kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 03-12-2008 voor het laatst bewerkt.

Santa-Maria-Novella

Basiliek en klooster aan de Piazza Santa Maria Novella in het westelijke deel van de stad Florence in Italië.

Onderstaand artikel is een ruwe voorlopige opzet. Aan een definitief artikel wordt nog gewerkt.

De Santa Maria Novella is een gotische dominicanerkerk met 15de eeuwse marmeren façade van Leon Battista Alberti. In de kerk bevindt zich onder meer het fresco 'Heilige Drieëenheid' van Masaccio en in het koor vind je fresco's van Ghirlandaio die als een van de mooiste kunstwerken van Florence beschouwd worden.

Links van de kerk bevindt zich de ingang tot enkele Romaans-gotische kruisgangen, de Chiostri monumentale di Santa Maria Novella; de zgn. 'groene kruisgang' heeft fresco's van Ucello en zijn leerlingen.
Aan de noordzijde van de groene kruisgang staat de Cappellone degli Spangnoli (1335). Achter de kerk bevindt zich het centraal station.

Inleiding
Zoals dat de gewoonte was bij de bedelorden van de 13de eeuw, hebben ook de Dominicanen zich even buiten de toenmalige stadsmuren gevestigd. Ook de Franciscanen deden dit, aan de overkant van de stad. Pas bij de constructie van de laatste stadswallen (de huidige “kleine ring”) kwamen deze kloostercomplexen in de stad te liggen. De vernieuwende rol die deze kloosterorden in de gescleroseerde Kerk van de 12de – 13de Eeuw teweeg hebben gebracht is welbekend.

In tegenstelling tot de Franciscanen waren de Dominicanen veel dogmatischer: we zouden ze vandaag “fundamentalisten” noemen! Eeuwen lang hebben ze in de S. Maria Novella en op het plein ervóór hun (donder)preken gehouden. Ze schuwden zelfs het geweld niet: het stenen kruis op de kruising van de Via del Moro en de Via delle Belle Donne herinnert aan een strafexpeditie van de Dominicanen tegen vermeende ketters!

Van de 13de tot de 15de Eeuw was de S. Maria Novella dan ook het centrum van de religieuze orthodoxie en het politieke conservatisme. De marmers van de voorgevel, de aanwezigheid van een belangrijke bibliotheek en de grote fresco’s (bedoeld om een aantal dogmatische stellingen te illustreren) zijn uitingen van een elitaire cultuur, met zijn zo typische neiging naar een abstract intellectualisme. De theologie is nog steeds één van de belangrijkste studiegebieden voor Dominicanen!

Geschiedenis
De kerk maakte deel uit van een groter kloostercomplex. In 1221 kregen de Dominicanen de toenmalige S. Maria delle Vigne (dat kerkje lag toen buiten de stad!) toegewezen. Deze romaanse kerk uit de 11de Eeuw (er zijn sporen teruggevonden onder de huidige sacristie) had een “normale” oostwest-orientering, en het voorliggende plein was dan ook niet de Piazza di S. Maria Novella, maar de huidige Piazza dell’ Unità Italiana.

In 1246 begonnen ze met de nieuwbouw van het koorgedeelte en het dwarsschip. In 1278, toen de eerste kloostergebouwen werden opgetrokken door twee dominicaner broeders, begon men met de bouw van de nieuwe kerk, met de absis naar het Noorden. In 1279 startte de bouw van het middenschip onder leiding van de lekenbroeders Fra Ristoro en Fra Sisto. De plannen voorzagen in een omvang en monumentaliteit die tot dan in Florence onbekend waren. In 1300 ontstond een pijlerbasiliek met drie schepen, een dwarsbeuk en ondiepe koorkapellen - de campanile werd tussen 1330 en 1350 voltooid.

Kort daarna werd het onderste deel van de voorgevel geïncrusteerd. Dit deel heeft hoge blindbogen en grafnissen, de zogenaamde avelli, die in de muren van het aangrenzende kerkhof voortgezet worden. De façade sluit in materiaal en stijl nog aan bij de Florentijnse proto-renaissance, maar heeft duidelijk gotische motieven in de spitsbogen boven de nissen. Goed halverwege de 14de Eeuw was ze goeddeels klaar. Goeddeels, want de gotische voorgevel bleef vooralsnog onafgewerkt.

Rond 1450 ontwierp Alberti een tempelfront met middenportaal, attiekverdieping en een hoge topgevel. In 1458 besloot Giovanni Rucellai het project voor een nieuwe gevel van de hand van L.B. Alberti te financieren. De Rucellai behoorden tot de rijkste Florentijnse families en woonden in buurt (hun palazzo staat enkele straten verder, en is één van de archetypen, “schoolvoorbeelden”, van de burgerlijke bouwkunst in de Renaissance). Dit was niet zo vanzelfsprekend (er waren in Firenze méér kerken zonder, dan mét een afgewerkte façade!), en getuigt opnieuw van de verregaande invloed van de Dominicanen in Firenze.

Aan de oudere onderste zone werden de hoekpilasters en het elegante portaal toegevoegd. Alberti ordende de benedenverdieping door middel van naar voren springende halfzuilen. Daarboven een architraaf en een fries, en een smalle zone die correspondeert met het middenschip, bekroond met een tympanum.
De voluten ter weerszijden zijn een later veel toegepast motief, dat — ontdekt door Alberti — hier voor het eerst is gebruikt. Zij vormen een goede oplossing om de schuin aflopende daken van de zijschepen aan het oog te onttrekken.
Voor de decoratie greep hij verregaand terug op traditionele motieven, zoals de marmeren banden en de vierkante cassetten die bekend zijn van het Baptisterium in Florence. Helemaal nieuw daarentegen zijn de opgaande voluten en de zeilboten op het fries - de laatste als 'kenmerk' van de opdrachtgever Giovanni di Paolo Rucellai.
Dit geveltype, met een tympaan als middenbekroning en voluten werd het voorbeeld voor vele renaissance- en barokgevels.

De voorgevel is zonder meer één van de voornaamste gevels van de kerkelijke bouwkunst in Italië, en vat als geen ander de voorafgaande en de daaropvolgende periode samen. “Ouderwets”, bij wijze van spreken, zijn de gotische elementen, die Alberti in het geheel geïntegreerd heeft: de 6 spitsbogige “avelli” (eigenlijk zijn dat graven!), de 2 zijportalen met torentjes boven de lunetten in de benedendeel, en het grote roosvenster in het bovendeel. En de geometrische gevelversiering met inleg van witte en zwart-groene marmer is al van in de romaanse periode typisch voor de Toscaanse bouwkunst.
“Eigentijds”, renaissancistisch dus, zijn de centrale toegang (duidelijk geïnspireerd op het klassieke motief van de triomfboog), de Corinthische zuilen, de nadrukkelijk horizontale klemtoon door de “attiek” (de brede band tussen de beneden- en boven”verdieping”) en het driehoekige fronton. Ook de halfbogen in het benedenregister zouden van de hand van Alberti zijn.
“Revolutionair-nieuw” is tenslotte de oplossing die Alberti bedacht om de 2 registers met mekaar te verbinden: de sierlijke krullen links en rechts boven de attiek. Tot op het einde van de barok zullen dit soort krullen aangewend worden om de zijbeuken te “verbergen”, en eenheid te geven aan de kerkgevels. Het geniale aan dit project van Alberti is dat hij erin geslaagd is om, vóór een (toch nog altijd relatief hoge) gotische kerk, een “klassieke” gevel te plaatsen. O.m. de hoge attiek zorgt ervoor dat de gevel “op de grond” blijft!

Vóór we de kerk binnengaan moet je toch even letten op de verwijzing naar de “sponsor” (onder Giovanni Rucellai stond deze gevel er immers niet!). Zijn naam staat, met de datum 1470, in hoofdletters op de fries onder het fronton. En als je goed kijkt zie je in de marmerbekleding de insignes van zijn familie (pluimen in een ring) en zijn persoonlijk blazoen: het zeil van de fortuin, opgebold door de wind. Het beeld van de stralende zon in het fronton tenslotte, is het embleem van de Dominicanerorde.

Het ruime interieur (lengte 99,20 m, breedte 28,30 m) van de drieschepige basiliek toont een plattegrond van het type van de bedelordekerken: kruisvormig met rechtgesloten koorkapel en zijkapellen, aansluitend aan het transept. De basiliek heeft een dwarsbeuk en vijf kapellen en is gebouwd als een grote ruimte met gotische stijlelementen, zoals de kruisribgewelven, de 'gestreepte' spitsbogen en de bladkapitelen.
Zoals bij alle Florentijnse kerken scheppen ook hier de gotische stijlelementen (spitsbogen, ribgewelven) een zeer grote ruimtelijkheid, vooral ook door de hoogte van de arcaden. De vensterzone met ronde vensters is smal, vergelijkbaar met de Romaanse kerken.
Het interieur is een typisch vb. van (late) Italiaanse gotiek: niet zó hoog als de Franse kerken, en, vooral, met veel minder zuilen. Daarbij zitten we op de rand van een grondplan naar een Latijns kruis: de absis is net iets dieper dan bijv. in de S. Croce, zodat je min of meer van een “kruisvorm” kan spreken.
Het duurt even voor je het door hebt, maar van achter naar voor wordt de interval tussen de zuilen kleiner (van 15 m. tot 11.50 m.). Sommigen interpreteren dit als een (vroege vorm van omgekeerde) perspectiefcorrectie, anderen beweren dat dit te maken heeft met de oorspronkelijke scheiding tussen het deel voor de paters en het deel voor de gelovigen, ter hoogte van de trapjes bij de 4de pilaar.

Vasari liet de oorspronkelijke frescobeschildering van de wanden uit de Trecento wit schilderen. De lichtheid van de wanden, de harmonische verbinding van pilaren en gewelven en de veelheid en elegantie van de bogen, die ondanks hun verschillende doorsneden een eenheid vormen, verlenen de ruimte een zeker ritme en leiden het oog naar het in de verte glanzende koor. De dominicaner kerk is rijk gedecoreerd met grafzerken die in de vloer of de wanden opgenomen zijn.

De Santa Maria Novella is rijk aan kunstwerken, vooral uit de tijd van de vroege renaissance. Renaissancekunstenaars zoals Brunelleschi Brunelleschi, Lippi en Ghiberti hebben hier hun persoonlijke getuigenissen achtergelaten. Rijke families hebben de transeptkapellen laten decoreren (er zijn hier geen echte zijkapellen, wel een aantal zijaltaren). De transeptkapellen zijn, zoals zo vaak, echte verzamelingen van kunstwerken. Sommige zijn weggehaald, zoals de “Madonna Rucellai” uit de Cappella dei Bardi (uiterst rechts vooraan), die nu in het Uffizi hangt. Andere, vaak de vroegste frescoversieringen, zijn zwaar gehavend.

1. Binnenzijde van de façade. In de lunet boven het ingangsportaal zien we een geboorte van Christus, een van de wand genomen fresco, toegeschreven aan Sandro Botticelli (15e eeuw); rechts van het portaal zijn 14e-eeuwse fresco’s met de annunciatie, de geboorte, de aanbidding van de drie koningen en de doop van Christus. In het roosvenster is een kroning van Maria naar ontwerp van Andrea da Firenze (ca. 1365).

2. Martelaarschap van de Heilige Laurentius van Girolamo Macchiette uit de tweede helft van de zestiende eeuw.
3. Wijwaterbekken (1412)
4. Graf van Villana delle Botti uitgevoerd Bernardo Rossellino en assistenten (1451).
5. Cappella della Pura
6. Terracotta buste van Sint Antoninus met daarboven het grafmonument van Tedice Alioti (+/- 1336) van een navolger van Tino di Camaino.
7. Graf van de patriarch Josephus van Constantinopel. Onder zijn prioraat werd gestart met bouw van deze kerk.

8. De 14de eeuwse cappella Rucellai ligt verhoogd gelegen uiterst rechts in de transept. Het monument in het trapportaal voor Paolo Rucellai dateert uit de 15de Eeuw, ook al heeft het de vorm van een antieke sarcofaag, met zijn s-vormige versiering. De marmeren Madonna-met-Kind op het altaar is van de hand van Nino Pisano (halverwege de 14de Eeuw).
De bronzen dekplaat tenslotte, die centraal het graf van Fra’ Leonardo Dati (een generaal van de Dominicanen) afdekt, is door Lorenzo Ghiberti (1425-26) gegoten en geciseleerd.
Voor het altaar van deze kapel schilderde Duccio de beroemde ‘Madonna Rucellai’, thans in de Uffizi. Nu staat daar een mooie gotische Madonna met kind van Nino Pisano (ca. 1350).

9. Bardi-Ilarionikapel met een altaarstuk van Giorgio Vasari.

10. De Cappella di Filippo Strozzi, de familiekapel van de familie Strozzi, rechts van de absiskapel, is vanaf 1489 door Filippino Lippi (fresco’s) en Benedetto da Maiano (sculptuur) gedecoreerd. Ook de Strozzi waren een belangrijke Florentijnse familie, die hun palazzo in de buurt hadden.
In 1486 had de bankier Filippo Strozzi de kapel in de Santa Maria Novella verworven en in 1487 kreeg Filippino Lippi van Filippo Strozzi de opdracht om de familiekapel in de Santa Maria Novella te decoreren. Lippi was met dit werk erg lang bezig en voltooide dit pas in 1503 na de dood van de opdrachtgever. Het uiteindelijke werk gaf zeer treffend het politieke en religieuze klimaat aan het einde van de 15de eeuw in Florence weer.
In het gewelf vind je de aartsvaders Adam, Noach, Abraham en Jacob. Op de wanden bevinden zich twee scènes betreffende de apostel Filippus, de naamheilige van de opdrachtgever, en twee scènes uit het leven van de evangelist Johannes. De venster-wand is beschilderd met figuren in chiaroscûro’ en architectonische decoratie. Ook het glas-in-loodvenster is ontworpen door Filippino Lippi. De stijl van deze fresco’s is beweeglijk, kleurig en fantasievol, met expressieve figuren, fantastische antieke ruïnes en fijn uitgevoerde details.
Vergeleken met Filippino Lippi’s vroege werk, bijvoorbeeld in de S. Maria del Carmine, is het bijna barok en loopt het vooruit op het maniërisme. De rijke archeologische versiering en de onrust in de afbeeldingen laten zien dat Lippi zich stilaan verwijdert van de klassieke Florentijnse renaissance en “Romeinse” ervaringen heeft gehad.
Het grafmonument voor Filippo Strozzi werd tussen 1491 en 1493 gemaakt door Benedetto da Maiano (de buste bevindt zich in het Louvre!).

11. de Cappella Maggiore of Capella Tornabuoni, werd in opdracht van Giovanni Tornabuoni, ‘tot lof van zijn huis en familie’, geheel met fresco’s gedecoreerd. Deze cyclus is het grootste en beroemdste werk van Domenico Ghirlandaio, die hierbij geholpen werd door zijn broer Davide, Sebastiano Mainardi en leerlingen, onder wie de jonge Michelangelo (1485-1490).

De hoofdkoor- of absiskapel is gewijd aan de ten hemel opgenomen Maria. Van 1485 tot 1490 is ze onder de leiding van Domenico Ghirlandaio volledig nieuw gedecoreerd (de oude versiering uit de 14de E. van Andrea Orcagna is na de restauratie gedeeltelijk te zien in het aanpalende museum). Het geheel is één van de meest eminente fresco-cycli van de hoogrenaissance in Firenze, waarbij de gewijde voorstellingen doorspekt zijn met artiesten, intellectuelen en uiteenlopende personages van de begoede burgerij uit Firenze.
De fresco’s in het gewelf stellen de vier evangelisten voor; op de linkerwand zijn gebeurtenissen uit het leven van Maria afgebeeld. De rechterwand toont gebeurtenissen uit het leven van Johannes de Doper.
Deze schilderingen, evenwichtig van compositie en rijk aan verhalende details, geven ons een goed beeld van de tijd waarin zij ontstonden. Onder de figuren zijn verschillende vooraanstaande tijdgenoten afgebeeld in de kostuums en in de entourage van de vroege renaissance. Het is de specialiteit van de schilder om bijbelse verhalen in het eigentijdse Florence te laten spelen. Met genoegen herkenden de opdrachtgevers zichzelf, hun geliefden, hun echtgenotes en zakenpartners in de schilderijen.
De “Tornabuoni”-familie, die de patronage over deze kapel had, was trouwens verwant met de Medici-familie.

Je moet, volgens een oud schema, de fresco’s van de zijwanden, die 2 aan 2 gegroepeerd zijn, van beneden naar boven lezen.
Op de linkerwand staan scènes afgebeeld uit het leven van Maria. Van links beneden zie je:
- Joachim uit de tempel gejaagd omdat hij onvruchtbaar is / De geboorte van Maria.
- De opdracht in de tempel / Het huwelijk van Maria.
- De geboorte van Christus / De dood van de onnozele kinderen.
- In de lunet: De dood en de hemelvaart van de H. Maagd.
Op de rechterwand staan scènes uit het leven van Sint Jan de Doper. Van rechts beneden:
- De engel verschijnt aan Zaccharias (beneden: de datum 1490) / Het bezoek van Maria.
- De geboorte van Sint Jan / Zaccharias, stom geworden, schrijft de naam voor zijn zoon. Tussen rijk versierde, geschilderde pilaren wordt ons een blik gegund in een Florentijns huis. De kraamvrouw krijgt bezoek van een voorname dame, die wordt begeleid door twee gezelschapsdames. Een dienstbode komt haastig met een fles wijn en een mand met fruit binnen - de stof van haar gewaad bolt koket op.
- De prediking van Sint Jan / Het doopsel van Christus.
- In de lunet: Het banket van Herodes.
Tegen de altaarwand omkaderen de fresco’s een enorme “trifora” (een drieledig raam):
- In de lunet: De kroning van Maria en Heiligen.
- Aan de zijkanten: De H. Dominicus beproeft de boeken in het vuur / De marteldood van de H. Petrus Martelaar / Maria Boodschap / De tocht van Sint Jan in de woestijn.
- De biddende figuren zijn Giovanni Tornabuoni en zijn vrouw Francesca Pitti.

12. Uit de “cappella Gondi”, links van de centrale kapel, zijn de De (laat-13de -eeuwse) fresco’s goeddeels verdwenen. Maar de strenge architectuur van Giuliano da Sangallo (1503), met zijn bekleding van wit en zwart marmer en rood porfier, zijn geometrische figuren en zijn schedels in hoog-reliëf maken indruk. Tegen de achterwand hangt een crucifix, de enige bekende houten scuiptuur van Filippo Brunelleschi, die hij volgens Vasari zou hebben gemaakt om Donatello te laten zien hoe men Christus aan het kruis weergeeft zonder het grove realisme van diens crucifix in de S. Croce, te dateren tussen 1410 en 1425.

13. Cappella Strozzi di Mantova, verhoogd gelegen. Gedecoreerd met fresco’s door Nardo di Cione, broer van Andrea Orcagna (ca. 1357). Aan de pilasters en in de archivolten zien we heiligen, in het gewelf viermaal Thomas van Aquino, met kleine allegorische figuren. In de vensterwand zijn een venster, ontworpen door Andrea Orcagna en Nardo di Cione en een fresco met het Laatste Oordeel. Op de linkerwand (aan de rechterhand van Christus) is het paradijs afgebeeld, en rechts de hel; vergelijk de roodachtige en aardekleuren van deze schildering met het roze, hemelsblauw en goud van het paradijs. Op het altaar een polyptiek met Christus en heiligen van Andrea Orcagna (1357).

14. Sacristie. Grote, met kruisgewelf overspannen ruimte, gebouwd door Jacopo Talenti (1350). Aan de ingangswand hangt een op hout geschilderd crucifix, vroeg werk van Giotto, al bekend in 1312.

15. Dit zijaltaar in de zijbeuk met een werk van Masaccio, is kunsthistorisch bekeken, van een ongemeen groot belang. Tussen de 2de en 3de pilaar van de linkerkant immers “begint” a.h.w. de Renaissance. Wat Brunelleschi in de architectuur realiseerde, en Donatello in de beeldhouwkunst, presteerde Masaccio in de schilderkunst: aanknopen bij de voorstellingswijze van de Oudheid met een quasi perfecte beheersing van de techniek.
Het fresco dat de H. Drievuldigheid voorstelt met Maria, Sint Jan en de geknielde opdrachtgevers Lenzi boven op een liggend skelet, en dat door de jong gestorven schilder rond 1426-27 werd geschilderd is daar een zeer goede illustratie van. Het doet denken aan een grafkepel, en is zo consequent volgens de wetten van het lineaire centraalperspectief geschilderd, dat men er de hand van Brunelleschi achter vermoedt. Ook de opdrachtgevers “passen” in dit perspectief: zij zitten a.h.w. vóór de kapel. De figuren ogen écht, realistisch, maar staan toch nog vrij statisch in dit klassieke interieur.
Het fresco toont een unieke samensmelting van drie kunsten: architectuur, beeldhouwkunst en schilderkunst. Boven een geschilderde grafnis zien we een kapel, waarvoor het stichtersechtpaar Lenzi knielt. In de kapel staan Maria en Johannes ieder aan een kant van het kruis. Boven het hoofd van Christus zweeft de duif van de Heilige Geest. De grote gestalte van God de Vader houdt de gekruisigde van achteren vast. De nauwkeurige constructie van de perspectief door Masaccio geeft het fresco een zeldzaam realistische uitstraling. Masaccio creëerde op het platte vlak een illusie van een ruimte die daadwerkelijk in de wand geopend wordt met een nauwkeurigheid die tot in de details doorgevoerd is. Deze nauwkeurigheid illustreert de hypothetische reconstructie van een dwarsdoorsnede (naar Sanpaolesi). Een nauwkeurige berekening maakte het voor de schilder mogelijk alle personen overeenkomstig hun positie binnen de ruimtelijk geconcipieerde architectuur weer te geven.

Chiostri Monumentali
Links van de kerk bevindt zich de toegang tot de kloosters van S. Maria Novella (niet meer als zodanig in gebruik).

Men komt eerst in het Chiostro Verde (het groene klooster, A), gebouwd na 1350 en zo genoemd naar de fresco’s, op drie wanden geschilderd in zgn. terra verde (lett. groene aarde), waarbij alleen gebruik gemaakt werd van groene verfstoffen. Deze fresco’s — met oudtestamentische scènes — werden geschilderd door Paolo Uccello e.a. (ca. 1450). Zij zijn van de wand gehaald en gerestaureerd, en thans gedeeltelijk te zien in het refectorium en anti-refectorium (in de hoek schuin tegenover de ingang). Vanuit het anti-refectorium linksaf- gaand komt men in het Chiostro Grande, waarin thans de school voor carabinieri is gevestigd (alleen te bezichtigen met toestemming van de commandant).

Aan de noordzijde (tegenover de ingang) van het Chiostro Verde geeft een portaal toegang tot de Cappellone degli Spagnuoli, de Spaanse kapel (B). Dit is de oude kapittelzaal van de kerk, gebouwd door Jacopo Talenti (na 1350). Rond 1540 bestemde Eleonora van Toledo, echtgenote van hertog Cosimo I, deze ruimte voor de Spanjaarden uit haar gevolg. De kapel is versierd met fresco’s die tot voor kort geheel werden toegeschreven aan Andrea da Firenze (ca. 1355). Een groot gedeelte van deze fresco’s bleek echter bij recente restauraties uit de 19e eeuw te dateren. Het thema ‘de dominicaner orde en de door haar gewezen weg naar verlossing’ werd waarschijnlijk geïnspireerd door Jacopo Passavanti, prior van het klooster (1298?-1357) en schrijver van ‘Specchio della vera Penitenza’ (Spiegel der Ware Boetedoening). Tegenover de ingang zijn fresco’s van de kruisiging, de kruisdraging en Christus in het voorgeborchte. Links de triomf van Thomas van Aquino, rechts de ‘Chiesa Militante’ (missie, werk en triomf van de dominicaner orde).

De vijendertig fresco's met bustes van figuren uit het Oude Testament in de voorhal van het Refectorium (C) zijn van Andrea Orcagna en navolgers (ca. 1350).

Achter de kapel ligt het Chiostrino della Morte (E) met de grafkapel van de familie Strozzi, met fresco’s toegeschreven aan Andrea Orcagna.

Het plein waaraan de S. Maria Novella ligt wordt in het midden in beslag genomen door een plantsoen waarin twee marmeren obelisken, elk gedragen door vier schildpadden. Deze werden hier opgericht als eindpalen van de renbaan voor paard- en wagenrennen, die vanaf 1563 op dit plein werden gehouden. De Loggia di San Paolo aan de zuidzijde, tegenover de kerk, gewoonlijk gebruikt voor de geldhandel, deed dan dienst als tribune.

Het plein vóór de kerk is - op kosten van de gemeente en met platlegging van de bestaande woonwijk - aangelegd op de overgang van de 13de naar de 14de Eeuw, als een “voor-plein” voor de nieuwe kerk.
De meest opvallende zijde is de Zuid-kant, tegenover de kerk. De loggia, waarschijnlijk naar een plan van Michelozzo, dateert van halverwege de 15de Eeuw, en is het enige overblijfsel van de “Ospedale di San Paolo”. Tussen de 10 bogen zie je de zo typische geglazuurde terracotta-medaillons uit het atelier van de della Robbia’s: zij stellen o.a. heiligen voor en zijn van de hand van Andrea.

De obelisken op het plein, die steunen op bronzen schildpadden van Giambologna, getuigen van een andere (latere, meer barokke) smaak. Ze zijn hier in 1608 geplaatst als “keerpalen” bij de zgn. “Palio dei Cocchi”, die hier gehouden werd. De perkjes op het plein werden in 1933 aangelegd.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 421.