kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 31-12-2015 voor het laatst bewerkt.

achtervoegsel

Achtervoegsel

Een achtervoegsel (of: suffix) is een taalelement (een affix) dat niet als los woord kan voorkomen, maar aan een grondwoord, de woordstam, wordt toegevoegd, waardoor een nieuw woord ontstaat. Het suffix is een taalkundig achtervoegsel en als zodanig een gebonden morfeem.

Zo kunnen met behulp van het achtervoegsel -er van de stam van veel werkwoorden zelfstandige naamwoorden worden afgeleid, bijvoorbeeld: heler, ondernemer, ziener enz. Met het achtervoegsel -ig kunnen bijvoeglijke naamwoorden worden gevormd van zelfstandige naamwoorden, bijvoorbeeld: glazig, hoekig, hufterig enz.

Andere voorbeelden van achtervoegsels zijn: -baar, -dom, -heid, -lijk, -ling, -loos, -waarts.

Suffixen worden gebruikt om nieuwe woorden af te leiden van andere woorden en dienen onderscheiden te worden van uitgangen, die een rol spelen bij vervoeging of verbuiging.

Het onderscheid tussen achtervoegsels (waarmee een afleiding wordt gevormd) en uitgangen (waarmee een woord wordt verbogen of vervoegd), wordt in de Nederlandse taalbeschrijving gemaakt, maar komt in vele andere grammatica's niet voor. Zo gebruikt het Engels in beide gevallen het woord "suffix", zo nodig onderscheiden met "derivational suffix" en "inflectional suffix".

Er bestaan twee soorten suffixen, die twee verschillende doelen dienen:
. er kunnen afleidingen mee worden gevormd van het grondwoord (afleidingssuffixen), of
. ze kunnen de grammaticale functie van een woord uitdrukken (buigings suffixen).

Afleidingssuffix
Alleen suffixen van het eerste type, de afleidingssuffixen, worden in de beschrijving van het Nederlands met de term "suffix" of "achtervoegsel" aangeduid.
. hoog — hoogheid
. hoop — hopeloos
. een — eenzaam — eenzaamheid

Buigingssuffix of buigingsuitgang
De Nederlandse taalbeschrijving (bijvoorbeeld de Algemene Nederlandse Spraakkunst en het Groene Boekje) gebruikt voor het tweede type, de buigingssuffixen, de benaming uitgang. Hier gaat het bijvoorbeeld om de vervoeging van werkwoorden, en de verbuiging van bijvoeglijke en zelfstandige naamwoorden:
. rijd — rijdt (werkwoordsvervoeging: grammaticale persoon)
. rijd — rijden (werkwoordsvervoeging: grammaticaal getal)
. Mark — Marks (verbuiging zelfst. naamw.: bezitter)
. mens — mensen (verbuiging zelfst. naamw.: grammaticaal getal)
. slecht — slechte (verbuiging bijv. naamw.)
. slecht — [de] slechten (verbuiging bijv. naamw., zelfstandig gebruikt)
. slecht — slechter — slechtst (verbuiging bijv. naamw.: trappen van vergelijking)

. Ook naamvallen worden in vele talen, bijvoorbeeld in het Duits, met zulke suffixen uitgedrukt.

Internationale terminologie
Internationaal worden beide soorten met de term "suffix" aangeduid, hoewel bijvoorbeeld het Engels en het Duits voor buigingssuffixen ook de termen ending resp. Endung gebruiken. Het Nederlandse equivalent is "uitgang".

In de Engelstalige linguïstische terminologie worden bovendien de derivational suffixes (afleidingssuffixen) onderscheiden van de inflectional suffixes (buigingsuitgangen).

In de Griekse en Latijnse taalkunde wordt binnen de suffixen eenzelfde onderscheid gemaakt tussen vervoegings-/verbuigingssuffix enerzijds en afleidingssufix anderzijds; in principe zou je ook in de taalkundige traditie der classici een verbuigingsuitgang wel onder de suffixen kunnen scharen, maar in de praktijk (ook schriftelijk) wordt daar met "suffix" toch uitsluitend een afleidingssuffix bedoeld, nooit een uitgang. Door dit pregnante gebruik van het woord "suffix" wordt feitelijk een nieuw lemma toegevoegd aan de woordenboeken, voor "suffix" in de zin van "uitgang" geldt dit niet.

Meestal (niet altijd) verandert een woord trouwens van woordsoort na toevoeging van een afleidingssuffix (e.g. woord-woordeloos), in tegenstelling tot na toevoeging van een uitgang.

Taalafhankelijkheid
Niet alle talen kennen suffixen. In een isolerende taal - het meest extreme geval van een analytische taal - bestaan geen suffixen, doordat in die talen ieder woord maar uit één morfeem bestaat.

In zeer sterk agglutinerende ofwel polysynthetische talen daarentegen spelen morfemen een centrale rol: door het aaneenrijgen van reeksen morfemen kunnen gewone woorden lange tot zeer lange, samengestelde en complexe vormen aannemen en zodoende de functie vervullen van hele zin). De elementen die daartoe gebruikt worden zijn suffixen, prefixen, circumfixen, confixen en infixen. We zouden hier in feite eerder spreken van een samenstelling dan van een afleiding.

Voorbeelden van Nederlandse suffixen
-aar, -er vormt zelfstandige naamwoorden van werkwoorden; betekenis: 'persoon die de handeling uitvoert': bakker, verzamelaar
-aard, -erd vormt zelfstandige naamwoorden van bijvoeglijke naamwoorden; betekenis: 'persoon met de door het bijvoeglijk naamwoord uitgedrukte eigenschap': luiaard, lieverd
-achtig vormt bijvoeglijke naamwoorden van zelfstandige naamwoorden en bijvoeglijke naamwoorden, in beide gevallen met de betekenis 'lijkend op, net als': beestachtig, blauwachtig
-heid vormt zelfstandige naamwoorden van bijvoeglijke naamwoorden: ongelijkheid, boosheid
-(er)ig vormt bijvoeglijke naamwoorden van zelfstandige naamwoorden en bijvoeglijke naamwoorden, lijkt qua betekenis sterkt op -achtig: bezitterig, groenig

-ij (varianten -arij, -(e)nij, -(d)erij, -dij) vormt zelfstandige naamwoorden
van werkwoorden; betekenis:
. het enige tijd uitvoeren van de handeling, vaak pejoratief: knoeierij, vleierij
. plek waar de handeling plaatsvindt: bakkerij, spinnerij, wasserij
van zelfstandige naamwoorden; betekenis:
. plek waar een persoon verblijft, woont of werkt: abdij, boerderij, kanselarij
. verzamelwoord: het geheel van wat op het grondwoord betrekking heeft: ambtenarij, voetballerij
van bijvoeglijke naamwoorden; betekenis: 'de door het bijvoeglijk naamwoord uitgedrukte eigenschap hebbend': woestenij, lekkernij

-ing maakt van een werkwoord een zelfstandig naamwoord: bedoeling, omheining
-je vormt verkleinwoorden
-lijk vormt bijvoeglijke naamwoorden
. van zelfstandige naamwoorden: deugdelijk, koninklijk
. van werkwoorden: verwerpelijk, wenselijk

-logie (van het Griekse -λογια (-logia), sprekend, van λεγειν (legein), spreken) vormt zelfstandige naamwoorden, met als betekenis "de studie van ___", zoals in: dendrologie, mineralogie
-logie (van het Griekse λογος (logos), woord) vormt zelfstandige naamwoorden, die een taalkundig verschijnsel beschrijven, bijvoorbeeld: tautologie

-schap vormt zelfstandige naamwoorden
van bijvoeglijke naamwoorden: blijdschap, verwantschap
van zelfstandige naamwoorden:
. verzamelwoorden: broederschap, vennootschap
. woorden die 'het zich in de hoedanigheid bevinden' aangeven: ballingschap, kluizenaarschap
van werkwoorden: weddenschap, wetenschap

-te vormt zelfstandige naamwoorden van bijvoeglijke naamwoorden: hoogte, leegte

Overige voorbeelden
. voorbeelden van uit het Latijn afkomstige suffixen: -teur/-trice/-tor/-trix, -teit, -tie
. -stan

Zie ook affix, circumfix, infix, prefix


Copyright, This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Suffix
Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 686.