl is vernieuwend door hun uitzonderlijk oog voor detail. De werken vormen een hoogtepunt in de westerse kunstgeschiedenis en worden later gegroepeerd onder één naam: de Vlaamse Primitieven. Eén van deze grote vernieuwers van de schilderkunst wordt geboren in Doornik als Roger de la Pasture (Frans voor Van der Weyden). Hij werkt er jarenlang in het atelier van zijn meester Robert Campin (de meester van Flémalle). Op het moment dat Jan Van Eyck bezig is aan zijn "Lam Gods", maakt Rogier er zijn belangrijkste werk: "De Kruisafneming". De twee tijdgenoten zijn aan elkaar gewaagd. Maar terwijl Van Eyck meester is van de observatie, blinkt van der Weyden uit in de weergave van de emotie. Dit maakt zijn religieuze panelen minder afstandelijk. Menselijker. Van der Weyden staat ook dichter bij het volk en de burgerij dan Van Eyck die vooral voor de adel schilderde.

Rogier schilderde ook portretten van tijdgenoten, maar voornamelijk altaarstukken, heiligen en madonna's. Als geen ander schilderde hij het verdriet van Maria en Johannes aan de voet van het kruis, de diepe concentratie van de lezende Maria Magdalena en de zelfbewuste blik van Karel de Stoute, de machtige hertog van Bourgondië. Tijdgenoten roemen hem om zijn handelsmerk: zijn passie, emotie en ingetogen expressie, kortom, de weergave van het innerlijk gevoel.

Rogier van der Weyden bezocht tijdens een pelgrimstocht naar Rome, Ferrara en mogelijk ook Florence.

Onder invloed van Robert Campin en Jan van Eyk kwam Rogier van der Weyden tot elegantere en slankere figuren. Daarnaast verbeterde hij de perspectivische weergave van interieurs en landschappen. Bijzonder voor zijn werk zijn ook de realistische weergave, de plastische stoffering en het heldere kleurgebruik. Rogier hechte daarnaast veel belang aan een goede balans tussen ruimte en oppervlak.

Alhoewel de Spaanse koning Philips II honderd jaar na zijn dood nog alles op alles zet om een van zijn werken te verwerven begon Rogiers' roem in de tweede helft van de 16de eeuw langzaam te tanen. Tot zijn "herontdekking" in de 19de eeuw bleef Rogier van der Weyden daarna ten onrechte in de schaduw staan van schilders als Jan van Eyck en Hans Memling.

Van der Weyden stond onder invloed van de kartuizers in welke orde zijn zoon Cornelis zelfs was ingetreden in het klooster in Herne.
De kartuizers waren aanhangers van de ‘moderne devotie’ waarin sterk de nadruk werd gelegd op de menselijkheid van Christus. De gelovigen werden aangespoord om volop mee te leven met het lijden van Christus. Het is daarom geen toeval dat Van der Weyden ons talrijke voorstellingen van Christus heeft nagelaten.

Toch schilderde hij ook prachtige portretten onder meer van Filips de Goede, Isabella van Portugal en van Karel de Stoute. Edelen en hovelingen uit heel Europa, waaronder Juan II van Castilië, de Sforza’s uit Milaan, de Este’s uit Ferrara en vooral de Medici’s uit Firenze, telden enorme bedragen neer om zich te laten vereeuwigen door de Brusselse meester. Daarnaast leverde hij werk aan het Brusselse schildersambacht, de Leuvense kruisboogschutters en de kartuizers van Herne en van Scheut.

Een van zijn belangrijke leerlingen was Memling. Zijn kleinzoon Goossen van der Weyden (1465-1538) schilderde vooral godsdienstige voorstellingen en portretten.

Biografie
Rogier van der Weyden werd omstreeks 1398-1400 in Doornik (Tournai) als Roger de la Pasture, zoon van messenmaker Henri de le Pasture en Agnès de Watreloz geboren. Zijn geboortedatum wordt afgeleid uit documenten van april 1435 en september 1441 waarin hij respectievelijk als 35 en 43 jaar oud wordt vermeld.

Staatkundig gezien was Rogier de le Pasture, inwoner van Doornik, een Fransman. De stad viel aan het begin van de vijftiende eeuw nog onder de Franse kroon en was omgeven door de Bourgondische gebieden Henegouwen, Artesië, Brabant en Vlaanderen. Als vierde plaats van Frankrijk –na Parijs, Rouen en Orléans– was het een welvarende handelsstad, met een zeer rijk nijverheids- en ambachtsleven. Rogier kwam ter wereld in de rue Roque-Niçaise. Deze straat lag in de wijk waar de metaalbewerkers hun werkplaatsen en winkels hadden.

Zijn ouders deden de jonge Rogier bij Robert Campin in de leer wiens atelier een meer dan normale bekendheid genoot, gezien de buitengewone opdrachten en het stichten van een kapelanie, iets wat niet iedere burger zich kon veroorloven. In het Campin-atelier werkte een groot aantal assistenten samen. Ook Rogier werd leerling assistent (gezel) en werkte samen met onder meer Jacques Daret mee aan de grotere opdrachten.
In deze periode moet hij al een hoogst begaafd kunstenaar zijn geweest, want in 1426 heette hij Maistre Rogier de le Pasture. Dat hij toen al de titel maistre (meester) droeg, is des te opmerkelijker omdat hij zich pas op 5 maart 1427 officieel liet registreren als leerling van Campin, met de bedoeling na vier jaar te voldoen aan de wettelijke voorwaarden om een eigen atelier te beginnen. Inderdaad kocht Maistre Rogier de le Pasture 1 augustus 1432 het vrijmeesterschap. Dit vrijmeesterschap was slechts een wettelijke voorwaarde om zich als zelfstandig schilder te vestigen en gaf niet de grond van het kunstenaarschap aan.

Op 17 november 1426 werd door de stad Doornik vier kannen wijn aan een zekere 'maistre Rogier de le Pasture' geschonken. Of dit sloeg op de schilder Rogier is echter niet duidelijk. Wijn werd in die tijd als 'erewijn' aangeboden nadat een student aan een universiteit in den vreemde een meestergraad (Magister) had behaald, waarom sommigen denken dat het om een naamgenoot van de schilder gaat. De meesten echter denken dat Rogier de le Pasture voor hij zijn schildersopleiding in Doornik voltooide in Keulen of Parijs een meestertitel behaalde aan een universiteit. Dit is niet onwaarschijnlijk, omdat aan een schilder die in die tijd toch nog werd aangezien als een ambachtsman dit soort ongewone eerbewijzen niet snel werden toebedeeld en hij ook een nogal 'geleerde' en theologisch onderbouwde opbouw van werken had.
In een document van 5 maart 1427 is er sprake van een zekere Rogelet de le Pasture, geboortig van Doornik die in de leer gaat bij Robert Campin. De benaming 'Rogelet' doet sommigen vermoeden dat er inderdaad twee naamgenoten leefden in Doornik. Rogier de le Pasture wordt gezien als de oudere universiteitsstudent die de erewijn aangeboden kreeg, terwijl 'Rogelet' de jongere schilder is die in de leer gaat bij meester Robert Campin. Alhoewel een leeftijd van 27 tot 29 jaar inderdaad zeer oud was om in de leer te gaan als schilder heeft recent onderzoek uitgewezen dat in de schildersateliers niet alleen jonge leerjongens (vanaf 10-14 jaar) werkzaam waren, maar ook oudere en meer ervaren mannen die nog geen zelfstandig atelier hadden.

Campin werd snel overvleugeld door Roger de la Pasture die veel had geleerd van de daar aanwezige grootste kunstenaar die de Nederlanden ooit heeft voortgebracht, Jan Van Eyck.
Rogier Van der Weyden ontmoette in het atelier van Robert Campin ook Liesbeth Goffaert die hij huwde in 1426/1427. Elisabeth Goffaert stamde uit een Brusselse schoenmakersfamilie en was verwant met de vrouw van Robert Campin. Op dat ogenblik heeft Rogier dus al banden met Brussel waar hij ten laatste in 1435 zou gaan wonen. Een jaar later werd zijn eerste zoon, Cornelis, geboren. Later kreeg het echtpaar nog drie kinderen: Margaretha, Jan en als laatste Pieter die evenals zijn vader schilder zou worden.

Uit een document van 1 augustus 1432 blijkt dat 'Rogier' en 'Rogelet' de le Pasture inderdaad één en dezelfde persoon zijn; 'Maistre Rogier de le Pasture, natif de Tournay, fut recue à le francise de mestier des paintres le premier jour d'aoust l'an dessudit'. Deze inschrijving van Rogier als vrijmeester volgde, niet geheel toevallig waarschijnlijk, al snel op de schorsing van zijn meester Robert Campin, die wegens overspel was veroordeeld en zijn taken niet meer mocht uitvoeren. Rogier kwam zo aan het hoofd van een zelfstandig atelier.

Op 22 april 1432 brachten de Brusselse wethouders een bezoek aan Doornik die Roger de la Pasture - toen reeds een vermaard en welstellend meester – overtuigden om naar Brussel te komen waar hij een fenomenale opdracht moest uitvoeren: het schilderen van de vier monumentale panelen met de “Gerechtigheid van Trajanus en Herkenbald” voor stadhuis in aanbouw.

De geschiedenis van Herkenbald en Trajanus
Rogiers 'Magnum Opus' was de zogenaamde 'Geschiedenis van Herkenbald en Trajanus', een reeks schilderijen met monumentale afmetingen die hij voor de grote zaal (huidige Gotische zaal) van het Brusselse stadhuis vervaardigde. Ditwerk is helaas verloren gegaan tijdens het bombardement van Brussel in 1695 en kennen we alleen uit fragmentarische kopieën en varianten (enkele tekeningen en een groot wandtapijt) en uit talloze beschrijvingen en lofprijzingen die bezoekers er in de 15e, 16e en 17e eeuw over neerschreven. De taferelen waren bedoeld als een 'exemplum justitiae', een schrikwekkend voorbeeld voor de schepenen om hun rechtspraak gewetensvol uit te oefenen. Deze 'exempelen' hingen aan de lange blinde binnenwand van de zaal, recht tegenover de banken waarop de schepenen en rechters zitting hielden. De panelen met meer dan levensgrote figuren werden geroemd om hun bijzonder geslaagde weergave van emoties met aan de onderkant teksten die het verhaal verklaarden. Op een van de taferelen was ook een zelfportret van Van der Weyden te zien.
De geniale Duitse geleerde en kardinaal Nicolaus Cusanus was vol lof over Rogiers werken die hij in het Brusselse stadhuis had gezien en vermeldde in zijn werk "De visione Dei". In deze context noemde hij Rogier de "grootste der schilders"; Rogeri maximi pictoris.

In 1435 wordt hij in de Doornikse archieven als woonachtig in Brussel opgegeven dat juist uitgroeide tot een van de residenties van de hertogen van Boergondië, Franse vorsten uit het huis van Valois. De Brusselse wethouders hadden er daarom alles voor over om het aanzien en de luister van hun stad te verhogen.

In Brussel vernederlandste hij zijn Franse naam tot Rogier Van der Weyden, alhoewel hij voor zijn vaderstad opdrachten blijft uitvoeren en er ook financieel nog belangen had.

Naast zijn drukke werkzaamheden als schilder maakt hij ook deel uit van het machtige broederschap St. Jacob-op-den-Coudenberg. Deze broederschap bestaat uit leden van zowel de adel als de gilden. Lid van de broederschap zijn onder anderen Philips de Goede, hertog van Bourgondië, Adolf van Kleef, Antoon van Bourgondië en „Meester Rogier van der Weyden der stad scilder”.

"Verkondigingsdrieluik" (ca 1435),

Uit een document van 2 mei 1436 blijkt dat hij in Brussel is aangesteld als een vast bezoldigd stadsschilder en komen we voor het eerst zijn vernederlandste naam 'Rogier van der Weyden' tegen. In het centrum van de Nederlanden ontwikkelt hij zich tot de meest invloedrijke kunstenaar van zijn tijd en bestellen Bourgondische ambtenaren, de bisschop van Doornik en de Leuvense Kruisbooggilde werken bij hem.

De Kruisafneming, 1435
Het meest invloedrijke werk dat aan van der Weyden kan worden toegeschreven is de Kruisafneming die zich in het museo del Prado in Madrid bevindt en eeuwenlang een maatstaf voor de uitbeelding van emoties in de religieuze kunst bleef. De vorm van dit werk is opmerkelijk. De haast levensgrote figuren zijn zeer gedetailleerd en realistisch. Haren, baarden, stoffen en pelzen zijn welhaast tastbaar aanwezig, zonder de compositie in haar geheel een gebalde, uitgepuurde en gesynthetiseerde indruk te ontnemen. Geen enkel detail is overbodig. Het gaat hier niet zozeer om een descriptief detailrealisme zoals bij Jan van Eyck maar eerder om een synthetisch detailrealisme. Het werk is zo geconcipieerd dat het op gelijk welke afstand een verpletterende indruk maakt. De beschouwer kan als het ware eindeloos blijven inzoomen op het werk. De hele opbouw van het werk is toegespitst op het uitdrukken en overbrengen van emoties.
In de 16e eeuw liet de kunstminnende Filips II het werk verschepen naar Spanje. Het heeft lang geduurd voor het op zijn bestemming kwam. Het schip liep op een zandbank en verloor zijn lading. Gelukkig was het kostbare werk waterdicht verpakt bleek het bijna geen schade te hebben geleden toen het werd gevonden. Filips II liet er voor de zekerheid wel een kopie van maken om het originele altaarstuk achter gesloten deuren in het Escorial-klooster tentoon te stellen.

In de jaren 1443-44 gaat hij nabij het Cantersteen in Brussel wonen waar hij leefde tot aan zijn dood.

"altaarstuk van de zeven sacramenten" (ca 1445),

Zijn roem verspreidt zich over gans Europa, wat ook blijkt uit talrijke archiefdocumenten en literaire teksten die uit zijn tijd zijn overgeleverd. Met name in Spanje en Italië werden zijn werken zeer lovend onthaald. Zo schonk koning Juan II van Castilië in 1445 het zogenaamde "Miraflorestriptiek" (Berlijn, Gemäldegalerie) aan het door hem gestichte kartuizerklooster van Miraflores bij Burgos. In de annalen van dit klooster werd met trots ook zeer ongebruikelijk de naam van de kunstenaar bij dit gebeuren vernoemd als: "Magistro Rogel, magno, & famoso Flandresco" (meester Rogier, grote en beroemde Vlaming).
In juli 1449 liet de machtige Leonello d'Este Markies van Ferrara vol trots zijn triptiek van Van der Weyden zien aan de geleerde Cyriacus van Ancona die het vervolgens geestdriftig beschreef als "eerder goddelijk dan menselijk". Uit rekeningen daterend uit de jaren 1450-1451, is bekend dat Leonello nog andere werken bij Van der Weyden bestelde en blijkt wederom de achting die men voor Rogier koesterde. Hij werd er in omschreven als: "excelenti et claro pictori M. Rogerio".

In 1449, toen Van der Weyden's “Gerechtigheid van Trajanus en Herkenbald” bijna voltooid was, legde Jan Van Ruysbroeck de eed af als “meester van den steenwerke van den torre van der stads raithuse op de merct” en ontwierp een slanke spits voor het Brusselse raadhuis waarvoor Van der Weyden ontwerptekeningen maakte van het beeldhouwwerk.

Na de voltooiing van de “Legende van Trajanus en Herkenbald” trok Rogier Van der Weyden naar Italië waar hij net als zijn grote voorganger Jan Van Eyck met alle eer werd ontvangen. Was Van Eyck een bedaarde en beheerste schilder, uit het werk van Van der Weyden spreekt meer een tragische en pathetische bewogenheid, vooral wanneer hij het lijden en de dood van Christus afbeeldde. Of zijn reis naar Italië zijn schilderkunst beïnvloedde is niet duidelijk. Wel vertoont zijn "Maagd met kind en heiligen" (ca 1450, Frankfurt) sterke gelijkenissen met de Italiaanse religieuze kunst van die periode.

"Bladelin-altaarstuk" (ca 1450),

"Aanbidding der koningen" (ca 1455),

"Karel de Stoute" (ca 1460) en "Portret van Anton van Bourgondië" (ca 1460).

Rogier van der Weyden overleed 18 juni 1464 als een rijk man die grote geldsommen en schilderijen naliet aan het kartuizerklooster van Scheut, waar zijn zoon Cornelis monnik was, en aan het klooster van Hérinnes bij Edingen. Hij werd zelf begraven onder een arduinen steen “daer eenen doye op staet” in de kapel van de Heilige Catharina in Sint-Goedele waar het broederschap van Sint Elooi - waartoe ook de schilders behoorden - hun missen hielden.

Websites:
* users.pandora.be/websthetica


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 98.