kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 13-02-2011 voor het laatst bewerkt.

Theo van Doesburg



Nederlands schilder, architect, typograaf, kunsthistoricus, vormgever, auteur, dichter, etc.. Geboren 30 augustus 1883 te Utrecht - overleden 7 maart 1931 in Davos (Zwitserland).

Theo van Doesburg, naar zijn stiefvader Theodorus Doesburg, is het pseudoniem van Christian Emil Marie Küpper. Andere pseudoniemen die Doesburg gebruikte zijn:
. I.K. Bonset - zou een anagram zijn van IK BEN SOT, welk pseudoniem hij gebruikte als ondertekening van zijn Dadaïstische gedichten en activiteiten.
. Aldo Camini - gebruikte Van doesburg ter ondertekening van zijn anti-filosofische activiteiten als criticus.

Inleiding
Theo van Doesburg is vooral bekend als oprichter en redacteur van het tijdschrift De Stijl. Hij gaf lezingen, organiseerde tentoonstellingen en zette zich, behalve voor De Stijl, in voor diverse andere tijdschriften en kunstenaarsgroepen. Van Doesburgs belang ligt in het totaal van zijn activiteiten.

Van Doesburg was in de eerste plaats een overtuigd woordvoerder voor de gemeenschapskunst. Hij wist hoe hij ideeën moest lanceren, hij kon mensen enthousiasmeren èn mobiliseren. Daarnaast heeft hij vanaf 1914 in een razend tempo een verbluffend scherpe kijk op kunst ontwikkeld. Zo herkende hij de kwaliteit van Mondriaan en van El Lissitzky en had hij tevens een goed oog voor de bijzondere mogelijkheden die Dada bood. Van Doesburg was een vurig propagandist van een radicale vernieuwing in de kunst. Hij verkondigde de nieuwe gedachten door vele geschriften en lezingen, ook in het buitenland.

Als schilder stond hij sterk onder invloed van Mondriaan. Hij kwam tot nauwe samenwerking met de architecten J.J.P. Oud, Rietveld en Jan Wils. Zij poogden het tweedimensionale van de schilderkunst als driedimensionale ruimtekunst in de architectuur over te brengen. Zijn eerste architectonisch werk was, in samenwerking met Oud, een hal in een landhuis dat Oud in Noordwijkerhout gebouwd had. Hierbij bedoelde hij met schilderkunstige middelen de architectuur te ondersteunen, waarbij slechts primaire kleuren werden toegepast. Zijn composities waren gegrond op de rechte lijn en de rechthoek, vanaf 1924 met toevoeging van de diagonaal (elementarisme).

Geschriften: De nieuwe beweging in de schilderkunst (1917); Grundbegriffe der neuen Gestaltung (1925).
Zeer bekend zijn zijn decoraties van restaurant L'Aubette te Straatsburg, die hij maakte in samenwerking met Hans en Sofie Arp (1926-28, verwoest in W.O. II). (Summa)

Biografie
De geboorte van Emile Küpper moet de huwelijksband tussen zijn ouders onder druk hebben gezet. Hoewel hij officieel geregistreerd werd als het zevende kind uit het huwelijk van Henrietta Catharina Margadant en de uit Duitsland afkomstige fotograaf Wilhelm Küpper, wordt aangenomen dat zijn biologische vader de horlogemaker Theodorus Doesburg was. Samen met hem en haar kinderen vertrok Emiles moeder in september 1884 vanuit Utrecht naar Amsterdam. Küpper was eerder in dat jaar naar zijn vaderland teruggekeerd, waar hij in september 1892 overleed. Waarschijnlijk om deze reden wijzigde Christian op latere leeftijd zijn naam met als toevoeging het woordje 'Van' als mogelijke verwijzing naar zijn afkomst.

Emiles moeder en waarschijnlijke vader, Doesburg, traden in juli 1893 met elkaar in het huwelijk, waarmee Emiles officieuze status als bastaardzoon verviel. Met zijn moeder had Emile niet veel op, maar des te meer met zijn vader. Deze was ingeschreven als 'reiziger', maar zou in Amsterdam als 'magnetisch geneesheer' een praktijk hebben gehad. Hij overleed jong, op 48-jarige leeftijd, in 1912. Van diens naam leidde Emile zijn 'strijdnaam' Theo van Doesburg af, die hij vanaf 1908 ging gebruiken.

Luisterend naar de naam theo van doesburg bezocht hij na het lager en voortgezet onderwijs voor een korte tijd de toneelschool van Cateau Esser in Amsterdam. Toen hij daarna de ambitie koesterde om schilder en schrijver te worden, waren zijn ouders niet erg enthousiast. Dit was voor Theo de aanleiding om op 18-jarige leeftijd het ouderlijk huis te verlaten.

Zijn strijdbaarheid gebruikte Van Doesburg allereerst om zich te scholen. Op enkele lessen omstreeks 1901-1902 bij de schilder A.J. Grootens na, heeft hij zich als kunstenaar zelf gevormd. Hetzelfde geldt voor zijn schrijverschap.

Zijn vroegst bekende schilderijen zijn twee olieverfschetsen van honden en een olieverfschilderij van een landschap met hooimijten uit 1899. Alhoewel zijn eerste schilderijen meer geïnspireerd lijken door Rembrandt, raakte Van Doesburg op een gegeven moment erg gefascineerd door het werk van Van Gogh en Mathijs Maris.

Als Van Doesburg twintig is wordt hij opgeroepen voor militaire dienst, vanaf dan zal hij regelmatig op herhalingsoefeningen moeten. Dat Van Doesburgs gepassioneerdheid en complexe geest hem niet onberoerd laat blijkt al in juli 1906. Hij verblijft dan in Zandvoort om bij te komen van een zware depressie.

In 1908, dus op 25-jarige leeftijd, houdt hij in Den Haag zijn eerste tentoonstelling; daar waren 42 tekeningen en schetsen in impressionistische trant tentoongesteld.

Vanaf 1909 richtte hij zich op de artistieke expressie van emoties.

1910 - Debuut: Maskers Af, teekeningen en tekst (lezing),
Tussen 1908 en 1910 produceerde Doesburg geïnspireerd door het werk van Honore Daumier karikaturen voorzien van commentaar waarvan enkelen gepubliceerd zijn in zijn eerste boek 'De maskers af!' (1916).

Op 4-5-1910 gehuwd met Agnita Henrica Feis (1881-1944), beeldend kunstenares, schrijfster en dichteres. Ook in zijn relatie met Agnita Feis lag de nadruk op beider zelfontplooiing.

Vanaf 1912 leverde Theo van Doesburg geregeld letterkundige en kunstbeschouwelijke bijdragen aan het theosofische weekblad Eenheid, en sinds 1913 tevens aan andere week- en dagbladen. Uit deze teksten blijken zijn hoge verwachtingen ten aanzien van de voortschrijdende beschaving die de mensheid naar een vergeestelijkt plan moest voeren.


1912 Duinlandschap

In zijn beeldend werk wilde hij dezelfde idealen tot uitdrukking brengen. Maar wie zijn conventionele portretten en landschappen uit die tijd bekijkt, zal daarvan weinig bespeuren. Een belangrijk vooruitstrevend kunstenaar was Van Doesburg vóór 1914 niet, en een woordvoerder van de avant-gardistische kunst al helemaal niet. Abstracte schilderkunst en het futurisme zag hij als egoïstische en luidruchtige vergissingen.

In het voorjaar van 1913 begon hij pas waardering te krijgen voor de abstracte schilderkunst. Mede door Kandinsky's Das Geistige in die Kunst en zijn kennismaking in 1914 met de autobiografie van Wassily Kandinsky, Rückblicke 1901-1913, besefte hij dat de modernen net als hij streefden naar een spirituele kunst. Werk van deze schilder zag hij, eveneens in 1914, op de voorjaarstentoonstelling van 'De Onafhankelijken' in Amsterdam. Daar ontdekte hij tevens het werk van de in Parijs werkende Russische kunstenaars Daniel Vladimir Baranoff-Rossine en Alexander Archipenko, waarvan hij het innoverende karakter herkende.

Vanaf 1 augustus 1914, bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, was Theo van Doesburg gemobiliseerd te Alphen, in de buurt van Tilburg. In zijn functie van hulpfacteur bracht sergeant Küpper (in het leger waren pseudoniemen uiteraard niet toegestaan) de tijd door met het verspreiden van de binnenkomende post en met het verzamelen van de uitgaande. Vanaf half september 1915 blijkt hij te zijn overgeplaatst naar Utrecht, waar hij niet meer ingekwartierd is in een kazerne, maar verblijf houdt op een particulier adres, Leidsekade 18bis.

Tijdens zijn mobilisatie-periode raakte hij bevriend met de dichter-filosoof Evert Rinsema (1880 –1958), broer van beeldend kunstenaar Thijs Rinsema (1877-1947). Van Doesburg was zo onder de indruk van het vermogen van Rinsema om abstracte en moeilijk te doorgronden filosofische denkbeelden in het dagelijks leven terug te zien dat hij een portret van Rinsema maakte als Friedrich Nietzsche. Van Doesburg zou hem later regelmatig in Drachten opzoeken en in 1920 zijn dichtbundel 'Verzamelde volzinnen' uitbrengen.

In hoog tempo volgen dan brieven naar Tilburg, waar onder meer zijn vriend, de spoorwegbeambte en dichter Antony Kok woont. Enkele brieven en kaarten aan Kok, alle gedateerd in september of oktober 1915, bevatten opmerkelijke informatie over het ontstaan van een reeks gedichten, die toen al 'Soldatenverzen' heette maar pas in het novembernummer 1921 van De Stijl zou worden gepubliceerd, zij het niet volledig en onder het pseudoniem I.K. Bonset.

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog had hem geschokt. Dat hij zijn geloof in de mensheid spoedig hervond, dankte hij vooral aan de vrienden die hij toen maakte. Onder hen was de boekhoudster Lena Milius, op wie hij verliefd werd. In Utrecht maakte Van Doesburg kennis met de kunstenaar Erich Wichman en de schilder-mysticus Janus de Winter, die beiden onder invloed van Kandinsky geabstraheerde en visionaire kunst maakten. Zelf werkte hij diens ideeën aanvankelijk nader uit in zijn lezingen over schilderkunst. Vooral de opvatting dat kunst het geestelijke diende te verbeelden en daarom moest zijn gebaseerd op de introspectie van de kunstenaar kreeg van hem veel aandacht.

In 1915 maakte Van Doesburg kennis met onder andere piet mondriaan. Van Doesburg kwam dit jaar niet aan schilderen toe. Wel maakte hij tekeningen en pastels en schreef hij gedichten.

'De Anderen' en 'De Sphinx'
Na zijn demobilisatie, in februari 1916, verbleef Van Doesburg afwisselend in Utrecht, Haarlem, Amsterdam of Leiden, de stad waar Lena was gaan wonen. Intussen richtte hij kunstenaarsverenigingen op: in Amsterdam 'De Anderen' (24 maart 1916), en in Leiden 'De Sphinx' (31 mei 1916).

Op 24 maart 1916 werd onder andere door Van Doesburg in Amsterdam de De Anderen opgericht, een vereniging die tot doel had de artistieke en maatschappelijke belangen van de meest moderne beeldende kunstenaars te behartigen. Het bestuur van deze vereniging bestond naast Van Doesburg uit Erich Wichman, Johan Tielens, Louis Saalborn en Phocas Fokkens. Bij de oprichting van 'De Anderen' wordt een tentoonstelling georganiseerd in Den Haag, waar Van Doesburg aan deelnam. Tegelijkertijd nam hij deel aan de zevende tentoonstelling van 'De Onafhankelijken' in Amsterdam en een paar maanden later ook aan de achtste tentoonstelling.


De Kaartspelers, 1916/17

Van Doesburg was in 1915 - aanvankelijk alleen schriftelijk, later ook persoonlijk - in contact gekomen met de schilder Piet Mondriaan. Onder invloed van diens kritiek op het werk van Wichman en De Winter, dat naar zijn mening de noodzakelijke planmatige constructie zou ontberen, had Van Doesburg op de expositie van 'De Anderen' in de Haagse Kunstzaal D'Audretsch in mei-juni 1916 zijn eerste kubistisch aandoende schilderijen getoond.

In de tweede helft van 1916 ging Van Doesburg definitief over tot een vlakke, geometrisch-abstracte stijl, verwant aan die van de kunstenaar Vilmos Huszàr, die hij bij 'De Anderen' ontmoette, en aan de geabstraheerde schilderijen van Bart van der Leck.

'De Sphinx'
In het oprichtingsjaar van De Anderen werd nog een kunstenaarsvereniging opgericht De Sphinx. Ook bij de deze in Leiden opgerichte vereniging hoorde Van Doesburg tot de initiators. Doel van De Sphinx was om meer samenwerking te verkrijgen tussen architecten en kunstenaars die werkzaam waren op andere terreinen. Architect J.J.P. Oud was voorzitter van De Sphinx en Van Doesburg tweede secretaris. Tijdens avonden van deze club droeg Van Doesburg gedichten uit eigen werk voor.

Van zijn vriend, de architect J.J.P. Oud, kreeg Van Doesburg zijn eerste opdracht op het gebied van architectuur. In augustus 1916 liet de architect Van Doesburg een ontwerp maken voor een glas-in-lood raam voor een burgemeesterswoning in Broek in Waterland, 'glas in lood Kompositie I'. Vanaf 1917, het jaar dat hij naar Leiden verhuisde, kreeg Van Doesburg vaker opdrachten voor glas-in-lood, wederom van Oud, maar ook bijvoorbeeld van de architect Jan Wils. Daarnaast kreegt Van Doesburg nog andere opdrachten op het gebied van architectuur. Zo ontwierp hij tegelvloeren, delen van gevels, interieurs en een monument voor Leeuwarden.

Aan het eind van 1916 huurde hij in Leiden een eigen kamer en atelier, en in 1917 trouwde hij na echtscheiding (11-5-1917) op 30-5-1917 met Lena, (Helena Hermina Frederika Milius).

De Stijl
Mede om de nieuwe kunst bekend te maken, richtte hij in de zomer van 1917 het tijdschrift De Stijl op. Het eerste nummer van het tijdschrift De Stijl verscheen in oktober 1917, het laatste in 1932. Hijzelf was de enige redacteur. Van Doesburgs medestanders waren Mondriaan, Huszar, Bart van der Leck, de Belgische schilder/beeldhouwer Georges Vantongerloo en de architecten J.J.P. Oud, Jan Wils, Robert van 't Hoff en G.T. Rietveld.
De stijl zette zich in voor een nieuwe kunst in een nieuwe, betere wereld. Van Doesburg zag het als de taak van de moderne kunstenaar om uitdrukking te geven aan de geest van zijn tijd en aan die van de komende tijd. Het was zijn overtuiging dat in die naaste toekomst de individuele kunst moest wijken voor een nieuwe vorm van gemeenschapskunst. Onder invloed van Oud was hij vervolgens gaan inzien dat dit vroeg om samenwerking tussen architecten en beeldende kunstenaars. De mogelijkheid om concrete bijdragen te leveren aan de architectuur deed zich in de beginjaren meer dan eens voor. Zo werd Van Doesburg door de architecten Oud, Van 't Hoff en Jan Wils gevraagd ontwerpen te maken voor glas-in-loodramen, en voor het aanbrengen van kleur in verschillende interieurs. Hij ontwierp in 1918 de tegelvloeren voor het vakantiehuis De Vonk, gebouwd door J.J.P. Oud.


Abstrahering van De Koe, ca 1917
Museum of Modern Art

Hoewel vanaf 1918 aan Van Doesburgs schilderijen niet meer valt af te lezen wat het uitgangspunt was, laten studies zien dat ze zijn gebaseerd op de zichtbare werkelijkheid; een vrouwenportret bijvoorbeeld, of een danspaar. In zijn glas in lood ontwerpen komt Van Doesburg al een jaar eerder tot een hoge mate van abstractie, waarbij hij op zijn motief varieert door spiegeling en rotatie.

In 1919, in een woning in Katwijk, bracht hij kleurvlakken aan op de wanden, deuren en het plafond die los leken te komen van hun ondergrond en de ruimte daadwerkelijk van karakter veranderden. De meubels voor de kamer waren ontworpen door rietveld.

De relatie met medewerkers aan De Stijl verliepen moeizaam. In 1919 zegden Huszar, Wils en Van 't Hoff hun medewerking op. Mondriaan leverde nog wel bijdragen, maar was teruggekeerd naar Parijs.

In de jaren na de Eerste Wereldoorlog was Van Doesburg in de gelegenheid zijn idealen en nieuwe kunst snel naar een breder publiek uit te dragen. Vanaf 1918 had hij via De Stijl internationale contacten gelegd. In 1920 trok hij zelf de grenzen over. Van Doesburg hield een lezingentournee in België, knoopte betrekkingen aan in Parijs - waar hij bij Mondriaan logeerde - en organiseerde een door Nederland reizende tentoonstelling van de Parijse vereniging La Section d'Or.

Kort voor de jaarwisseling 1920/1921 reisde Van Doesburg naar Berlijn, waar hij vele kunstenaars ontmoette. Vervolgens bezocht hij het Staatliches Bauhaus in Weimar, waar hij onmiddellijk mogelijkheden zag zijn opvattingen over kunst uit te dragen. Voor hij daartoe pogingen ondernam, reisde hij terug naar Leiden. Daar wachtte, behalve zijn echtgenote Lena, ook zijn nieuwe geliefde op hem, de jonge pianiste Nelly van Moorsel, die hij in de zomer van 1920 in Den Haag had ontmoet. Met haar zou hij vanaf maart 1921, toen zij samen voor een grote Europese reis vertrokken, zijn verdere leven delen.

Een tweede lezingentournee door België, begin 1921, zou hen uiteindelijk naar Weimar voeren. Tijdens hun verblijf daar, van april tot november 1921, kwam het echter niet tot de door Van Doesburg gewenste samenwerking met het Bauhaus.

Doesburg werkte aan kleurontwerpen voor woningen in Rotterdam. Omdat Van Doesburg vasthield aan de strikte uitvoering van zijn ontwerpen in Rotterdam kwam het tot een - overigens tijdelijke - breuk met Oud.

In september 1920 had Rinsema hem voorgesteld aan Cees Rienks de Boer (1881-1966), gemeentearchitect van Drachten, die Van Doesburg betrok bij het ontwerp van de Landbouwwinterschool en een aantal 'middenstandswoningen' in Drachten. De ongewone kleuroplossing van dit huizenblok levert De Boer echter stevige kritiek op. De Boer reageert hierop: 'Stelt men zich voor een geheele straat in “kleuren” als onze trotsche H.B.S., wat zou dit versuffend werken. Wat zou ook dit forsche gebouw veel aan waarde winnen, wanneer het in pittige kleuren was geschilderd; de eentonige gevellap zou dan gaan werken. Om mijn doel te bereiken heb ik mij in verbinding gesteld met den kunstenaar Theo van Doesburg, wiens manier van werken mij den laatsten tijd zeer aantrok'. Eind 1921 reist Van Doesburg vanuit Weimar naar Drachten om zich daar met de lezing 'De kleur in onze woning' voor het project te verantwoorden. De gemeente zou op aandrang van de bewoners de inmiddels papegaeiebuert genoemde huizen overschilderden.

In 1922, toen Van Doesburg afwisselend in Berlijn en Weimar woonde, leerde hij de Russische architect en beeldend kunstenaar El Lissitzky kennen. Diens werk en opvattingen stimuleerden hem opnieuw diepgaand de mogelijkheden te onderzoeken met kleur, vlak en volume beweging in de ruimte te suggereren. Zijn ideeën hierover zette hij uiteen tijdens de 'Stijlcursus' die hij in het atelier van Karl-Peter Röhl, buiten de academie om, aan studenten van het Bauhaus gaf. Het uitblijven van een aanstelling als docent zat Van Doesburg ondertussen behoorlijk dwars. Ook kon hij zich van tijd tot tijd boos maken over andere kwesties in Nederland, zoals het afbrokkelen van de 'Stijl'-groep, het gemis aan steun voor de 'grote zaak' bij Huszar en Van der Leck, en het uitblijven van een tentoonstelling over 'De Stijl'.

Van Doesburg vond in dada een artistieke vorm om lucht te geven aan deze frustraties. Met het dadaïsme had hij eerder in Parijs en Berlijn kennisgemaakt. Dada bood hem de ruimte een alternatieve filosofie te ontwerpen waarin hij zowel zijn eigen hoge streven als de nobele doelen van anderen kon relativeren. Hij droeg deze visie onder zijn dada-pseudoniem Aldo Camini vanaf 1921 uit in De Stijl. Dit blad kreeg een gevarieerd karakter. Niet alleen nam Van Doesburg dadaïstische teksten van anderen op, hij publiceerde er ook eigen experimentele gedichten, onder meer als I.K. Bonset, een andere nom de plume. Dat hij de maker was van deze afwijkende bijdragen, die ook elders verschenen, onder andere in het door hem zelf met de hulp van Tristan Tzara opgerichte, 'opvouwbare tijdschrift' Mécano (1922-1923), wilde hij geheimhouden, vooral voor Mondriaan.

Het was vermoedelijk ook ergernis, en wel over de stroef verlopende oprichting van de vereniging van constructivisten, waarvan Van Doesburg deel uitmaakte, die hem deed besluiten voor een bijeenkomst van deze kunstenaars - te Weimar in september 1922 - enige dadaïsten uit te nodigen. Zoals te verwachten viel, werd door hen de bijeenkomst danig verstoord. De avond liep uit op de première van een kleine dada-tournee in Duitsland.

Begin 1923 zette Van Doesburg deze 'dada-veldtocht' in Nederland voort, samen met Nelly van Moorsel en de Duitse kunstenaar Kurt Schwitters. Van Doesburg hield een lezing, Wat is Dada?, kurt schwitters las gedichten voor, Huszar trad op met zijn Mechanische dansfiguur en Nelly van Doesburg speelde piano. Ten tijde van de veldtocht werd moholy-nagy aangesteld als docent aan het bauhaus. Van doesburg, die op dit docentschap had gehoopt, keerde in april 1923 naar Weimar terug om z'n koffer te pakken.

Aangezien in het voorjaar van 1923 de kans op een docentenbaan aan het Bauhaus definitief bleek verkeken, meende Van Doesburg dat het tijd was de bakens weer eens geheel en al te verzetten. In mei 1923 was Van Doesburg verhuisd naar Parijs en al snel kreeg hij kans om z'n ideeën uit te werken. Léonce Rosenberg stelde zijn Galerie L'effort Moderne beschikbaar voor een tentoonstelling van 'Les Architectes du Groupe' 'De Stijl'. De tentoonstelling werd gehouden in oktober/november 1923. Hij wist Oud tot medewerking te bewegen, evenals de architect en meubelmaker Gerrit Rietveld, en de jonge architect Cor van Eesteren. Met de laatstgenoemde werkte Van Doesburg intensief aan ontwerpen en maquettes voor woonhuizen. Van Doesburg en Van Eesteren presenteerden drie ontwerpen: een huis annex galerie voor Rosenberg, een particuliere woning en een kunstenaarswoning.


Arithmetische Compositie V, 1924

Tot zijn grote teleurstelling leidde de tentoonstelling niet tot een architectuuropdracht en in 1924 ging Van Doesburg weer schilderen. Hierin werkte hij de inzichten uit die hij met de architectuurontwerpen had opgedaan en contra-constructies had genoemd. Van belang is vooral de serie voorstudies waarin hij radicaal brak met de manier waarop een schilderij kon worden opgevat en zou kunnen worden opgehangen. Theo van Doesburg bedenkt de term elementarisme voor deze schilderijen die hij 'contra-composities' (1924-1927) noemt, waarbij als basis één van de vier zijden of één van de vier hoeken kan worden gekozen en de kleuren, lijnen en vlakken van de composities op onderlinge, dynamische contrastwerking gebaseerd zijn. Met hun diagonale of elkaar overlappende composities onderstrepen ze het verschil tussen Mondriaan, die vasthield aan een universele waarheid en Van Doesburg voor wie beweging essentieel was.

Aanvankelijk had Doesburg veel contact met Mondriaan maar al snel kwamen verschillen in mening en karakter naar voren die in de correspondentie niet belangrijk waren geweest. Mondriaan zag niets in het toenemende internationalisme van Van Doesburg en keerde 'De Stijl' de rug toe. Hierop publiceerde Van Doesburg zijn manifest over 'elementairisme' (elementarisme), het concept dat hij in 1924 had ontwikkeld.

In 1927 en 1928 werkte van Doesburg samen met Hans Arp en Sophie Tauber als schilder en architect aan de verbouwing van het amusementscomplex Aubette in Straatsburg.
Voor de zalen die Van Doesburg voor zijn rekening nam, ontwierp hij een decoratie met over de wanden en het plafond doorlopende diagonalen en met rechtstandige kleurvlakken in verschillende materialen. Zo meende hij de integratie van ruimte, kleur en beweging te kunnen realiseren. Het project liep uit op een teleurstelling. Met name op het gebied van materiaalgebruik moest van Doesburg concessies doen en groot was zijn teleurstelling toen na de opening in februari 1928 al snel 'gezellige' aanpassingen in de ruimtes van 'L'Aubette' werden aangebracht. De Aubette bestaat nog en in april 1994 is de restauratie van de interieurs van van Doesburg en Arp voltooid.

Na echtscheiding (31-1-1923) gehuwd op 24-11-1928 met Petronella Johanna van Moorsel (1899-1975), pianiste. Zijn drie huwelijken bleven kinderloos.

In 1928 had Van Doesburg grond in Meudon gekocht, waarop hij voor zichzelf een atelierwoning naar eigen ontwerp liet bouwen. Deze woning is nu, net als het Van Doesburg archief, eigendom van de Nederlandse staat en huisvest elk jaar een andere Nederlandse kunstenaar.

Eenige punten ter verklaring der moderne schilderkunst (1929, lezing)

Terwijl Van Doesburg zijn contacten met de Oostenrijkse en Tsjechoslowaakse avant-garde al in de herfst van 1924 had aangehaald, nam zijn groeiende internationale reputatie aan het einde van de jaren twintig door enkele gebeurtenissen verder toe. Zo werd hij in 1929 vanwege zijn typografische werk door de Hongaarse kunstenaar Laszlo Moholy-Nagy gevraagd deel te nemen aan de tentoonstelling 'Neue Typographie' in Berlijn. Verder was hij vertegenwoordigd op de 'Expositions sélectes d'Art contemporain' in Amsterdam en Den Haag (1929-1930). Hij, en ook Nelly, werden in 1930 op indrukwekkende wijze gehuldigd in Spanje, nadat deze tentoonstelling daar was overgenomen.

Vanaf 1929 tot aan zijn overlijden op 7 maart 1931, exposeerde Van Doesburg regelmatig, maar het surrealisme vierde hoogtij en het grote succes bleef uit. Wel kreeg hij in deze periode de aandacht van een jongere generatie kunstenaars. Met vier jongeren richtte hij in januari 1930 de groep Art Concret op.

Art Concret
Eind 1929 verzamelde Van Doesburg in Parijs een nieuwe groep internationale kunstenaars om zich heen, die de naam 'Art concret' (AC) kreeg. Wat hen bond was hun streven om wetmatige geconstrueerde composities te vervaardigen. En hoewel van Doesburg zijn eigen 'A-rithmische composities' en 'ontwerpen voor een universele vorm' (beide uit 1930), 'elementair', 'konkreet' en 'controleerbaar' noemde, bedoelde hij met de term 'rithmisch' toch ook het innerlijke ritme, en met 'universeel' het geestelijke. Beide begrippen representeerden voor hem 'zoo wel de tijd als de Ruimte, het oneindig groote als het oneindig kleine'. Het is verleidelijk om er een zekere terugkeer in te zien naar een vergeestelijkte kunst, het ideaal uit zijn jeugdjaren.

De geometrisch-abstracte kunstenaarsgroep Art Concret, met gelijknamig tijdschrift, werd in december 1929 gevormd met o.a. de Zweed Otto Gustaf Carlsund (1897-1948), Jean Hélion, de Fransman Léon Arthur Tutundjian (1906-1968) en Marcel Wantz. Op 25 december 1929 stuurde Van Doesburg het manifest Base de la peinture concrète, mede namens Carlsund, Hélion en Tutundjian, ter ondertekening op naar Friedrich Vordemberge-Gildewart. De groep heette toen nog Groupement 6,6. Vordemberge tekende echter niet. De naam Art Concret ontstond in 1930. In april 1930 kwam ook het eerste en enige nummer van het gelijknamige tijdschrift van de groep uit met op pagina 1 het manifest:

BASE DE LA PEINTURE CONCRÈTE
Nous disons:

1 L'Art est universel
2 L'oevre d'art doit être entièrement conçue et formée par l'esprit avant son exécution. Elle ne doit rien recevoir des données formelles de la nature, ni de la sensualité. Nous voulons exclure le lyrisme, le dramatisme, le symbolisme, etc.
3 Le tableau doit être entièrement construit avec des éléments purement plastiques, c'est-à-dire plans et couleurs. Un élé pictural n'a pas d'autre signification que <> en conséquence le tableau n'a pas d'autre signification que <>.
4 La construction du tableau, aussi bien que ses éléments doit être simple et contrôlable visuellement.
5 La technique doit être mécanique c'est-à-dire exacte, anti-impressionniste.
6 Effort pour la clarté absolue.

De groep organiseerde augustus 1930 in Stockholm de tentoonstelling AC. Internationell utställning av post-kubistisk konst. De catalogus bij die tentoonstelling is samengesteld door Otto Gustaf Carlsund en Jean Hélion. In de zomer van 1945 vond in Galerie René Drouin de tentoonstelling 'Art Concret' plaats.

De werkzaamheden stagneerden in de daaropvolgende jaren. Zelf kon hij er weinig aan doen, omdat hij vanaf 1930 aanhoudend last had van zijn astma. Tot dan toe had deze aandoening hem jaarlijks hooikoorts bezorgd, maar dat was steeds tijdelijk geweest. In het laatstgenoemde jaar veroorzaakten complicaties een aaneenrijging van ernstige benauwdheden. Toen het huis aan het eind van 1930 bijna gereed was - hij had de wens er een soort academie of trefplaats voor kunstenaars van te maken -, verslechterde zijn toestand. Gevolg gevend aan het advies van zijn dokter om te gaan kuren vertrok hij begin 1931 naar Davos, waar hij onverwacht, op 47-jarige leeftijd, aan een hartstilstand overleed tijdens een astma-aanval.

Van het oeuvre van Van Doesburg kunnen vooral zijn gedichten exemplarisch worden genoemd voor zijn ontvankelijkheid voor internationale, avant-gardistische tendensen. Dezelfde eigenschap kenmerkt ook zijn beeldend werk, zij het in wisselende mate. Het feit dat zijn architectuur en schilderkunst desondanks een behoorlijke invloed hebben gehad op het Nieuwe Bouwen en op de abstract-geometrische schilderkunst van de 20ste eeuw is voor een niet onaanzienlijk deel te danken aan zijn echtgenote Nelly van Doesburg. Zij heeft zich na Van Doesburgs dood ten uiterste ingespannen om zijn werk op internationale schaal te exposeren en te verkopen.

Zie bron: schilderij, 1920, olieverf op doek, 130x81, Parijs, Musée National d’Art Moderne, Centre Pompidou

. Contracompositie V, 1924, olieverf op doek, 100x100, Amsterdam, Stedelijk Museum
Van Doesburg schildert voor het eerst grote rechthoekige vlakken die diagonaal zijn geplaatst. De zuiver neutraal en in primaire kleuren geschilderde vlakken worden hard afgesneden door de randen van het doek.. Hij experimenteerde in die tijd met composities waarin een tegenwicht werd gezocht voor de dominantie van de horizontale en verticale as. Vandaar de titels Contracompositie. Deze is dus een alternatief voor de statische compositie. Aan de "orthogonale, perifere compositie wordt een nieuwe, schuine dimensie toegevoegd, waardoor de spanning horizontaal-verticaal op reële wijze wordt opgeheven," aldus Van Doesburg. Die invoering van diagonale vlakken was in flagrante strijd met de ordeningsprincipes van Mondriaan, die in 1925 dan ook brak met De Stijl. (Leinz 129-130)

. Tegencompositie van dissonanten XVI, 1925, Den Haag, Gemeentemuseum
Van Doesburg is de theoreticus van het neoplasticisme. De dynamische diagonaal is het centrale thema, wat hem verwijdert van het strakke purisme van Mondriaan en hem doet evolueren naar een nieuwe kunstvorm, die hij elementarisme noemt.
Elk plan maakt deel uit van een perifere ruimte. De compositie moet eerder opgevat worden als een fenomeen van spanning dan van verhoudingen in de plans. (Histoire)

. Simultane tegencompositie, ca. 1929-1930, olieverf op doek, 50x50, New York, Museum of Modern Art

Websites en bronnen:
* http://zoeken.nai.nl/CIS/persoon/8153


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 12.