kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 06-02-2009 voor het laatst bewerkt.

Russische-kunst

Russische kunst

De Russische kunst bestond nog tot in de 17e eeuw voornamelijk uit iconenschilderingen. Vanaf de 18e eeuw heeft ze een enorme inhaalslag weten te maken ten opzichte van de kunstontwikkeling in West-Europa en in de 20e eeuw werd zij uiteindelijk zelfs toonaangevend voor de westerse kunstgeschiedenis. Belangrijk hierbij is de voortdurende rivaliteit tussen de twee hoofdsteden van Rusland: Moskou en Sint-Petersburg. Ook de verregaande inmenging van de tsaristische en later communistische heersers heeft een grote stempel gedrukt op de ontwikkeling van de Russische kunst.

De Russische kunst werd als geen andere bepaald door het mysterie van het orthodoxe christendom - er loopt een lijn vanaf de middeleeuwse ikonen via de 19de eeuwse salonkunst, de avant-garde begin 20ste eeuw tot aan de kunst van de Perestrojka en vandaag.

De Russische kunst vindt zijn wortels in de religieuze iconenschilderkunst, met voorstellingen die in opdracht van de orthodoxe kerk door icoonschilders gemaakt zijn. Tot de 18de eeuw kende men in Rusland vrijwel geen andere schilderkunst. Pas onder tsaar Peter de Grote (1682-1725), die het land openstelt voor Europese invloeden, worden olieverf en linnen geïntroduceerd. Maar waar in de rest van Europa de kunstenaars nieuwe onderwerpen en opdrachtgevers ontdekken, blijft in Rusland de kerk lange tijd de belangrijkste opdrachtgever.

Kerstening Rusland
Vanaf 988 werd Rusland gekerstend. Vladimir, grootvorst van Kiev, had onderzoek laten doen naar de verschillende wereldgodsdiensten. In Constantinopel, in de Aya Sofia, troffen zijn afgezanten, de godsdienst die volgens hen bij Rusland paste: een geloof gekenmerkt door schoonheid. De grootvorst koos voor het christendom en liet zijn onderdanen dopen in de Dnjepr.
Bij dit christelijk geloof uit Constantinopel hoorden kruiskoepelkerken en iconen. Deze kerken werden ook in Rusland gebouwd; aanvankelijk met assistentie van de Byzantijnen. In Kiev verrees eveneens een Aya Sofia, vernoemd naar het origineel in Constantinopel.

Iconen
De Russische kunstgeschiedenis heeft anders dan de westerse kunst met haar wortels in de laat-middeleeuwse Vlaamse primitieven, van meet af aan voor een belangrijk deel betrekking op de icoonschilderkunst. In de orthodoxe kerken zijn Woord en Beeld even belangrijk. Zowel via woorden als via iconen kan de toeschouwer direct in contact komen met God. Iconen stellen de Goddelijke wereld present. Via de beeltenisssen van Christus, de Moeder Gods (Maria), engelen en heiligen kan de beschouwer worden opgenomen in de zichtbare, onzichtbare Goddelijke werkelijkheid; de dagelijkse sleur even vergeten.
In prachtige kleuren en veel goud leggen iconen getuigenis af van het Mysterie. Het goud verwijst naar de hemel, de eeuwigheid, het licht.
Iconen worden eigenlijk nooit gesigneerd. Toch weten we van enkele zeer bijzondere iconen, wie hun makers waren: Theofanes de Griek (c. 1340 – c. 1410), Andrej Rjoeblov (* 1360-1370; + ca. 1430), Dionisius (c. 1440 – 1502) en Simon Oesjakov (1626-1686).

Iconostase
In Russische kerken is de gebruikelijke koorafsluiting een wand van iconen, de iconostase, waarin drie deuren toegang verlenen tot het koor (dat alleen voor geestelijken toegankelijk is). De iconen van de iconostase zijn gerangschikt volgens een vast programma: aanvankelijk (13e eeuw) alleen de voorstellingen van Christus tussen Maria en Johannes de Doper; dit werd in later tijd uitgebreid met de iconen van andere heiligen, aartsengelen en evangelisten. ca 1400 werden de meest uitgebreide iconostasen vervaardigd.

Iconen uit Novgorod en Pskov in de twaalfde tot de vijftiende eeuw.

Theophanes werd geboren in het Byzantijnse rijk (waarschijnlijk op Kreta) en werkte in Constantinopel. In 1370 verhuisde hij naar Novgorod en in 1395 naar Moskou. Waarschijnlijke is hij de leermeester en mentor van Roebljov.

Andrej Roebljov
De invloed van de school en volgelingen van Andrej Rjoeblov, de beroemdste icoonschilder uit de late Middeleeuwen in Rusland, werkte eeuwen later nog steeds door in het oeuvre van de Russische schilders die toen allang niet meer werkten volgens de strakke voorschriften van het icoonschilderen.

Oudrussisch textiel.

Neoclassicisme
De achttiende eeuw is de eerste eeuw waarin wereldlijke kunst werd gemaakt. Peter de Grote (1689-1725) wilde in één klap het naar zijn smaak zo achterlijke land op Europees niveau brengen. Om die reden pakte hij de (orthodoxe) kerk aan, die onder staatsgezag werd gesteld, en verplaatste hij de opperleiding van de patriarch naar de Heilige Synode. Russische kunstenaars werden naar het buitenland gestuurd en genoten daar hun opleiding. De kunstacademie werd naar westers model ingericht, wat indirect leidde tot de introductie van het neo-classicisme: eindeloos kopiëren naar voorbeelden uit de Klassieke Oudheid en Italiaanse Renaissancemeesters, maar ook naar Poussin. Dat gebeurde zowel in de schilderkunst als in de architectuur: veel kerken die sindsdien in Sint-Petersburg zijn gebouwd, ogen heel West-Europees en daarmee ook 'rooms'-katholiek.

Ivan Visjnjakov (1699-1761), Ivan Argoenov (1729-1802), Aleksej Antropov (1716-1795) en de mozaïeken van porseleinfabrikant Lomonosov opgericht in 1744).

Francesco Bartolomeo Rastrelli (Parijs, 1700 - Sint-Petersburg, 29 april 1771) was een Russisch-Italiaans architect. Zijn bekendste werk is het Winterpaleis in Sint-Petersburg (1753).

De idealen van de Verlichting in het werk van Fyodor Stepanovich Rokotov (Fedor Rokotov)(1736–1809), Dmitry Levitzky (Dmitry Grigoryevich Levitsky) (1735-1822) en Anton Losenko (1737-1773). Beeldhouwer Ivan Petrovich Martos (1754-1835).

In tegenstelling tot de iconenschilderkunst werd juist de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid weer een belangrijk criterium. Historiestukken werden bij voorkeur geschilderd op de plek waar de gebeurtenis had plaatsgevonden. Dat is een gegeven dat haaks lijkt te staan op de zo religieus geïnspireerde Russische schilderkunst, maar in Sint-Petersburg zaten de moderne kunstenaars daar niet mee. Ze reisden af naar de West-Europese kunstcentra, kwamen boordevol ideeën terug, maar bleven religieuze onderwerpen uitbeelden.
In hun behoefte aan een zekere mate van waarheidsvinding gingen ze zelfs zo ver dat ze naar het Heilige Land reisden om daar het decor op te tekenen waartegen zich het leven van Christus had voltrokken. Zo'n schilder was bijvoorbeeld Maxim Vorobjov (1787-1855), die in 1820-1821 onder meer in Palestina en Syrië studies maakte van beroemde kerken.

De invloed van de klassieke sculptuur is goed te zien in het werk van Alexej Jegorov (1776-1851) en Maxim Vorobyov (1787 - 1855), en in de koppen van Andrei Ivanov (1775-1848). Evident is ook wat nog aan de beeldtaal van de iconen ontleend werd. Kunstenaars als Aleksandr (Andrejevitsj) Ivanov (1806-1858) en Vladimir Borovikovsky (1757-1825) deden dat evenwel op een heel eigen vrije wijze. Borovikovskij maakte engelen letterlijk onzichtbaar, maar liet ze nog in gesproken teksten aanwezig zijn. Alexander Ivanov koos voor zeldzaam uitgebeelde momenten en poogde daaraan een eigen interpretatie te geven. Zijn "Christus verschijnt aan het volk" kan als origineel en revolutionair worden beschouwd.

In de negentiende eeuw begint het Russische kunstleven te veranderen: Russische kunstenaars reizen naar Parijs, Rome, Florence en naar het Heilige Land, en leren daar technische vaardigheden zoals het schilderen van figuren, en studeren de bijbelse geschiedenis en de archeologie (belangrijk bij het realistisch afbeelden van zulke thema's). Er ontstaat een ‘salonkunst' met soms 5 meter hoge bijbelse verhalen, geheel in Westerse stijl. In deze immense doeken komt de menselijke component centraal te staan.
Een schilder als Ivanov wil in zijn werken de individuele reacties van de mensen op de Messias tonen en de complexe psychologische sfeer vastleggen die Christus aantrof bij zijn verschijning op aarde. Mede beïnvloed door de boeken van Tolstoj verbeeldt hij het conflict tussen Jezus en Pilatus, dat ook een conflict is tussen egoïsme en altruïsme.

Silvestr Sjtsjedrin (1745-1804), Fjodor Aleksejev (ca. 1754-1824), Grigori Oegrjoemov (1764-1823), het ‘Poëtisch Realisme’ van Aleksej Venetsianov (1780-1847) en zijn kring, de portretten van Orest Kiprenski (1782-1836), Maksim Vorobjev (1787-1855), Aleksandr Brjoellov (1798-1877), Karl Brullov (1799-1852), Fjodor Broeni (1799/1801-1875), humor en satire in de schilderijen van Pavel Fedotov (1815-1852), Ivan Aivazovski (1817-1900).

De werkzaamheden van Kramski.

De ontwikkeling van het Russische landschap in de eerste helft van de negentiende eeuw.

De schilderijen van Perov en Gay en de landschappen van Savrasov, Sjisjkin, Vasiljev en Cuingi.

Het Sentimentalisme.

Academie der Kunsten: Genrikh Ippolitovich Semiradsky (1843-1902), Flavitski (1828-1887), Smirnov en Stanislav Zjoekovski (1873/1875 -1944) staan nog onder invloed van het neo-classicisme.

De opkomst van de Russische genrekunst.
De schilderijen van Zjoeravljov, Makovski, Maksimov, Savitski en Mjasojedov.
De landschappen en historische doeken van Poljenov.

Abram Efimovich Archipov (Rjazan, 27 augustus 1862 - Moskou, 25 september 1930) was een Russisch realistisch kunstenaar.
Sergej Ivanov (1864-1910)

De schilderijen van Repin, Soerikov en Vasnetsov.
Het ‘stemmingslandschap’ van Levitan.

Realisme
De Russische kunst van het fin de siècle heeft een aantal prominente schilders voortgebracht, zoals de Russische landschapsschilder Ivan Sjisjkin (1832-1898), Aristarkh Lentulov (1882-1943), Boris Grigoriev (1886-1939) en Ilya Repin (1844-1930). De artistieke ontwikkeling van hun werk stond sterk onder invloed van de westerse kunst en het Parijse kunstleven in het bijzonder.

Vanaf 1863 groeit het verzet tegen de strakke reglementering van de Keizerlijke Academie in St.-Petersburg. Kunstenaars vonden het belachelijk dat zij continu naar Westerse voorbeelden moesten schilderen. Waarom zouden zij langer Romeinse landschappen en klassieke schoonheden moeten weergeven, als de eigen omgeving, eigen mensen en eigen tijd zoveel interessants en belangrijks boden?

De Zwervers
In 1870 wordt de kunstenaarsgroep 'De Peredvizjniki' opgericht die koos voor echte Russische onderwerpen. De Peredvizjniki waren begaan met het lot van het gewone volk. In hun religieuze werk staan offerbereidheid en lijden centraal. De aartsconservatieve Ilja Repin, die tijdens een bezoek aan Frankrijk de impressionisten leerde verafschuwen, werd hun voornaamste pleitbezorger. Repin ontleende voor zijn schilderijen motieven aan het alledaagse leven (waaronder de beroemde Wolga-slepers), maar heeft ook tal van bijbelse verhalen van een passende illustratie voorzien. Op genrestukken als Repins "Ze hadden hem niet verwacht", werden revolutionaire figuren met Christus vergeleken.

Zowel de Peredvizjniki als Nikolaj Gé (1831-1894), Repin, Konstantin Makovski (1839-1915) en Vladimir Makovski (1846-1920) brengen door hun realistische trant van schilderen bijbelse thema's dichterbij de mensen.

Het sociaal-kritisch realisme van Ilja Repin
Ilya Repin wordt wegens zijn sociaal geëngageerde thematiek gezien als de grondlegger van het Socialistisch Realisme. De enorme socialistische doeken lijken in afmeting, stijl en compositie sprekend op die van de bijbelse thema's van de salonkunst – de plaats van Jezus wordt nu echter ingenomen door Lenin of Stalin. Repin schilderde tijdens de grootste culturele bloei die Rusland tot dat moment had beleefd. Hij raakte bevriend met beroemde tijdgenoten als Moesorgskij, Tolstoi en Rubinstein en was diep betrokken bij de grote culturele en maatschappelijke veranderingen die Rusland in die tijd doormaakte. Schrijvers, schilders, componisten en wetenschappers zijn door Repin geportretteerd en behoorden vaak tot zijn directe sociale kring.

Abramtsevo
In 1874 begon de spoorwegmagnaat Savva Mamontov op zijn pas verworven landgoed Abramtsevo bij Moskou een kunstenaarskolonie, die zich evenals de Peredvizjniki wijdden aan het eigen Russisch culturele erfgoed. Geinspireerd door de Engelse Arts and Craft-beweging wilde Mamontov de oude ambachtelijke volkskunst laten herleven. Hij begon in Abramtsevo een museum van volkskunst en richtte werkplaatsen in waar robuuste houten meubelen werden gemaakt. Mede dank zij Elizavetha Mamontova genoten de Russische Middeleeuwen een ongekende opbloei. Op het terrein werd in 1882 een kerkje gebouwd dat aan het begin staat van de neo-Russische stijl, en waarvan kunstenaars als Repin, Vasili Polenov (1844-1927), Apollinari Vasnetsov (1856-1933) en Michail Nesterov (1862-1942) de iconostase vervaardigden. Abramtsevo werd de bakermat van de Russische Art Nouveau.

Van Realisme naar Symbolisme
De eerder genoemde Vasili Polenov, Vasnetsov en Nesterov hebben opnieuw oog voor de iconenschilderkunst, kleur en licht. Vasili Polenov ziet Christus als metafoor voor het leven van elke mens en geeft Jezus archetypische trekken. De doeken die Vasnetsov en Nesterov aan het einde van de 19de eeuw schilderden, neigen naar het symbolisme. Hoewel beide kunstenaars lid waren van de Peredvizjniki, onderscheidt hun werk zich duidelijk van hun collega's. Beiden stonden meer open voor Westerse invloeden en hadden in het bijzonder interesse in het Franse symbolisme. Hun werken zijn kleurrijker, meer gestileerd en optimistischer.

De kunstenaar Vasnetsov, die ook een opleiding tot priester had genoten, was goed op de hoogte van de iconografie en de abstracte taal van iconen. Hoewel zijn grote doeken niet met tempera op panelen geschilderd zijn, worden ze in Rusland gewoon iconen genoemd. Ze zijn namelijk in opdracht van de kerk vervaardigd. 'De lijkwade van Christus' van Vasnetsov was een ontwerp voor een epitaaf in de St.-Vladimirkathedraal in Kiev. De Moeder Gods is een ontwerp voor een altaarstuk in een Russisch orthodoxe kerk in Darmstadt en de 'Paternitas' een ontwerp voor een mozaïek in de Alexander Nevsky kathedraal in Warschau.

In de kunstenaarskolonie te Abramtsevo hadden Vasnetsov en Nesterov zich verdiept in de eigen iconen en in de volkskunst. Ze werkten mee aan de bouw van een kerk naar Middeleeuws model en schilderden 'iconen' voor de iconostase in Abramtsevo. De belangstelling voor Middeleeuwse iconenschilderkunst was gewekt en werd opnieuw een grote inspiratiebron. Vasnetsov heeft te Abramtsevo waarschijnlijk ook inspiratie opgedaan voor de prachtige decoratieve omlijsting van de liedteksten op 'De lijkwade van Christus'.

Het Zilveren Tijdperk
Voor de Russische kunst waren de laatste decennia voor de revolutie van 1917 'Het Zilveren Tijdperk' met twee dominante stijlen, het symbolisme en de Art Nouveau. De kwalificatie goud blijft voorbehouden aan de tijd van Poesjkin (1799-1837). Zo schreef Vladimir Nabokov in zijn 'Lectures on Russian Literature': “Toen eindigde de prachtige negentiende eeuw. Tsjechov stierf in 1904, Tolstoj in 1910. Er kwam een nieuwe generatie schrijvers, een laatste schittering, een jachtige uitbarsting van talent. In de twee decennia vlak voor de revolutie bloeide het modernisme in proza, poezie en schilderkunst op briljante wijze.”

Symbolisme
Nesterovs (1862-1942) schilderij 'Visioen van de jonge Warfolomej' uit 1890 wordt algemeen beschouwd als het startpunt van het Russisch symbolisme.

Veel Russische schilders studeerden een paar jaar in Parijs of Munchen en dat is maar al te goed merkbaar. Zo is Pavel Kuznetsov (1878-1968) met zijn blauw-gele primitivisme schatplichtig aan Paul Gauguin en schemert het werk van de Franse Nabisgroep door in de dromerige bloemenplukkende vrouwen van Viktor Borisov-Moesatov. Viktor Elpidiforovitsj Borisov-Moesatov werd bekend door zijn post-impressionistische stijl, die bestond uit een mengeling van symbolisme, een decoratieve stijl en realisme. Met Michail Vroebel wordt hij wel beschouwd als de schepper van het Russische symbolisme.

Michail Vroebel (1856-1910)
Michail Vroebel, die evenals Sjechtel nauwelijks bekend is in het westen, is een schoolvoorbeeld van de romantische moderne kunstenaar. De laatste acht jaar van zijn leven bracht hij door in een krankzinnigengesticht. Tot 1890 leefde hij in armoede en moest hij in zijn onderhoud voorzien met het inkleuren van foto's. Vroebel werd gered door de bankier Kontsjalovski die hem de opdracht gaf het gedicht De Demon van Lermontov te illustreren. Hierdoor werd hij bekend en volgden meer opdrachten, van onder anderen Savva Mamontov, voor schilderijen, wandschilderingen, mozaieken en beelden. Misschien uit dankbaarheid bleef hij zijn verdere loopbaan demonen in allerlei gedaanten schilderen.
Zoals jaren later Malevitsj het socialistisch realisme afwees, zo verwierp Vroebel de opvatting van de negentiende-eeuwse realisten dat kunst een sociaal doel moest dienen. “De kunstenaar moet niet de slaaf van het publiek worden”, schreef hij in 1883, “hij kan zelf het best zijn werk beoordelen.” In de loop der jaren verwijderde het werk van Vroebel zich steeds verder van het realisme. Hij ontleedde vormen als bloemen en planten in wervelende kleurtoetsen tot de demonen in zijn laatste schilderijen bijna helemaal verscholen gaan achter cascades van kleurvlakken.
In een lezing in 1959 legde de Russische constructivist Naum Gabo (1890-1977), in Nederland vooral bekend door zijn beeld voor de Bijenkorf in Rotterdam, uit wat Vroebel voor zijn generatie had betekend: “Op een bepaald punt in onze ontwikkeling waren we allemaal produkten van zijn genie. - Het waren niet de onderwerpen van Vroebel die indruk maakten op ons, maar zijn nieuwe visie en techniek. Hij bevrijdde de beeldende kunst van de academische schema's en bracht de beeldende middelen terug tot de fundamentele elementen. En toen we de nieuwe Westeuropese kunst leerden kennen, was dat voor ons niet vreemd. We kwamen thuis en Cezanne werd vanzelfsprekend door ons geaccepteerd. Zelfs het kubisme was geen verrassing voor ons.”

De Art Nouveau had weinig te maken met de tsaar en de adel, maar was juist de kunst van de nieuwe klasse van ondernemers die er in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog voor zorgde dat Rusland met een economische groei van acht procent per jaar hard op weg was zijn achterstand op de rest van Europa in te lopen. Het waren de industrielen, bankiers en handelaren die hun fabrieken, woonhuizen en winkels lieten bouwen in de nieuwe stijl en zo van Moskou, meer nog dan Brussel of Parijs, een Art Nouveau-stad maakten.

Fjodor Sjechtel
Het is moeilijk om vast te stellen waar de zogenaamde neo-Russische stijl ophoudt en de Style Moderne, zoals de Art Nouveau in Rusland werd genoemd, begint. In veel gebouwen zijn de twee stijlen met elkaar versmolten tot een eigenaardig, romantisch mengsel. Dat is goed te zien in het Jaroslavl-station van Fjodor Sjechtel (1859-1926), de belangrijkste architect van de Russische Art Nouveau. Dit station ziet er met zijn kleurige mozaieken en het overdreven hoge, aan de Noordrussische houtarchitectuur ontleende zadeldak uit als een sprookjeskasteel uit een Russisch Disneyland. Sjechtel is niet zo beroemd geworden als de Belgische Art Nouveau-architect Victor Horta of de Spanjaard Antoni Gaudi. Sterker nog, in het westen heeft bijna niemand van hem gehoord. Misschien komt dat doordat hij geen theorieen had en niet erg stijlvast was. Zijn oeuvre varieert van grote neogotische woonhuizen tot fabrieken en handelsgebouwen van een bijna Berlagiaans rationalisme. Toch kan zijn beste werk, het huis dat hij in 1902 bouwde voor de bankier Nikolaj Rjaboesjinski, zich meten met dat van Horta en Gaudi. Hierin is niets te bekennen van de sprookjesachtige vormen die de Russische Art Nouveau soms een wat kitscherig karakter geven. Rond een wervelende trap, waarvan de stenen leuning bestaat uit een aaneenschakeling van grote stenen oorvormen, plaatste hij een aantal rechthoekige vertrekken van verschillende omvang. Deze asymmetrische groepering van doosvormen loopt vooruit op de modernistische architectuur en van buiten maakt het huis dan ook een strenge indruk, die wordt verzacht door de tintelend roze en blauwe bloemenmozaieken onder de ver overstekende dakrand.

Kunst van de 20e eeuw
De kunst van de eerste postrevolutionaire jaren, de kunst van de twintiger en dertiger jaren, de kunst van tijdens en kort na de oorlog en de kunst van de tweede helft van de twintigste eeuw. De opkomst van nieuwe thema's en voorbeelden. De meest karakteristieke werken van de belangrijkste kunstenaars uit de sovjetperiode, met als thema's de burgeroorlog, de tweede wereldoorlog, maar ook scènes uit vredestijd. Officiële en onofficiële kunst in de sovjetcultuur.

Avant-garde
Aan het begin van de 20ste eeuw maakte de kunst een stormachtige ontwikkeling door: van symbolisme, neo-primitivisme, kubisme, futurisme, kubo-futurisme, tot rayonisme, suprematisme en constructivisme. Op het terrein van de religie waren reeds in de 19de eeuw verschillende alternatieve bewegingen op gang gekomen die voor meer openheid pleitten: theosofie, antroposofie, esoterische filosofie en Oosterse spiritualiteit. Zowel formele als spirituele factoren hebben dus aan deze dynamische ontwikkeling bijgedragen.

Kandinsky en Malevitsj
De avant-garde kunstenaars in het begin van de 20ste eeuw zoeken hun inspiratie in de eigen Russische cultuur: in de volkskunst en in de iconen. Daarbij blijven zij het spirituele pad volgen, dat dan is uitgebreid met moderne spirituele stromingen als de theosofie en de esoterie. Bij Kandinsky en Malevitsj leidt dit via afbeeldingen van het Russische boerenleven uiteindelijk tot een totale abstractie. Malevitsj' Zwarte Vierkant verwijst, net als een icoon, naar een hogere werkelijkheid.

Malevitsj schildert enkele symbolistische werken die holistisch van aard zijn en naar meerdere dimensies verwijzen. Gontsjarova, Jawlensky, Kandinsky, Filonov en Petrov-Vodkin grijpen naar de iconenschilderkunst terug en verwerken deze bron ieder op een eigen wijze - modern of primitief - in sterk vereenvoudigde vormen en vrij kleurgebruik.
Voinov en Boerljoek verwerken futuristische elementen in hun oeuvre. Met krachtlijnen en tekstfragmenten bereiken zij de gewenste dynamiek.
Enkele jaren na het rayonisme van Gontsjarova en Larionov en Kandinsky's vroeg abstacte werken, komt Malevitsj met zijn wereldschokkend beeld van het niets "Het zwarte vierkant".
Geen representaties van wat er te zien valt. Geen landschappen, geen portretten, geen historiestukken of stillevens meer, maar pure kunst, bestaande uit geometrische vlakjes die door de ruimte van het doek zweven, gewichtsloos en buiten de tijd in een vierde dimensie.
Kandinsky, aanvankelijk enigszins terughoudend tegenover de avant-garde, schildert in de jaren twintig ook geometrisch abstracte werken in het Bauhaus.
En Malevitsj? Hij zet zijn werk voort met de verheerlijking van het witte kruis en de boer als een nieuwe icoonfiguur in zijn tijd.

Socialistisch-Realisme (jaren 30-80)
In 1932 vaardigde Stalin een decreet uit, waarin hij bepaalde dat kunstenaars in een socialistisch-realistische stijl moesten werken. Zij werden geacht'de werkelijkheid weer te geven in haar revolutionaire ontwikkeling' sinds 1917.
Repin werd als het grote voorbeeld aangeprezen. Abstract schilderen werd verboden. Bovendien mochten de kunstenaars zich alleen maar aansluiten bij de officiële Kunstenaarsbond. Wie zich daar niet aan hield, kreeg geen atelier, geen materiaal en geen opdrachten. Velen voelden zich niet alleen in hun bestaan, maar ook in hun leven bedreigd.
Kunstenaars dienden het communistische ideaal te ondersteunen en te propageren. Het idee van een ideale toekomst moest overal gepredikt worden. Arbeiders werden geschilderd als harde werkers en gelukkige mensen.
Alles wat 'de vader van de natie' ondernam, diende het belang en het geluk van het volk. De 'grote leider' was degene met wie de vrouwen dweepten, voor wie de kinderen op school hun best deden en de mannen zwoegden.
Stalin had in 1924 de persoonsverheerlijking van Lenin al ingezet. Tijdens zijn eigen bewind begon de cultus geleidelijk aan groteske vormen aan te nemen. Beide leiders werden als goden voorgesteld en door velen als hun 'meester' en 'de vriend van de kinderen' vereerd.
Godsdienst, kerkgang en religieuze kunst waren verboden. Kerken werden verwoest en priesters vermoord. Reshetnikov, Samochvalov, Nalbandjan en Koegatsj brengen op grote doeken in een realistische schilderstrant hulde aan hun held.

Non-conformisme & hedendaagse kunst
Na de dood van Stalin (1953) werden de teugels aanvankelijk enigszins gevierd. Voor het eerst sinds 35 jaar was er weer kunst uit het buitenland te zien en mochten kunstenaars een kijkje nemen in de depots van de verschillende musea. Daar troffen ze abstracte werken aan van Malevitsj en Kandinsky.
Sommige kunstenaars hielden zich niet langer aan de regels van het socialistisch-realisme, weigerden lid te worden van de officiële kunstenaarsbond, vormden hun eigen groepjes en organiseerden geheime tentoonstellingen. Een voorbeeld is de "Lianosovskaja-groep, waar Njemoechin deel van uitmaakte.
Na een botsing met Chroetsjov in 1962 stelde deze het socialistisch-realisme weer verplicht. Niet-officiële kunstenaars werden opnieuw als staatsgevaarlijke burgers geschaduwd. Zij zetten echter hun activiteiten ondergronds voort en worden daarom veelal als de non-conformisten aangeduid.
Hun werk is zeer verschillend van aard. Moisejenko is nog vrij traditioneel, maar Koelakov schildert nagenoeg abstract, omdat hij het werk van Amerikaanse abstracte expressionisten als Jackson Pollock had leren kennen. Michailov ontwikkelde een sterk persoonlijke stijl, Goerevitsj werk is nog figuratief, primitief, maar ook autobiografisch van karakter.

Na de perestrojka veranderde er voor de non-conformisten niet zo heel veel. Hun reis- en afzetmogelijkheden werden zeker vergroot. Met de godsdienstige opleving ging de restauratie van oude kerken gepaard. Religieuze kunst bloeit als nooit tevoren.
In principe mag alles weer. Maar of abstracte kunst en figuratieve kunst (zg. salonkunst) evenzeer gewaardeerd wordt is een andere vraag.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 763.