kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 08-02-2009 voor het laatst bewerkt.

Spaanse-Kunst

Spaanse Kunst

Altamira
Tot de oudste bewaard gebleven kunstuitingen op het Spaanse grondgebied behoren de beschilderingen in De Cuevas de Altamira (de Grotten van Altamira) (Cantabria, Noord-Spanje) uit ca 13.000 vC Torens, altaren en grafkamers uit de bronstijd zijn bewaard gebleven in Menorca, en op andere plaatsen in Castillia. Langs de oostkust zijn de eerste voorbeelden van Iberische kunst uit de IJzertijd gevonden (Toros de Guisando, Dama de Elche).

De Feniciërs
Vanaf de 11e eeuw vC stichtten de Feniciërs nederzettingen langs de Spaanse Middellandse-Zeekust en lieten sporen van hun cultuur achter aan de Andalusische kust (Adra, Cadiz), aan de oostkust (Cartagena) en op Ibiza.

De Grieken stichtten in de 7e eeuw vC hun kolonies langs de oostkust (Ampuries, Roses), maar de Romeinse verovering van het Schiereiland in 218 vC betekende de intocht van een krachtige en machtige beschaving.

Romeinse kunst
De romanisering was zo diepgaand dat ook Spanje keizers, intellectuelen en militairen zou leveren, terwijl het land grote infrastructuren erfde (geplaveide wegen, mijnen, steengroeven, aquaducten, bruggen). In talrijke steden (Tarragona, Barcelona, Mérida) en ruïnes van veel andere plaatsen (Cuenca, Soria, Sevilla en Malaga) is deze erfenis nog bewaard gebleven: aquaducten (te Segovia en Tarragona), bruggen (Salamanca, Mérida, Alcántara), theaters (Mérida, Sagunto, Santiponce), tempels (Tarragona, Mérida) en natuurlijk allerlei andere kunstuitingen en gebruiksvoorwerpen. De musea van Mérida en Tarragona zijn fundamenteel vanwege hun uitgebreide collecties.

Visigoten
Na de Romeinen kwamen in de 5e eeuw de Westgoten, wier kunst zowel Noordafrikaans als Byzantijns beïnvloed was. Zij leverden op hun beurt een bijdrage aan de Spaanse rijkdom: de visigotische cultuur, gevestigd in Toledo, vormde het belangrijkste verbreidingspunt.

De Middeleeuwen
Een smeltkroes van culturen. De komst van de Arabieren in het jaar 711 en hun voortdurende aanwezigheid in de acht daarop volgende eeuwen, heeft een sprankelende beschaving tot leven gebracht die een formidabele brug vormde tussen Oost en West. De invloed van de Islam was zo diepgaand dat zelfs de christelijke stijl hiervan doordrenkt geraakte.
Er kwamen twee eigen stijlen: de mozarabische stijl vertegenwoordigde de christelijke minderheden, en de mudejarstijl de Arabische minderheden.
De kunstuitingen van de joodse gemeenschap vormden de derde cultuur in de smeltkroes van het Spaanse land gedurende verscheidene eeuwen.
De jodenwijken, rituele badplaatsen en synagogen (Transito en Santa Maria la Blanca in Toledo, die van Córdoba) zijn hier uitgesproken voorbeelden van.

Moorse kunst
Na de inval van de Moren (711) en de stichting van het kalifaat van Córdoba (756) kende men in Spanje naast elkaar een christelijke en een Arabische kunstvorm, die elkaar wederzijds hebben beïnvloed en vrij geïsoleerd stonden van de ontwikkelingen elders in Europa.
De Arabieren wisten de christelijke, hellenistische en Perzische elementen samen te voegen tot een eigen hoogstaande islamitische cultuur. Deze Moorse ( Arabische ) cultuur kenmerkte zich door prachtige versieringen in de moskeeën. De Moorse invloed bleef ook bestaan toen de Romaanse kunst en later de gotiek opkwamen. De zogenaamde Mudéjarstijl kenmerkte zich door een mengeling van de vele bouwstijlen. Er werd baksteen gebruikt, geglazuurde tegels en ingewikkelde geometrische motieven.

In Zuid-Spanje bleef de Moorse stijl tot in de 15e eeuw toonaangevend, zoals in het Alcázar van Sevilla, een burcht waarvan de bouw in de tweede helft van de 14e eeuw begon. Het Alhambra (Granada) stamt uit de 13e en 14e eeuw.

De islamitische kunst zou in de Xe eeuw, tijdens de Kaliefperiode, tot de grootste bloei komen. De moskee van Córdoba en de dichtbij gelegen paleisstad Medina Azahara zijn de beste voorbeelden van deze kunst. Uit de Taifa periode (Xle eeuw) stammen de citadel van Malaga en de Aljaferia van Zaragoza. Uit de daarna volgende Almohadenperiode dateren de Giralda en Torre del Oro in Sevilla.
De Nazarikunst, in het kleine koninkrijk Granada, zou in de XlVe en XVe eeuw prachtige voorbeelden leveren van de toen heersende ornamentele smaak, met als onbetwist hoogtepunt het geheel aan bouwwerken dat het Alhambra van Granada vormt en de bijbehorende tuinen van de Generalife.

Romaanse kunst
De christelijke cultuur zou het ontstaan van de Romaanse kunst inluiden. Hij zou leiden tot de latere ontwikkeling door byzantijnse (Zamora) en Franse invloeden (Catalunya).
In de twaalfde eeuw riep Sancho II van Navarra de monniken van Cluny te hulp. Zij moesten het verzet van de Spaanse christenen tegen de Moren helpen organiseren. Het waren deze Franse geestelijken die de Romaanse architectuur naar het schiereiland brachten. Vooral in Asturië en Galicië verrezen indrukwekkende Romaanse kloosters en kerken.

Kastelen en kloosters kleuren een periode die in de tijd van de kathedralen zijn esthetisch hoogtepunt zou bereiken. In de Romaanse tijd was de pelgrimsroute naar Santiago de Compostela van vitaal belang. Er werden veel kerken gebouwd (San Martin de Frómista, San Isidoro de León, kathedraal van Santiago). De kathedraal in Santiago zelf vormt het hoogtepunt van de Romaanse bouw- en beeldhouwkunst in Spanje. De sculptuur van het portaal is duidelijk Zuidfrans beïnvloed.

De bouwkunst uit deze periode van de Spaanse cultuurhistorie kenmerkt zich door uniformiteit. Van de meeste middeleeuwse kerken en kathedralen werden delen van het schip afgescheiden door de pilaren om en om te accentueren. Daardoor traden ze afwisselend op de voorgrond. Later kregen de traveeën (gewelfvlakken) elk een eigen kruisgewelf. De ronde bogen brachten wat meer geborgenheid in het vaak weinig aansprekende interieur van de kerken in die tijd. In Catalonië, dat altijd een sterke band met Italië heeft gehad, zijn in de façades van de Romaanse kerken Lombardistische bogenreeksen terug te vinden.

De schilderkunst, zowel in fresco als op paneel, bloeide in Catalonië; de strakke stijl ontleende zijn vormentaal aan de Byzantijnse kunst.

De Gotiek
Vanaf de dertiende eeuw nam met de komst van de monniken van Citeaux de Franse invloed in Spanje toe - en daarmee kwam de gotiek op het Iberisch Schiereiland tot ontwikkeling. Vanuit Frankrijk werd in het noorden de gotiek verbreid, waarvan in de religieuze bouwwerken van Burgos, Toledo, León, Palma en Girona de meest betekenisvolle voorbeelden zijn weer te vinden.

De gotiek onderscheidt zich door een geraffineerde vlakvorming en accentuering die je verkrijgt door een aaneenschakeling van profielen, bogen en ribconstructies. Typisch gotische scheppingen zijn onder andere de kloosters van Poblet en Santes Creus in Catalonië. Dat geldt ook voor de abdijen van Veruela en Piedra in de provincie Zaragoza en die van Fitero in het uiterste zuiden van de provincie Pamplona. Ook de kathedraal van Tarragona is uitgesproken gotisch van karakter.

Het beroemde vrouwenklooster van Las Huelgas, dat in de omgeving van Burgos ligt, gold in de twaalfde en dertiende eeuw als de machtigste abdij op het Iberische schiereiland. Nu is het een van de mooiste gotische monumenten van de cisterciënzerorde in Spanje.
De kathedraal van Toledo, waaraan in 1227 werd begonnen, komt sterk overeen met die van Bourges in Frankrijk. Een ander voorbeeld van Frans-Spaanse gotiek is de kathedraal van de Noord-Spaanse stad Burgos. De eerste bouwmeester was een Fransman. Hoewel er tot ver in de zestiende eeuw aan deze kathedraal is gebouwd, is de authentieke stijl bewaard gebleven. Dat geldt niet voor de van oorsprong gotische kathedraal van Sevilla, die nu een bonte chaos aan bouwstijlen laat zien.

Terwijl de gotische beeldhouwkunst geheel onder invloed van Frankrijk en Duitsland stond, werd de schilderkunst beïnvloed door Toscane en de Nederlanden.

Kenmerkend voor de Spaanse architectuur in de overgang van late gotiek naar Renaissance is de door ornamentiek overwoekerde platereske stijl. Bij het begin van de XVe eeuw heeft de met ornamenten overladen gotische stijlvariant belangrijke bouwwerken opgeleverd zoals bijvoorbeeld de kathedraal van Sevilla, de Hospitales Reales van Santiago, Granada en Toledo, het klooster van San Juan de los Reyes (Toledo) en het Palacio del Infantado (Guadalajara).

Spaans glas
Sinds de Romeinse tijd werd in Spanje glas met een islamitische inslag geproduceerd, maar door contacten via de handel en zeevaart gingen de Catalaanse glasblazers aan het eind van de 15de eeuw het Venetiaanse glas namaken. Dit is meestal gelig van tint, en toch nog met Moorse invloed. Alleen het gebrandschilderde decor was van een onafhankelijke eigen Catalaanse stijl.

Renaissance
In Europa ontstond halverwege de veertiende eeuw het verlangen naar een nieuwe levensstijl. Deze 'wedergeboorte' vond zijn oorsprong in de Klassieke Oudheid. Zaken als redelijkheid, verstand, individualisme en gevoel kregen een plaats in de cultuur. Spanje daarentegen bleef vasthouden aan mystiek en symboliek, kenmerken van de Middeleeuwen. In de traditionele kerkelijke eenheidscultuur paste het streven naar individualisme niet.

Via de literatuur en de schilderkunst won de Renaissance in de loop van de vijftiende eeuw echter ook ten zuiden van de Pyreneeën aan betekenis. De lyrische poëzie van Garcilaso is daar een voorbeeld van. Hij schreef zijn meeste gedichten in Napels; de Italiaanse invloed op zijn werk is dan ook groot geweest. Zijn poëzie werd in de zestiende eeuw al als klassiek beschouwd. Klassiek is ook het werk van Miguel Cervantes (1547-1616). Zijn beroemde boek Don Quichote de la Mancha , dat in 1605 werd gepubliceerd, wordt tot de hoogtepunten uit de wereldliteratuur gerekend. Het verhaalt van een edele ridder en een trage, dikke schildknaap die de tegenstelling belichamen tussen idealisme en materialisme.

In het begin van de 16e eeuw kreeg de Italiaanse renaissancistische schilderkunst invloed van betekenis. De invloed van de Italiaanse Renaissance is ook terug te vinden in het werk van de Spaanse beeldhouwer Alonso Beruguette, leerling van Michelangelo, en de later beroemd geworden portretschilders Couello en Velázquez.

Ook binnen de Spaanse Kerk ontstonden stromingen die op vernieuwing en verandering aanstuurden. Theresia d'Ávila (Theresa van Ávila) en Juan de la Cruz (Johannes van het Kruis) - beiden later door Rome heilig verklaard - publiceerden geschriften waarin de ideeën van Erasmus werden uitgedragen. Theresa, geboren in 1515, koppelde wijsheid aan gezonde daadkracht en stichtte de congregatie van de Ongeschoeide Karmelietessen. Zij stierf in 1582 in Alba de Torres, een dorp ten zuidoosten van Salamanca Daar staat een levensgroot standbeeld van haar naast een nooit voltooide kloosterkerk.

De ontdekking van Amerika (Archivo de Indias te Sevilla) en de humanistische Renaissance hebben enkele schitterende voorbeelden uit de XVIe eeuw opgeleverd zoals de gevel van de universiteit van Salamanca, de kathedraal en het paleis van Karel V te Granada en, in de sobere stijl van Herrera, het Klooster van San Lorenzo de El Escorial. De koloniale kunst uit Amerika ( Mexico, Cuzco, Lima, La Habana) liet zijn sporen ook in Spanje na.

Schilders als Morales en El Greco en beeldhouwers als Berruguete zouden de voorlopers zijn van wat later bekend werd als de Spaanse Gouden Eeuw (XVIIe eeuw). Die omschrijving vloeide voort uit de bijdrage van de fantasierijke beeldhouwers ( Gregorio Hernandez, Martinez Montanés, Francisco Salzillo) en schilders ( Diego Velazquez, Zurbaran, Ribera, Murillo).

El Greco (1541-1614)
In hetzelfde jaar dat Johannes van het Kruis zuchtte in de kerker, begon El Greco zijn roemrijke kunstenaarsbestaan. El Greco (de Griek) was oorspronkelijk afkomstig van Kreta. Na als leerling te hebben gewerkt in de ateliers van de Italiaanse meesters Titiaan en Tintoretti vestigde hij zich in 1577 in Toledo.
Een van de beroemdste doeken van zijn hand is De begrafenis van Grant Orgaz dat hij tussen 1584 en 1588 schilderde. Het hangt in een zwaar beveiligd bijgebouw van de kerk van Santo Tomé in Toledo. De gedetailleerde weergave van de Spaanse adel en geestelijkheid en het weergaloze palet waarmee kleding en wapenuitrusting op het doek zijn gezet, doen sterk denken aan het werk van Titiaan. El Greco is op dit doek zelf ook te zien (zesde figuur van rechts). Het werk van El Greco sprak sterk tot de verbeelding van de Spanjaarden. Met name het mystieke, bovennatuurlijke zonlicht zoals dat alleen bij deze schilder vanachter uiteengerafelde wolken te voorschijn kon komen. Ook de gedempte, ingehouden kleuren spraken de opgewonden Spaanse volksziel aan. Dit alles maakte El Greco tot een typisch Spaanse schilder. Hij stierf in Toledo, 73 jaar oud, in de stad die Cervantes 'het licht der kunsten' heeft genoemd.

Barok
Onder Filips II werd in 1563 begonnen aan de bouw van El Escorial bij Madrid, waarin de functies van paleis en klooster zijn gecombineerd; qua stijl houdt het het midden tussen Renaissance en een sobere versie van de barok. De barok werd aan het eind van de 17e eeuw uitbundiger.

De schilderkunst had in de 16e, 17e eeuw een nieuwe impuls gekregen door het werk van El Greco. In de 17e eeuw ontstond er een schilderschool te Madrid onder leiding van Diego Velázquez, die vooral door zijn vorstenportretten beroemd is geworden

Spanje leverde tijdens de barokverheerlijking werken van ongekende schoonheid op zoals de koninklijke paleizen van La Granja, Aranjuez en Madrid.

In de 18e eeuw ontstonden er grote, rijk gedecoreerde altaren; beroemd is het zgn. Transparente, een altaarstuk van Narciso Tomé in de kathedraal van Toledo.

In de schilderkunst van de 18e eeuw werd de toon aangegeven door buitenlanders zoals Anton Raphael Mengs en Giovanni Battista Tiepolo.

Tijdens het neo-classicisme kwamen werken tot stand zoals het Pradomuseum te Madrid en verscheen de geniale schilder Francisco de Goya. een ware voorganger van de huidige schilderkunst.

Francisco de Goya (1748-1828)
Aan het eind van de 18e eeuw bereikte de Spaanse kunst een nieuw hoogtepunt met de vorstenportretten en etsen van Francisco Goya. De invloed van Francisco de Goya op de Spaanse beeldende kunst is bepalend geweest. Het zijn vooral de indringende portretten, de fresco's (muurschilderingen in waterverf op verse natte kalk) en de beladen doeken uit zijn 'zwarte periode' over de Napoleontische gruweldaden, die het werk van deze Spaanse meester tot een reisdoel op zich maken. De belangrijkste werken van Goya hangen in het Prado in Madrid, waar ook een deel van zijn stillevens en etsen zijn te bewonderen.

In de 19e eeuw werden de in Europa heersende stijlen nagevolgd, die echter in Spanje geen eigen gezicht kregen.

De hoeveelheid aan stijlen in de XlXe eeuw komt tot rust bij de romantiek met de in die tijd heersende voorkeur voor historische - en zedenschilderingen ( Benlliure, Sorolla).

art nova
Aan het eind van de negentiende eeuw ontwikkelde de toegepaste kunst zich in Europa tot een unieke decoratiestijl: art nouveau of Jugendstil. De Spanjaard Antonio Gaudí í Cornet paste de ideeën van de art nova voor het eerst in de architectuur toe. Hij liet - in zijn geliefde stad Barcelona - een weergaloze erfenis achter van bizarre, fascinerende woonhuizen, flats, parken ( Parque Güell ) en zelfs een kathedraal, de Sagrada Familia.

Moderne Spaanse kunst
Met Picasso en Gris had Spanje twee van de grondleggers van het kubisme, Salvador Dali en Joan Miró zouden sleutelfiguren worden in het surrealisme en de abstracte kunst. Andere Spaanse kunstenaars uit deze periode zijn Godofredo Ortega Muñoz, Oscar Domínguez, Fransisco Bores, Benjamin Palencia

Het revolutionaire klimaat in Spanje na de eeuwwisseling en de burgeroorlog van 1936 zette een rem op de ontwikkeling van de moderne kunst in Spanje. Veel kunstenaars verlieten het land en vestigden zich in Parijs. Onder hen Picasso, Miró, Juan Gris en Dalí. Ondanks dit gegeven is hun leven en werk bepalend geweest voor de ontwikkeling van de moderne kunst in Spanje in de twintigste eeuw.

Parijse School van de jaren ‘50 ( Francisco Bores en Hernando Viñes),
de uitloper van het surrealisme ( José Paredes Jardiel),
de lyrische abstractie van Hernández Mompó,

het informalismo met Antoni Tàpies, Antoni Clavé en de groep El Paso met Luis Feito,
Tápies moest Spanje in de jaren zestig en zeventig opstuwen in dezelfde vaart der volkeren als Picasso, Dalí en Miró daarvoor hadden gedaan. Als grondlegger van de materieschilderkunst had Tápies daarvoor ook goede papieren.

de expressionistische en gebarenfiguratie van Antonio Saura,
de Spaanse deelname aan de School van New York ( José Guerrero),
de lezingen van de pop van de Equipo Crónica, Eduardo Arroyo, Rafael Canogar, Juan Genovés, Luis Gordillo of Manolo Valdés,
de groep van de jaren ‘80 ( Menchu Lamas, José Manuel Broto en Ferrán García Sevilla).

De Spaanse bijdrage aan de kunst van de laatste decennia komt van de hand van uitnemende figuren uit de architectuur en schilderkunst ( Sert, Bofill. Calatrava, Antonio López, Barceló) die werken met een sterke individuele persoonlijkheid hebben opgeleverd. In de beeldhouwkunst van de laatste jaren trokken Eduardo Chillida, Susana Solano en Juan Muñoz de aandacht.

Meer recent is Alicia Framis het boegbeeld van de Hedendaagse Spaanse Kunst.

Literatuur
Begin twintigste eeuw vormde de schrijver José Ortega y Gasset (1883-1955) het middelpunt van een nieuwe stroming Spaanse schrijvers. Ortega maakte internationaal naam met zijn in tientallen landen vertaalde boek La Rebellion de las Masas (Opstand der horden). Als een van de weinigen van zijn generatie bepleitte hij daarin dat intellectuelen de massa zouden voorgaan.
Rond het einde van de jaren twintig stond een generatie dichters op die de Spaanse poëzie tot een korte maar grote bloei bracht. Veruit de belangrijkste exponent van deze 'Generatie van 1927' was Federico García Lorca (1898-1936).

Franco's cultuurbeleid benam een hele generatie schrijvers de vrijheid van meningsuiting. Wie het land niet ontvlucht was, vluchtte in nietszeggendheid. Behalve Camilo Jasé Cela (1916) die zich met zijn karikaturale en satirische schetsen van de franquistische maatschappij tot de belangrijkste Spaanse schrijver onder Franco ontwikkelde.
Na de dood van Franco bleef de verwachte opbloei van de literatuur uit. Daar veranderde het korte ministerschap (1988-1991) van de schrijver Jorge Semprum in het socialistische kabinet van premier González weinig aan. Tot de schrijvers die in de jaren tachtig en negentig zowel in Spanje als daarbuiten naam maakten, behoort Javier Marías (1952). Hij debuteerde met de roman Een man met gevoel. Literatuurcritici zien in hem de opvolger van Cela. Tot María's generatiegenoten behoren de schrijvers Juan José Millás, Antonio Muñoz Molina, Félix de Azúa en Eduardo Mendoza.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 8.