kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 10-10-2008 voor het laatst bewerkt.

Sigmar Polke

Duitse kunstenaar, geboren 23.02.1941 te Oels, Neder-Silezië, woont en werkt in Keulen.

Biografie
Sigmar Polke groeit op in Oost-Duitsland, in 1953 verhuist de familie naar West-Berlijn en vervolgens naar Düsseldorf, waar Polke van 1959-60 leerling glasschilder is bij Kaiserwerth in Düsseldorf.

Bunnies, 1966

Van 1961 tot tot 1967 studeert hij aan de Kunstacademie in Düsseldorf bij Götz, Hoehme en Beuys.

Samen met Gerhard Richter en Konrad Lueg initieerde Polke begin jaren zestig, het zogenaamde Kapitalitisches Realismus; een spottend commentaar op het socialistisch-realisme als officiële communistische kunstvorm. Maar deze kunstenaars namen eveneens de westerse consumptiecultuur op de hak op een manier die verwant was aan de Amerikaanse Pop Art.

Vanaf 1965 maakt Polke een gedetailleerde studie van de historische en eigentijdse meesterwerken. Hij creëert variaties op schilderijen van Dürer en Kandinsky, imitaties van werken uit de Arte Povera en de conceptuele kunst.

Sigmar Polke was 27 toen hij met een aantal werken de opvattingen omtrent moderne kunst parodieerde. Zo maakte hij 'Hogere wezen bevalen: schilder de rechter bovenhoek zwart!', 'Dat hebben we zo nog nooit gedaan' en 'Moderne Kunst'. In zijn werk is humor, bravoure en virtuositeit van groot belang. Niets is hem vreemd: hij is afwisselend Fluxus, Pop Art, Fundamenteel of Abstract-Expressionistisch.
Polke heeft geen stijl, maar hanteert vele stijlen tegelijkertijd, hij is niet Duits maar Duits, Frans en Engels tegelijkertijd en veroorlooft zich misschien meer dan de moderne kunst ooit toelaatbaar achtte. Zo gebruikte hij giftige verf die naar gelang de luchtvochtigheid en de temperatuur van kleur verandert.

In de jaren '70 onderzoekt Polke het verband tussen fotografie en schilderen. Ook is hij in 1970/71 en in 1977 gastdocent aan de kunstacademie van Hamburg.

Hij neemt deel aan de Documenta 5 in 1972 en Documenta 7 in 1982.

In 1974 reist Polke naar Pakistan en Afghanistan en gebruikt de foto's van zijn reis als basis voor een aantal gemanipuleerde fotografische en geschilderde werken. In deze werken onderzoekt hij vragen als authenticiteit, reproductie, imitatie en auteurschap.

Polke begon ook grote gebarende schilderijen te maken, die figuratieve en abstracte beelden combineerden.

Zonder titel (Dr. Bonn), 1978

In 1978 verhuist hij naar Keulen. Polke begint stripverhalen en in de jaren '80 ook politieke thema's in zijn werk te behandelen.

In de jaren 1980 experimenteert Polke met materialen en chemicaliën, waarbij hij traditionele pigmenten vermengt met oplosmiddelen, vernissen, vergiften en harsen om een spontane chemische reactie te produceren.
Behalve een vrij (her)gebruik van allerlei afbeeldingen is ook Polkes experimentele materiaalgebruik opvallend. Hij onderzoekt de effecten van verschillende verfsoorten, kleurstoffen en schildertechnieken. Het is alsof de kunstenaar zijn materialen in een geheim recept wil laten vervloeien om tot een alchemistische 'veredeling' te komen.
Volgens de leer van de alchemie symboliseren de afzonderlijke kleuren ook de verschillende stadia van vervolmaking van mens en natuur. Met zijn werk portretteert Polke niet zozeer de persoon van de mythische alchemist en filosoof, maar maakt hij de (artistieke) creatie zelf tot onderwerp: de scheppingsdrift die altijd in wording is. Uiteindelijk maakt alleen de kunstenaar 'goud uit lood'.

Uit deze experimenten kwamen uitgewerkte abstracte schilderijen voort, die reflecteren op de concepten van originaliteit en auteurschap welke de modernistische traditie ondersteunen en in het bijzonder de mystiek van het Amerikaanse Abstract Expressionisme.

In 1982 ontvangt Polke de Will-Grohman prijs, in 1984 de Kurt-Schwitters prijs en in 1986 de eerste prijs voor schilderkunst op de Biënnale van Venetië. In 1987 de Lichtwark-Preis in Hamburg en in 1988 de Landespreis van Baden Württemberg.

In 1989 krijgt hij een leerstoel aan kunstacademie van Hamburg.

In 1991 maakt hij zijn reeks Neue Bilder.

Polke heeft een aantal werken gemaakt, die beschreven zijn als 'allegorische historische schilderijen'. Deze groepen werken beantwoorden vaak aan het gebied waarin ze worden tentoongesteld, lokale referenties vermengt met bredere reflecties op politiek, cultuur en het maken van beelden.

Polke blijft experimenteren met nieuwe stijlen en technieken, waarbij hij rijk zinspelende werken creëert, welke de praktijk van het schilderen opnieuw uitvinden.
Hij geeft keer op keer een ironisch commentaar op de effecten van de manipulatie door de massamedia.

In 2007 wint Sigmar Polke de vijfjaarlijkse Rubensprijs van de stad Siegen. Siegfried Gohr van de Kunstacademie van Düsseldorf bestempelde Polke als een "kunstenaar van het evenwicht", wiens schilderijen een "ongedwongen" indruk geven.
Polke wordt gelauwerd als "uitmuntende hedendaagse schilder". Hij werd door de jury omschreven als "onvermoeibaar experimentator in wiens werk planning, intuïtie en toeval elkaar steeds weer terugvinden". Polke is de elfde drager van de eretitel sedert die in 1957 voor het eerst werd uitgereikt.

websites: olieverf en lak op doek, 200x140, privé-verzameling
. Bunnies, 1966, olieverf op doek, 150x100, Washington, Hirshhorn Museum and Sculpture Garden
. De raaf, 1966, verfverstuiving op textile, 190x200, Bad Münstereifel, Galerie Klein

. Höhere Wesen befahlen: rechte obere Ecke schwarz malen! (Hogere wezens bevalen: schilder de rechterbovenhoek zwart), 1969, Lakverf op doek, 150x126, Stuttgart, verz. Joseph Fröhlich
Een overduidelijke kritiek op de mystificering rond de abstracte kunst. Dit werk behoort tot de conceptuele kunst.

. Kamp, 1982, dispersie en verspreide pigmenten op decoratiestof en wollen deken, 450x250, privé-collectie
. Alice in Wonderland, 1983, gemengde techniek op decoratiestof, 320x260, Bonn, Galerie Erhard Klein
. De computer komt, 1983, gemengde techniek met mangaan op decoratiestof, 240x320, Bonn, Galerie Erhard Klein


Hij was begin jaren zestig met Gerhard Richter en Konrad Fischer Lueg de oprichter van het Kapitalistisch Realisme, een organisatie die in anti-stijl-demonstraties ageerde tegen de doctrinaire en onbegrijpelijke stijlvormen in de hedendaagse kunst. Polke begon parallel aan deze acties een eigen versie van popart te ontwikkelen. Hij maakte schilderijen met grote banale motieven als snoepjes, alsmede gelaagde schilderijen met een of meer gezeefdrukte en/of nageschilderde illustraties uit kranten en tijdschriften. Vaak drukte of schilderde hij laatstgenoemde voorstellingen af op met bloemetjes of poppetjes voorbedrukte stof, waarna hij vervolgens nog eens over het geheel heen schilderde. De zo ontstane verwarrende opeenstapeling van motieven en stijlvormen kan gezien worden als commentaar op de kunst en de mediacultuur, maar evenzeer toont Polke hier zijn interesse in droombeelden en surreële of geestverruimende beeldprocessen. In enkele van deze werken zinspeelt hij op de droom, drugs, spiritisme en alchemie.

In de jaren tachtig heeft Polke deze zaken ook op andere wijze onder de aandacht gebracht. In grote abstracte schilderijen werkt hij met felgekleurde, soms giftige, verfsoorten, die zijn samengesteld volgens oude alchemistische handboeken. De onderlinge chemische reacties van de verfsoorten veroorzaken in de beelden onbeheersbare veranderingen die soms tot in de expositiezaal kunnen voortduren. In grote schilderijen werkt hij met felgekleurde, soms giftige verfsoorten die zijn samengesteld volgens oude alchemistische handboeken. In dergelijke schilderijen worden abstracte kleurvlekken veelal gecombineerd met decoratieve patronen en bestaande beeldfragmenten die o.m. zijn ontleen aan de fotografie, cartoons of 19de-eeuwse gravures. De onderlinge chemische reacties van de verfsoorten veroorzaken in de werken onbeheersbare veranderingen die het uiterlijk ingrijpend veranderen. Ze kunnen zelfs zo heftig zijn dat de schilderijen op den duur zichzelf vernietigen. In 1994 ontving hij de Erasmusprijs. (Encarta 2001)

1961-67 studie aan de Staatliche Kunstakademie Düsseldorf bij K.O. Götz en Gerhard Hoehme.

1970-71 gastdocent aan de Hochschule für bildende Künste Hamburg.

1977 docent aan de Hochschule für Bildende Künste Hamburg.

1982 Will-Grohmann-prijs.

1984 Kurt-Schwitters-prijs, Hannover.

1985 Lichtwark-prijs, Hamburg.

1986 Kunstprijs 'Gouden Leeuw' van de Biënnale Venetië.

Zijn werk werd aanvankelijk moeilijk aanvaard in de V.S. Men dacht er zelfs enige tijd verwantschapsrelaties te ontdekken van zijn werk met Pattern&Decoration. En dat alleen omdat Polke, een onvermoeibaar experimenteerder, zo nu en dan ook bedrukte stoffen uit de fabriek in zijn schilderijen verwerkte. Richter en Polke worden vaak in één adem genoemd, en niet helemaal ten onrechte. Ze hebben een paar jaar dezelfde doelen nagestreefd, samen vele artistieke projecten gelanceerd, en ook hun esthetisch credo is niet helemaal onverenigbaar. In de altijd virtuoos geschilderde werken van Polke, in zijn foto- en filmopnamen en in enkele sculpturen en environments vermengen zich de exponenten uit verschillende beeldende werelden: de artistieke en de triviale exponenten, de handmatig en de fabrieksmatig vervaardigde. Ook zien we invloeden van het artistieke erfgoed van de Rijnlandse dadabeweging, een vleug surrealistische speculatie, een brandende nieuwsgierigheid en een groot, niet van risico’s ontbloot genoegen in experimenteren. Hoewel zijn artistiek denken een ander perspectief te zien geeft en zich ook anders uit, is Polke universeler dan Beuys. "Polke is universeel: revolutionair, fijngevoelig en barmhartig, visionair en zeer menselijk. Hij schildert voor musea en galeries en tegelijk veracht hij musea en galeries, hij schildert religieuze voorstellingen en droombeelden uit de zwarte magie met dezelfde uitdrukkingskracht. Zeer on-Duits zijn zijn recalcitrantie en zijn hartstocht; hij brengt - zoals alle grote genieën - allesomvattende ervaringen samen: de elegantie van Engelse portretschilders, de heldere kleuren, de gratie en de genreschilderkunst van de Venetianen, het stevige en volkse van de Vlamingen, het mysterieuze en verrassende van bedrukte stoffen uit het Verre Oosten".

Polke beschouwt net als Beuys zijn houding in het dagelijks leven als een onlosmakelijk deel van zijn algehele artistieke strategie, maar zijn verhouding tot die realiteit wordt i.t.t. Beuys door ironie gefilterd. Polkes roekeloosheid als van een koorddanser, zijn vermeende gebrek aan ernst, zaken die soms zijn schilderijen uit de jaren ‘60 en ‘70 lijken uit te stralen, zijn slechts symptomen van een als pijnlijk ervaren vervreemding van de werkelijkheid. Als ironicus ervaart Polke zijn werkelijkheid als onwerkelijk, als grotesk en ongerijmd, als leugenachtig en uitermate hypocriet, als zeer tegenstrijdig zonder dat ze zich daarvan bewust is. Aan de andere kant is de ironicus Polke ook in een eigenaardige medeplichtigheid met de werkelijkheid verweven. Zijn positie krijgt immers alleen gewicht door de voortdurende wisselwerking met deze werkelijkheid en geenszins door het feit dat hij haar ontkent of in een sussende droomwerkelijkheid vlucht.

Polkes werken uit de jaren ‘80 confronteren het publiek met een kosmos van nooit eerder vertoonde kleuren, glinsterend en gevaarlijk als de olievlekken op de wereldzeeën. Ze veranderen onder invloed van het licht of de atmosfeer volkomen en verdwijnen soms zelfs. Ongelooflijk zijn de effecten van zijn allergrootste schilderijen, waar men induikt en zich helemaal in verliest. Kijken naar een dergelijk schilderij wordt een avontuur waar de schilder zich bij het maken van zijn werk in heeft gestort en dat op de toeschouwer wordt overgedragen. Een kunst van voortdurende verandering. Niets staat vast, alles vervloeit en sluit zich aaneen, er zijn slechts weinig vaste omtrekken, ondersteunende lijnen, houvast biedende contouren. Men betreedt een beeldwereld zonder wegwijzers. Een werkelijkheid die zich in het zien en het ervaren openbaart als een droom, vloeiend en ongrijpbaar; allemaal verschijnselen, zonder enige illusionistische truc. Een wereld waarin het mooie en het verschrikkelijke, het goede en het slechte met elkaar zijn versmolten.

Polke is een van de sleutelfiguren in de hedendaagse kunst. Zijn kunst en zijn kunstopvatting, die ook in zijn uiterlijk tot uitdrukking kwam, tot de kunstenaar zich niet meer voor zijn aanhang kon verschuilen, hebben hem daartoe voorbestemd. De superieure manier waarop hij alle mogelijkheden van de beeldende kunst uitbuit, de ‘hogere’ en de ‘lagere’, de technologische en de ambachtelijke, de combinatie van zijn onuitputtelijke inventiviteit en de ironische afstand die hij bewaart, verbonden met een onverholen subjectiviteit, hebben hem tot een van de belangrijkste stuwende krachten van de post-avantgardistische kunst van de jaren ‘80 gemaakt. Achim Duchow, Dahn, Julian Schnabel en David Salle behoorden tot zijn werkkring in Willich. (hed kun 74-80)

Polke zocht een uitweg uit de al te voor de hand liggende popartmotieven en het arsenaal van industrieel geprefabriceerde technieken. Net als Lichtenstein en John vóór hem vond ook hij in de afwijzing van de abstractie de stimulans voor een nieuw realisme - dit nieuwe realisme bestond voornamelijk uit beelden die zich langzaam uit een puntraster lijken los te maken. (Leinz 181)


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 1532.