kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 16-03-2008 voor het laatst bewerkt.

Vroege-Renaissance

De vroeg-renaissance is in enge zin de periode van 1420 tot 1500 alhoewel de voorboden zich al voordeden vanaf 1300. Italië kende in deze periode grote welvaart en waar welvaart is, is ook cultuur en kunst. In Italie waren ook de meeste herinneringen aan de Romeinse en Griekse periode.

Aan de geweldige beweging van secularisatie en emancipatie die de renaissance bracht, is de ontwikkeling van de Italiaanse stad-staten ten nauwste verbonden. De staten die in deze periode een leidende rol gingen spelen, waren Florence, Milaan, Venetië en het Rome van de pausen. De ondernemers-bankiers van Florence waren de stuwende groep achter de vroege renaissance. Gedurende een groot deel van de 15de eeuw was de macht in deze stad in handen van de familie de' Medici. Cosimo de Oude stichtte de Platoonse Academie, alsmede de Biblioteca Laurenziana, en gaf tal van opdrachten aan architecten en kunstenaars die stijlvernieuwend zouden zijn. Zijn kleinzoon Lorenzo ‘il Magnifico' was de mecenas achter de schitterende periode van de hoogrenaissance in Florence. In Milaan hadden de Sforza's het heft in handen, een geslacht van condottieri (legeraanvoerders). De derde grote stad van Noord-Italië, Venetië, werd geregeerd door vooraanstaande koopmansfamilies. De grote culturele bloei van deze handelsrepubliek begon in de 16de eeuw. In Rome weerspiegelde de geest van de renaissance zich in het beleid van de pausen: zowel in de machtspolitiek van Alexander VI Borgia, meer renaissancevorst dan paus, als in het cultuurbevorderend bewind van Julius II.

Naast de grote steden droegen de vele kleine vorstenhoven (Urbino, Ferrara, Mantua), die dikwijls een schitterend mecenaat voerden, wezenlijk bij tot de nieuwe culturele bloei. In zijn Il cortegiano (= De hoveling, 1528), dat nog steeds geldt als een belangrijke bron voor de kennis van de renaissancemens uit begin 16de eeuw, tekent Baldassare Castiglione de ideale ontplooiing van de edelman en -vrouwe en de eisen waaraan zij moeten voldoen om in ieder opzicht als volmaakt edel te kunnen gelden. Zijn recept is het ideaal van de armae et litterae (Lat., lett.: wapenen en letteren): in oorlogstijd goed oorlog kunnen voeren en in vredestijd kunsten en wetenschap begunstigen. Tot de vorstelijke deugd behoorde ook het aanleggen van een verzameling van naturalia (mineralen, fossielen e.d.) en/of artificialia (door mensen gemaakte voorwerpen als schilderijen, instrumenten, objecten uit de oudheid e.d.). Dergelijke verzamelingen zouden de voorlopers van het moderne museum worden.

De renaissance is in de eerste plaats een geestesbeweging, een cultuurstroming in de breedste zin van het woord. Als zodanig wortelt zij in de nieuwe geesteshouding die in de middeleeuwen het eerst baanbrak in Italië, waar omstandigheden als de vooral door de kruistochten veroorzaakte economische opleving, de emancipatie van de stedelijke burgerij, een weinig ontwikkelde feodaliteit en het bestaan van antieke restanten en tradities haar ontwikkeling bevorderden.

Het denken van de middeleeuwse mens was gericht op religie en het hiernamaals. De ‘goddelijke wereldorde' van de middeleeuwen, door theologen gesystematiseerd in de scholastiek, verloor zijn primaat. Het humanisme droeg de bouwstenen aan van het nieuwe wereldbeeld, zich mede baserend op antieke denkbeelden. De Renaissance keek vooral naar menselijke activiteiten: men ontdekte opnieuw de schoonheid van de wereld en het menselijk lichaam. In het begin leek deze belangstelling in strijd met het christelijk geloof. De mensen uit de klassieke oudheid waren volgens het christendom heidenen, aan wie God zich niet had geopenbaard. Toch werd hun denken geaccepteerd.

De intellectuele bedrijvigheid in de periode van de renaissance, en met name de wijsgerig-literaire en de godsdienstige aspecten daarvan, vat men meestal samen onder het begrip humanisme.

Op het gebied van de exacte wetenschappen kan het begrip renaissance slechts met reserve worden gehanteerd. In feite vormde deze periode de opmaat naar de eruptie van wetenschappelijke activiteit die in de 17de eeuw zou plaatsvinden ( Galilei, Harvey, Newton). Door hun kritische instelling, hun weetgierigheid en hun zin voor het experiment baanden de renaissancegeleerden, zich baserend op wat de middeleeuwen hun hadden nagelaten, de weg voor deze ontwikkeling, bijv. op het gebied van de geneeskunde, Paracelsus, Vesalius, en op dat van de astronomie, Copernicus.

De vooruitgang van de techniek, ook al in de middeleeuwen aangevangen, zette zich in versneld tempo voort. Van enorme invloed was de uitvinding van de boekdrukkunst.

Een schitterende, maar oppervlakkige filosofie beheerste de wereld van de renaissance, waarin uiterlijke vorm en zakelijk effect de boventoon voerden. In sterke mate gold dit ook op het gebied van de politiek. De grote theoreticus op dit terrein was Machiavelli, de schrijver van het invloedrijke Il principe (= De vorst, 1513), waarin de moraal geheel naar de achtergrond geschoven wordt ten gunste van een efficiënt staatsbeleid dat is gebaseerd op macht.

Bij de maatschappelijke elites kreeg de vrouw een nieuwe positie: talrijker werden de vrouwen die een sociale rol speelden (Isabella d'Este) of als dichteres optraden (Vittoria Colonna). Tegelijkertijd echter eiste de heksenvervolging ook in Italië slachtoffers onder het volk, met uitzondering van de republiek Venetië.

Het teruggrijpen naar de oudheid had veel invloed op de kunstenaars uit de Renaissance. Bouwkunst, schilderkunst en beeldhouwkunst werden in de Renaissance voor het eerst als vrije kunsten gezien in plaats van een soort ambachtelijk handwerk. Meer en meer willen de kunstenaars de dingen weergeven zoals ze werkelijk zijn. De mens en de natuur komen op het voorplan, in tegenstelling met de middeleeuwen, waarin God een centrale rol speelde. De kunstenaars uit deze periode zorgden voor een wedergeboorte van de kunst uit de klassieke oudheid (Rome en Griekenland).

De beoefenaren van architectuur en beeldende kunst emancipeerden uit de middeleeuwse positie van anonieme handwerkslieden. Zij streefden naar de maatschappelijk hoge status van geleerde (beoefenaar van de artes liberales of vrije kunsten) door het opstellen en toepassen van ‘natuurwetten': de schilders zochten naar de wetten van de perspectief, de architecten naar die van de proporties. Een wetenschappelijke instelling werd kenmerkend: kunstenaars bedreven nauwgezette natuurstudie en historisch onderzoek. De uomo universale (Ital., = universele mens) werd hun ideaal. Vele kunstenaars waren dan ook schilder zowel als beeldhouwer en architect. Het streven naar veelzijdigheid leidde ook tot dilettantisme (v. Ital. diletto = verlustiging): het beoefenen van de kunsten uit vreugde en niet om in het levensonderhoud te voorzien. Leon Battista Alberti was de eerste dilettant-architect en vertegenwoordigde tevens reeds het type van de ‘uomo universale'; hij was ook dichter, kunsthistoricus en atleet. Als prototype van de ‘uomo universale' geldt Leonardo da Vinci (kunstenaar, geleerde, technicus en uitvinder).

De belangrijkste architect uit de vroeg-renaissance is Brunellischi. Hij is de bouwer van onder andere de dom van Florence en het vondelingenhuis te Florence. Een aantal schilders uit deze tijd zijn Masaccio, Fra Fillipo Lippi en Mantagna. Eén van de bekendste schilders uit de vroege-renaissance is ook zeker Sandro Botticelli. Botticelli was niet alleen kunstschilder maar kreeg ook een opleiding tot goudsmid. Zijn schilderkunst wordt gekenmerkt door de sierlijkheid waarmee hij zijn vaak weemoedige figuren weergeeft. Het kleurgebruik speelt voor hem een ondergeschikte rol.

Kenmerken van de Vroeg Renaissance:
- Kenmerkend voor de Renaissance-schilders was het afbeelden van het menselijk naakt naar Klassiek voorbeeld. De Griekse beelden uit de Klassieke periode kenmerken zich doordat de schoonheid belangrijker werd gevonden dan het natuurgetrouw afbeelden van een menselijk lichaam. Griekse kunstenaars waren altijd met het vinden van evenwicht tussen de werkelijkheid en een esthetische weergave daarvan bezig. De beelden van de Grieken geven daardoor een geïdealiseerd beeld van het menselijk naakt. In de Renaissance was een volumineus naakt een ideaal beeld van de mens.
- Een nadruk op de anatomie en evenwichtige verhoudingen die wetmatig waren vastgelegd. Doordat kunstenaars in de Renaissance de anatomie gingen bestuderen kwamen ze er achter dat het inwendige van het menselijk lichaam van invloed is op de uiterlijke vorm van het lichaam. De mensen op schilderijen uit de Renaissance gaan er daardoor erg realistisch uitzien. De kennis van het lichaam kwam pas tot zijn recht wanneer naakte of bijna naakte mensen geschilderd werden. Om het schilderen van het menselijk naakt in mythologische verhalen geaccepteerd was en in een andere context niet, schilderden Renaissance-schilders graag mythologische verhalen.
- Een ander belangrijk kenmerk van de Renaissance is de bloei van het natuurwetenschappelijk onderzoek (universiteiten): dat hield in een grondig zoeken naar harmonie, op elkaar afgestemde verhoudingen (proportieleer) en de menselijke maat als duimstok voor de maat van allerlei dingen om hen heen.
- In de schilderijen uit de Renaissance vinden geen afsnijdingen plaats en de figuren staan in een denkbeeldige driehoeks/ovaal-compositie gerangschikt. Dit werd als evenwichtig en harmonieus ervaren. In de Renaissance-schilderijen is een voorkeur voor een symmetrische compositie.
- De onderlinge verhoudingen van de figuren zijn op elkaar afgestemd. De natuur is met aandacht geschilderd en voor het eerst worden de wetten van het perspectief toegepast. Dit wil zeggen dat alle lijnen op een schilderij in één centraal punt samenkomen.
- In de schilderkunst worden naast religieuze onderwerpen ook mythologische en allegorische thema's gebruikt.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 2108.