kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 11 11 2016 10:57 voor het laatst bewerkt.

schilderkunst

De schilderkunst is een soort beeldende kunst en omvat alle artistieke technieken waarbij kleuren op een ondergrond aangebracht worden om een beeld te creëren. Afhankelijk van de achtergrond maakt men een onderscheid tussen muurschilderkunst, glasschilderkunst, mozaïekschilderkunst, paneelschilderkunst, etc. Ook aan de hand van de kleuren kan men een indeling maken in bijvoorbeeld olie-, acryl-, aquarel- of temperaschilderkunst.
Maar uiteraard zijn het niet de materialen, maar de menselijke creativiteit die aan de basis ligt van de schilderkunst.

Er zijn heel wat mogelijke redenen om de schilderkunst als medium te gaan gebruiken. Zo kan het er de artiest om te doen zijn om de werkelijkheid met behulp van licht en kleur zo realistisch mogelijk voor te stellen (zie portretten en landschappen). Daarnaast zijn er ook diepere beweegredenen als artistieke expressie of het aanschouwelijk maken van religieuze thema's. Een andere mogelijkheid is dat het de artiest puur om het decoratieve te doen is. Het spreekt vanzelf dat een kunstenaar deze beweegredenen ook met elkaar kan combineren.

Als men het heel simplistisch stelt, kan men zeggen dat schilderkunst bestaat uit de componenten tekening en kleur. De tekening legt de contouren van het uitgebeelde vast. De kleur moet de voorstellingswereld van de artiest concretiseren en blaast het schilderij leven in.

De manier waarop schilderkunst benaderd wordt, is in de loop van de geschiedenis heel erg veranderd. Zo gebruikt men in de moderne schilderkunst vaak kleur zonder tekening. In de abstracte schilderkunst is dat bijvoorbeeld heel duidelijk het geval. Bij dergelijke schilderijen baseert de schilder zich niet langer op objecten, maar op gevoelens waaraan hij uitdrukking wil geven.

Of iets als schilderkunst kan bestempeld worden, is subjectief en hangt af van persoon tot persoon en van de op dat moment heersende modetrends. De technische virtuositeit van de schilder is eeuwenlang het doorslaggevende criterium geweest. Alles viel of stond bij de compositie en kleur van een bepaald werk. Als er dan toch een criterium moet zijn dat de tands des tijds kan doorstaan, dan is het wel dat er altijd overeenkomst moet zijn tussen inhoud en vorm, tussen geestige voorstelling en formele omzetting.

De typische individuele kenmerken die een kunstenaar maken tot wat hij is, vallen onder het begrip 'stijl.' Een kunstenaar kan zijn typische kenmerken proberen door te geven aan zijn studenten zodat vanuit een atelier een eigen stijl ontstaat, zoals bij Pieter Paul Rubens. Zo kunnen bepaalde stijlkenmerken een hele regio en zelfs een heel tijdperk domineren, zoals de barok in Holland.
Afhankelijk van het tijdperk, de kunstenaar en de voorkeur van de opdrachtgever (want 'vrije' kunst bestaat nog maar sinds vorige eeuw) heeft de schilderkunst altijd verschillende motieven en thema's voortgebracht. De opdrachtgevers uit de adel en de burgerij hadden allemaal wel hun eigen redenen. Een aantal genres zoals het portret, het stilleven, het historisch en het mythologische schilderij komen in alle tijdperken voor en worden telkens op een andere manier behandeld.

Zie ook het artikel tekenen met verwijzingen naar schilder- en tekencursussen.

Beknopte kunstgeschiedenis Schilderkunst
Beginperiode en oudheid
De rotsschilderijen in Lascaux (Frankrijk) en Altamira (Spanje) behoren tot de oudste vormen van schilderkunst. De rituele voorstellingen van dieren zijn ongeveer 15.000 jaar oud en moesten de jagers een rijke buit opleveren.
Egypte had de eerste hoogwaardige westerse cultuur die ook belangrijke schilderijen opleverde. Grafschilderijen sierden de graven van farao's en andere hooggeplaatste figuren en geven blijk van een diepgeworteld geloof in hethiernamaals (Voorbeeld: Op het graf van Pashed is te zien hoe een dode man knielt voor het graf van Osiris.)
Na de korte bloeiperiodes in Mesopotamië en Kreta, waarvan heel weinig bewaard gebleven is, wordt de Griekse cultuur steeds belangrijker. Alle grote Griekse schilderijen zijn vernietigd. Wat we vandaag weten over de Griekse schilderkunst komt van de afbeeldingen op de vazen. De kunstenaars uit het oude Griekenland hield zich vooral bezig met de afbeelding van het menselijk lichaam. iDe centrale theama's waren kracht, vitaliteit en de stroom des levens.
Naturalisme en viatliteit speelden ook een belangrijke rol in de romeinse-kunst. De grote muurschilderijen en mozaiëken probeerde men een zo hoog mogelijk realiteitsgehalte mee te geven door bijvoorbeeld aandacht te hebben voor dieptewerking en lichtinval.

Vroege christendom
De opmars van het christendom en de ondergang van het Romeinse Rijk had invloed op alle segmenten van het westerse leven en dus ook op de cultuur. De schilderkunst kreeg in tegenstelling tot de Griekse en de romeinse kunst een heel religieuze dimensie. Een schilderij moest de kerkelijke leer aanschouwelijk voorstellen en interpreteren. De thema's kregen vaak een heel symbolisch accent, waarbij niet meer de realiteit, maar de transcedente wereld verzinnebeeld werd.
In het eerste christelijke millenium speelden geïllustreerde -meestal kerkelijke- manuscripten een heel belangrijke rol. Hand in hand met de illustraties in die manuscripten kwam de schilderkunst tot bloei. In de 7de en de 8ste eeuw ontstonden in Ierland talrijke manuscripten met abstract-ornamentale patronen en gestileerde voorstellingen van dieren zoals in het Book of Kells (ca 760-820, Trinity College, Dublin). Ook ten tijde van de Karolingers ontstonden pareltjes van boekschilderijen. De mozaiëk, die al bekend was in de oudheid, beleefde in de vroege christelijke kunst een renaissance en werd gebruikt ter decoratie van heel wat kerken. Mozaiëken worden trouwens ook tot de schilderkunst gerekend. Een mooi voorbeeld daarvan vinden we in de San Marco in Venetië.

De Middeleeuwen
Gotiek en romantiek vormen de twee stijlperiodes van de Middeleeuwen.
De vroege romantiek betekent de definitieve breuk met de vroegchristelijke wereld van vormen en figuren. Ter verzinnebeelding van geloof en religie gaan beelden -nog altijd met de boekschilderkunst op kop- een steeds belangrijker rol spelen.De gotiek voert op het gebied van architectuur een aantal veranderingen door die ook hun weerslag hebbe op het gebruik van kleuren in de schilderkunst. De romaanse gebouwen waren vooral massief en lomp. In de gotiek wordt dat helemaal anders. Er wordt veel meer in de hoogte gebouwd als uitdrukking van een diepe hunkering naar het goddelijke rijk.
Grote muren worden vervangen door glasramen, het nieuwe domein voor de schilderkunst. De glasramen werden meestal getooid met scènes uit de heilsgeschiedenis of abstract-ornamentale dessins. De kleur en het licht van de glasramen maakten van de kerk een mythische ruimte. De vroegste gotische bouwwerken stammen uit Frankrijk, bijvoorbeel St.Denis (1137), Notre Dame in Parijs (1163) of de kathedraal van Chartres (1194).
Een andere ontwikkeling is die van het vleugelaltaar (vooral in Noord-Europa) De drie-of vijfvleugelige altaren werden versierd met houtsnijwerk en schilderijen.
De gotische schilderkunst stond aanvankelijk nog sterk onder de indruk van de ornamentale Byzantijnse kunst, maar daaraan kwam met de Italiaan Giotto di Bondone een abrupt einde. Hij schiep -met een vertraging van ongeveer een eeuw- een nieuwe stijl die verstrekkende gevolgen had voor de ontwikkeling van de kunstgeschiedenis.
Het schoolvoorbeeld hiervan is de fresocyclus met scènes uit het leven van Jezus in de Arena-kapel in Padua, ontstaan rond 1305. Giotto slaagde erin om schilderijen te maken met een gevoel voor realiteit dat onvermijdelijk doet terugdenken aan de oudheid. Hij slaagt erin door de figuren die hij schildert door hun mimiek en gebaren op een heel levensechte manier te brengen.
Na Giotto doet halverwege de 15de eeuw Jan van Eyck een frisse wind door de schilderkunst waaien. Als een van de eersten maakt hij portretten in de paneelschilderkunst, hanteert hij nieuwe artistieke technieken en gebruikt hij het luchtperspectief zodat er diepte in zijn schilderijen komt. Net zoals Giotto had van Eyck heel veel gevoel voor realiteit. Een mooi voorbeeld daarvan is het portret dat hij maakte van het huwelijkspaar Arnolfini (1434, National Gallery, London).

De Renaissance
Italië speelde ongetwijfeld de belangrijkste rol in de ontwikkeling van de renaissance. In het begin van de 15de eeuw duiken meer en meer werken op -zowel in de architectuur, de schilderkunst als de beeldhouwkunst- die zich spiegelen aan de idealen van de oudheid. De renaissance bleef tot ver in de 16de eeuw de centrale stijl, al wordt er wel een onderscheid gemaakt tussen de vroege renaissance, de hoogrenaissance en de late renaissance (of manierisme).
In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, ging het de kunstenaars uit de Renaissance niet zomaar om een nabootsing van de antieke kunst, maar om een herbeleving van de klassieke geest en de antieke ideologie. Centraal stonden de constante zoektocht naar de wetten van de harmonie en de proportie en de benadering van een nieuw mensbeeld. De mens werd meer en meer beschouwd als een individu met verantwoordelijkheidsgevoel en ontplooiingsmogelijkheden.
In de Renaissance probeerde men ook -door wetenschappelijk onderzoek- zo veel mogelijk de wereld te doorgronden. De kunst kwam plotseling op het zelfde niveau te staan als de wetenschap. Een kunstfenomeen als Leonardo da Vinci is een schoolvoorbeeld van het soort universale genieën die deze tijd voortbracht: de in alles geïnteresseerde en goed geschoolde mens die zowel kunstenaar als wetenschapper als uitvinder is ( Zie Leonardo's studie van het menselijke lichaam.)
Maar eigenlijk begon de wiskundig-constructieve verklaring van de wereld al een eeuw eerder met kunstenaars als Masaccio, Piero della Francesca of Paolo Uccello; allemaal meesters waarvan hun werken gebaseerd zijn op het centraal-perspectief. De voorstelling van mensen en natuurfenomenen was gebaseerd op observatie.
Naast Leonardo was vooral Raffaël een belangrijke kunstenaar uit deze tijd. Raffaël voerde het realisme binnen in een harmonische, rustige verschijningswereld. Zijn werken getuigen van heel uitgebalanceerde composities, een uitgebreid kleurenpalet en een hechte band tussen figuur en natuur. Schoolvoorbeelden hiervan zijn de talrijke madonnavoorstellingen die Raffaël tijdens zijn leven gemaakt heeft en die latere schildersgeneraties beïnvloed hebben.
De derde belangrijke schilder uit de 16de eeuw was Michelangelo. Zijn hoofdwerken in de Sixtijnse kapel in Rome (bijvoorbeeld: Michelangelo, De zondenval) zijn door een andere geest bezield als de op harmonie en schoonheid gebaseerde composities van Raphaël. Michelangelo had heel veel aandacht voor emoties, bewegingen en details. De dynamiek en de pathos in zijn werk leiden direct naar het maniërisme en naar de barok.
Naast Rome en Florence was vooral Venetië een belangrijk artistiek centrum in de 16de eeuw. Schilders als Giovanni bellini, Tintoretto en Paolo Veronese speelden hier een grote rol. Maar de belangrijkste figuur was hier ongetwijfeld Titiaan die als kunstenaar voor heel wat grote koningshuizen opdrachten uitvoerde (bijvoorbeeld zijn 'Portret van een jonge vrouw.')
De belangrijkste vernieuwer in de Europese schilderkunst was Albrecht Durer. Twee reizen naar Italië, waarbij hij ook Venetië bezocht, hebben hem heel sterk beïnvloed. Hij slaagde er als geen ander in de invloeden van de Renaissance te combineren met de schildertraditie van Noord-Europa. Zijn werk was een voorbeeld voor heel wat generaties schilders. Hij was een van de eersten die er in een portret in slaagde om het zelfbewustzijn van de kunstenaar tot uitdrukking te brengen. (Zie: Albrecht Dürers zelfportret uit 1501).

De barok
De barok ontstond in Italië in de 16de eeuw en vond al snel verspreiding in de rest van Europa (waar het overal een eigen, regionale interpretatie krijgt). Het blijft twee eeuwen lang de dominante kunststroming. Naast de vroege barok en de hoogbarok was er ook nog het rococo dat toch tot ver in de 18de eeuw stand hield.
In de barok gaat het in de eerste plaats om de uitbeelding van de kerkelijke en de wereldrijke macht. De kerk (die terug belangrijker geworden was) en het absolutisme gebruikten de kunst om hun machtspositie te onderstrepen. Aan de ene kant probeerde men om de realiteit zo krachtig en zo dynamisch mogelijk voor te stellen, aan de andere kant werd er meer aandacht besteed aan illusies en -soms extatische- emoties.
Michelangelo da Caravaggio is een van de centrale figuren van de vroege barok. Zijn realiteitsgetrouwe composities bevatten vooral religieuze thema's ( voorbeeld: De heilige Katharina, 1597). Het licht speelde hierbij een belangrijke rol. Het contrast tussen duisternis en licht werd in de barok om de haverklap gebruikt om te insceneren en te dramatiseren. Ook in de landschapsschilderijen van Claude Lorrain speelde het licht een belangrijke rol.
Als geen ander had Rembrandt begrepen hoe hij het licht als compositorisch element kon gebruiken. Op een heel virtuoze manier bracht hij het clair-obscur naar een climax. Dankzij het spel van licht en duisternis kon hij zijn werken een heel psychologische inslag meegeven (voorbeeld: De nachtwacht).
Pieter Paul Rubens en Johannes (Jan) Vermeer zijn nog twee belangrijke figuren uit de barokschilderkunst (al waren het binnen die stijlichting echte tegenpolen). Rubens, die zich vooral bezig hield met religieuze voorstellingen, is het summum van barokke schilderkunst. Zijn composities worden gekenmerkt door kronkelende, vitale lichamen die allemaal in een soort van religieuze extase verkeren. Rubens werken lijken nog het meest op een wervelende theaterscène.
Vermeer, met zijn stille genrescènes, vormt het andere uiterste. Vermeer laat de toeschouwers op een rustige manier meeleven met de private scènes. Het zijn geen handelingen of gebeurtenissen die centraal staan, maar korte, sfeervolle momentopnames (voorbeeld: De liefdesbrief).

De schilderkunst in de 19de eeuw
De barok was de laatste overkoepelende kunstperiode die van Madrid tot Warschau en ven Antwerpen tot Rome de kunst bepaalde. Met de Franse Revolutie viel de eenheid van deze kunststijl uit elkaar. In plaats daarvan ontstonden een aantal aparte kunststijlen, die vaak kortstondig en regionaal waren.
Toch hadden kortere periodes als het classicisme in Frankrijk of de romantiek in Duitsland een belangrijke invloed op de schilderkunst. Jacques-Louis David verklaarde met zijn 'De eed van de Horatiërs (1785) de oorlog aan het rococo: De figuren zijn krachtig in beeld gezet, de kleuren sterk en scherp. Thematisch is dit werk nauw verbonden met de historische gebeurtenissen in de revolutieperiode. David roept daarmee een soort ideologisch-politieke kunst in het leven.
30 jaar later gooide de romatiek het over een heel andere boeg. Voor de romantici stond de zoektocht naar 'het innere zelf' in het middenpunt van de belangstelling. De kunstenaar probeert om in zijn werk in de verloren geachte eenheid van mens en natuur als uitdrukking van een diepgewortelde godsdienstigheid terug te vinden. Een centrale figuur in deze beweging was de Duitse schilder Caspar David Friedrich die er als geen ander in slaagde om uit te beelden hoe het individu de alles overheersende natuur ervaart.

Het impressionisme
In het midden van de 19de eeuw gingen schilders als Jean François Millet en Camille Corot zich toespitsen op de realistische voorstelling van mens en natuur. Het schilderen in open lucht kwam weer in de mode. Millet bijvooorbeeld, schilderde werkende mensen op een heel realistische manier (zonder pathos!).
In de jaren 1870 stond een kunstrichting op die aanvankelijk door de critici verguisd werd, maar die later een ongelofelijke invloed zou hebben op het verloop van schilderkunst: het impressionisme. In 1874 kwam het voor de eerste keer tot een gezamenlijke tentoonstelling van deze nieuwe generatie schilders. Ze hielden zich bezig met het afbeelden van de natuur en het alledaagse leven, maar met één groot verschil t.o.v. hun voorgangers: de impressionisten interesseerden zich niet in de dingen 'an sich', maar in hoe het oog iets op een bepaald moment en in bepaalde omstandigheden waarneemt. Schilders als Claude Monet, Pierre-Auguste Renoir, Camille Pissarro en Edgar Degas gebruikten zuivere kleuren die ze met snelle en levendige penseelstreekjes aan het doek toevertrouwden. Hun doel was om een momentopname te maken.
Een aantal schilders ging verder op de door de impressionisten ingeslagen weg en kreeg zo een sleutelpositie in de moderne schilderkunst van de 20ste eeuw.
Georges Seurat en de groep van de pointillisten en Paul Cézanne hielden zich niet langer bezig met een realiteitsgetrouwe weergave. Ze observeerden de natuur en schiepen een beeldenwereld die beantwoordde aan hun eigen wetten.
Dit streven naar een 'harmonie parallel met de natuur' (Paul Cézanne) zette het licht op groen voor een aantal nieuwe stromingen als het kubisme en het constructivisme.
Maar schilders als Vincent van Gogh en Paul Gauguin pakten het anders aan. Gespletenheid, geluk of treurigheid waren heel duidelijk aanwezig in hun werken. Men laat de precieze afbeelding van de natuur voor wat ze is ten voordele van een expressieve vorm -en kleurenkeuze. De schilderkunst was de ultieme uitlaatklep voor de zielenroerselen. (Zie bijvoorbeeld: Vincent van Ggogh, De sterrennacht uit 1889, The Museum of Modern Art, New York; Paul Gauguin, Fatata te miti, 1892, National Gallery of Art, Washington).

De schilderkunst in de 20ste eeuw
In de eerste helft van deze eeuw ontstonden een ganse reeks nieuwe en kortstondige kunststromingen die allemaal gebaseerd waren op een nieuwe perceptie van de verhouding tussen realitiet, kunstenaar en toeschouwer. 20ste-eeuwse stijlen als het expressionisme, het fauvisme, het kubisme, de abstracte-kunst en het surrealisme hebben de schilderkunst op zijn grondvesten doen daveren. De functie van de schilderkunst was totaal veranderd: nieuwe thema's, nieuwe esthetiek en nieuwe schildertechnieken kwamen als een reactie op de steeds snelle veranderende moderne wereld (voorbeeld: Pablo Picasso's 'Les Demoiselles d'Avignon' uit 1907).

De Tweede Wereldoorlog liet ook op de schilderkunst zijn sporen na. De wereld was verdeeld in 2 machtsblokken en 2 politische ideologieën. In het oosten domineerde het socialistische realisme dat volledig naar de pijpen danste van de communistische bevelhebbers. In het westen probeerde men de abstractie als nieuwe wereldtaal voor de schilderkunst te introduceren. In het Europa van de jaren '50 was abstracte-kunst dominant. In Amerika wordt de schilderkunst rond deze tijd bepaald door het abstracte expressionisme van ene Willem de Kooning. Het was ook de tijd van de monochrome schilderkunst, waarbij figuren gereduceerd waren tot een verflaag op het doek.
Kunstenaars als Andy Warhol en Robert Rauschenberg brachten weer realiteit in de schilderkunst in de vorm van beelden uit de consumptiemaatschappij en de media. Die 'Poptical-art' speelt tot op vandaag een belangrijke rol in de schilderkunst (Voorbeeld: Andy Warhol, Marilyn x 100, 1962).
In de jaren vijftig doken stromingen op die zich gingen specialiseren in de daad van het schilderen: het 'action-painting.' Begin jaren '80 waren er hier en daar enkele groepen schilders - zoals de Transavanguardia in Italië- die terugvielen op de expressionistische schilderkunst.
De ontwikkeling van nieuwe technologieën en de opmars van de computer zetten het licht op groen voor nieuwe artistieke mogelijkheden. Grafische progamma's, die alle elementen van de schilderkunst (licht, kleur, doek) perfect kunnen nabootsen, bieden heel veel mogelijkheden, bijvoorbeeld in combinatie met de fotografie. De grens tussen fictie en realiteit werd in de schilderkunst van de jaren '90 een heet hangijzer.

Zie ook het artikel kunststromingen.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 55.