kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Vlaamse-Primitieven

vlaamse primitieven

Met de term vlaamsche primitieven wijst men meestal op de schilders die in de 15de en begin 16de eeuw in de Zuidelijke Nederlanden werkzaam waren, zoals Jan van Eyck, de Meester van Flémalle, Rogier van der Weyden, Dirk Bouts, Hans Memling, Jeroen Bosch, Gerard David, Fra Angelico en hugo van der Goes.

De kunst der Vlaamse primitieven is allerminst onbeholpen of gebrekkig, zoals dat woord suggereert. Het zijn de negentiende eeuwse kunsthistorici die ons met het woord primitieven hebben opgescheept. De liefhebbers van het werk toentertijd vielen voor het archaïsche, het naïeve en noemden hen daarom “primitieven”. Wie de technisch verfijnde panelen met religieuze afbeeldingen in nauwkeurig geschilderde omgevingen, met hun stille intimiteit en diepe, stralende tinten herontdekt, zal het de hoogste tijd achten om die benaming voorgoed te schrappen.

Vanaf de 15de eeuw deed zich in West-Europa in de schilderkunst een vernieuwing voor. De groep schilders die voor de vernieuwing zorgde, werd primitieven genoemd. De grootste vernieuwing zat hem in het gebruik van olieverf waarmee je heel precies kon werken en waardoor prachtige kleurschakeringen ontstonden. Aan de grondslag van elk schilderij lag een aandachtige natuurwaarneming. Ieder detail (stofuitdrukking, kleur en lichtval) werd uiterst zorgvuldig en gedetailleerd opgebouwd. Aan het natuur- of architectonische kader besteden de schilders evenveel zorg als aan de eigenlijke religieuze voorstelling. De Vlaamse Primitieven plaatsten hun figuren in de natuur of in een interieur en niet langer tegen een vlakke achtergrond. Van een tweedimensionale achtergrond maken figuren zich los door soepele, kunstzinnige modellering. De plastische vorm wordt scherp beëindigd met zware, donkere contouren, waarin overeenkomst merkbaar is met de loodranden van gebrandschilderde ramen. In sommige schilderijen is zelfs sprake van schaduw en reflectie.

De Vlaamse Primitieven schilderden niet langer op de muren maar op hout. Waarom ze hiervoor kozen is nog altijd een discussie die niet zo snel zal worden opgelost. Deze panelen werden bewerkt met een tempera waarboven ze dan in een of meerdere laagjes olieverf aanbrachten. Door de olieverf heen bleven de onderliggende kleuren zichtbaar wat zorgde voor zachte en schaduwrijke kleuren. Deze panelen zie je in veel kerken terug bij het altaar; het altaarstuk. Met name in de Noordelijke landen, de Zuidelijke Nederlanden, zijn talloze gotische altaarstukken gemaakt.

Het oudste voorbeeld van de nieuwe, realistische opvatting is het 'Getijdenboek van de hertog van Berry' (voor 1416), waarin de maanden door de gebroeders van Limburg in beeld werden gebracht. De diepte wordt hier door opeenvolgende schermen aangeduid, zodat de horizon nog betrekkelijk hoog in het beeld komt. Maar tot in de kleinste details is het landelijk tafereel met de er op bewegende figuurtjes 'gefotografeerd'.

Olieverf op paneel (350×461cm) - 1432, St.-Baafskathedraal Gent

Maar het gekendste werk is ongetwijfeld het 'Lam-Godsaltaar' door Hubert en Jan van Eyck, meesters in het scheppen van ruimte door licht en een scherpe observatie van de werkelijkheid.
Dit veelluik betekent ook een vernieuwing van het altaarretabel: de schildering heeft het beeldwerk uit het middenstuk verdrongen en op welke schitterende manier! Het geopende veelluik stelt de hulde voor van de gehele mensheid en van de hemelbewoners aan de Verlosser: in het bovenste register grote figuren, met de scherp waargenomen maar nog niet anatomisch volledig juiste naaktfiguren van Adam en Eva; in het onderste register schrijden scharen van heiligen naar het in het midden staande Lam Gods toe in een door bloemen en bomen begroeid paradijselijk natuurtafereel. De klare opbouw, de waardige ernst der figuren, het prachtig koloriet, de weergave van weelderige stoffen en edelstenen, het in de ruimte trillende licht, dit alles was ophefmakend in zijn tijd en maakt nog steeds grote indruk. Dezelfde kwaliteiten bezitten zijn andere altaarstukken, waar de opdrachtgevers, ten volle bewust van hun waardigheid voor de H. Maagd neerknielen (De H. Maagd met kanunnik van der Paele, De H. Maagd met kanselier Rolin).

De kunst van de Vlaamse primitieven was vanaf het einde van de 16e eeuw helemaal “uit”. Pas vanaf het begin van de 19e eeuw wordt hun kunst herontdekt. Jan van Eyck, Rogier Vander Weyden en hun tijdgenoten waren vernieuwers, ze verbeterden de methode van hun voorgangers om een natuurgetrouwe voorstelling van de werkelijkheid te maken. Daardoor werden ze ook slachtoffer van hun eigen succes want ook hun methode, de wijze waarop ze perspectief of licht en schaduw gebruikten was voor verbetering vatbaar.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 2092.