kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 12-12-2008 voor het laatst bewerkt.

Arthur van Schendel

Nederlands romanschrijver, geboren Batavia 5 maart 1874, overleden Amsterdam 11 september 1946.

Pseudoniemen: U.v.L. en Ubu van Lekkere.

Arthur van Schendel zou ingedeeld kunnen worden onder de neo-romantiek, een groep schrijvers rond het jaar 1910, daarom ook wel 'De generatie van 1910' genoemd.

Aan het begin van de 20ste eeuw ontstond bij een aantal auteurs een afkeer van het naturalisme. Ook het realisme zoals dat voorkomt in toneelwerk van Herman Heijermans lokte reacties uit. Rond het jaar 1910 zoekt een groep schrijvers het in de ‘vlucht van de verbeelding’. Daartoe behoren Arthur van Schendel (1874-1946),
Aart van der Leeuw (1876-1931), Augusta de Wit (1864-1939) en Nescio (pseudoniem van J.H.Grönloh). Aart van der Leeuw en Van Schendel grepen hiervoor naar het genre van de historische roman. Een kenmerk van de stijl van De Leeuw en Van Schendel is dat ze een sterk suggestieve beschrijving geven. Ze schrijven niet, zoals de negentiende-eeuwse auteurs gedetailleerd over allerlei historische gegevens maar doen een beroep op de verbeelding van de lezer, ze schrijven sterk suggestief. ( positie van de hoofdpersonen belangrijker dan de psychologische uitbeelding van hen. Hij beschreef een droomwereld, waarin weemoed en eenzaamheid een grote rol spelen.

Levensloop
Geboren in 1874 te Batavia als Arthur François Emile van Schendel sr., Zoon van Charles George Henri François van Schendel, officier in het Nederlandsch-Indische leger, en Johanna Louisa Henriette Lippe.

In 1875 reist het gezin met verlof naar Nederland i.v.m. de slechte gezondheid van de vader. In 1877 gingen ze weer terug naar Indië.

De vader, aan wie hij goede herinneringen behield, stierf al kort daarop in 1880, waardoor moeder achterbleef met de zorg voor vijf kinderen. De moeder verwaarloosde hem verregaand. Van geregeld onderwijs kwam weinig: tussen 1880 en 1888 zo nu en dan op lagere scholen in Haarlem, Den Haag en Amsterdam, daarna één jaar HBS, maar door geldgebrek werd ook deze opleiding afgebroken.
Wel las hij veel, vooral Shakespeare en Multatuli. Aan zijn lot overgelaten maakte hij lange, eenzame zwerftochten. Vanaf zijn dertiende tot zijn achttiende schreef hij, naar eigen zeggen, 'vele verzen en treurspelen'.

Op zijn veertiende gaat hij zelfstandig wonen, heeft allerlei baantjes, doet een zelfstudie Engels en bezoekt dank zij een beurs vanaf 1891 de Amsterdamse toneelschool, die hij 31 januari 1893 verlaat omdat hij kiest voor het schrijven.

De verzen die hij dan schrijft stuurt hij naar 'De Nieuwe Gids' en naar 'Groot Nederland', Kloos en Van Eeden, zijn goden destijds. Gedrukt worden ze nergens. Op raad van anderen legt hij zich dan toe op het proza zonder daarin ooit het poëtische te verloochenen - vaak zelfs schrijft hij in dichtvorm de eerste versie, die voor de druk als proza herschreven wordt.

Arthur van Schendel woonde enige tijd in het huis van zijn zus in Apeldoorn. Mei-november 1893 begint hij aan zijn eerste verhaal, ‘Drogon’, dat hij in januari 1894 voltooit. Hij stuurt het op naar Van Loghem, die het verkeerd geadresseerd terug zendt, zodat hij het pas twee jaar later via Soerabaja weer in zijn bezit krijgt. In 1896 wordt het gedrukt door de uitgever W. Versluys met plaatjes van Marius Bauer.
Drogon, een vertelling over een gedoemde ridder, was een reactie op het naturalisme van de Tachtigers en wordt tot de neoromantiek gerekend. Van Schendel toonde zich een onafhankelijk auteur: een vroege symbolist in een tijdvak van heersend naturalisme. De critici merkten hem op. Kloos schreef: 'ernstig en echt.' Zowel de gekozen periode als de sfeer van noodlot, voorgevoel, mysterieuze mogelijkheden enz. wekte de bewondering van Diepenbrock.

Vriendschap wordt gesloten met Willem Witsen, Willem Kloos, Verwey, Gorter. Vooral van Gorter was hij een groot bewonderaar. Later maakte hij kennis met Jan Toorop, Aart van der Leeuw, met wie hij een uitgebreide correspondentie voerde over stijlkwesties, Henriette en haar man Rik (R.N.) Roland Holst. In omgang en voorkomen maakt de jeugdige schrijver vergeleken met leeftijdgenoten een volwassener indruk, zoals ook in zijn geschriften.

Studeerde MO-Engels (1896). In 1900 behaalde hij zijn akte. Enige tijd (1896-1901) gaf hij Franse les in Engeland. In 1901 en 1902 is hij leraar in Haarlem. Dan trekt hij weer heen en weer (Engeland, Wales, Nederland (1902-1905)). Hij heeft zelfs enige tijd in het Engels geschreven en in zijn syntaxis blijft de invloed van die taal onderkenbaar.

Gehuwd sinds 13-8-1902, tot haar dood op 15-5-1905, met Bertha Jacoba Zimmerman. Uit dit huwelijk werden twee dochters geboren. Na de dood van zijn dochtertje reisde Van Schendel in 1905 naar Italië.

Eenzaamheid, zwerven en onvervulbaar verlangen werden thema van zijn bekende Een zwerver verliefd uit 1904. Enig succes werd nu zijn deel. De beide romans over de zwerver Tamalone - het eerste werk werd in 1907 door Een zwerver verdwaald gevolgd - werden meermaals herdrukt. Het zijn in hun bijna plaats- en tijdloze avontuurlijkheid verbeeldingen van een volstrekt vrij bestaan, vol geluksverlangen, eenzaamheid en melancholie. Het symbolische karakter ervan is onmiskenbaar.

Andere en betere boeken die hij liet volgen werden niet steeds over de gehele linie van recensenten en lezers gewaardeerd. Soberheid is al vroeg het kenmerk van zijn werk. Later zal men - met name Menno ter Braak - zelfs spreken van een 'vervagingstechniek' - een wat ongelukkig gekozen term voor geenszins vaag, maar beknopt, haast kroniekmatig noterend proza.

Hertrouwd op 14-5-1908 met Anna de Boers. Uit dat huwelijk zijn 1 dochter en 1 zoon geboren. Hij vestigde zich als literator in Ede, na 1912 in een huis met Indisch voorkomen en met een grote tuin. Liefdevol vader voor zijn gezin, hard en nauwgezet werkend aan vele boeken.

In 1909 maakt hij een voettocht door het Zwarte Woud met Aart van der Leeuw.
In 1913 reisde hij naar Spanje en in 1914 naar Palestina (ter voorbereiding op 'De mens van Nazareth).

Wegens ziekte van zijn tweede vrouw vertrekt het gezin in 1920 naar Italië waar ze op verscheidene plaatsen wonen; later vooral te Sestri Levante.

Merona, een edelman (1927)

Met Het fregatschip Johanna Maria (1930) begon Van Schendel een nieuwe periode, gekenmerkt door een voorkeur voor de 19de eeuw en aanwending van een concreter en reëler stijl. Het gaat over zeilmaker Jacob Brouwer die erg gehecht raakt aan het schip waarvan hij de eerste vaart meemaakt.
Dit 'Hollandse' boek - waarschijnlijk in Groningen begonnen, waar Van Schendel van april 1928 tot maart 1929 wegens ziekte van zijn zoon verbleef, en in Italië najaar 1929 voltooid - verscheen eerst in De Gids (1930). Het bezorgde de 55-jarige schrijver de aanmoedigingsprijs van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, en een veel groter lezerskring dan hij tevoren had gekend.
1931 - C.W. van der Hoogtprijs voor Het fregatschip Johanna Maria

Nog een aantal 'Hollandse' romans volgen. In een bijna kroniekachtige weergave beschrijft hij daarin het lot van Hollandse burgers, schippers, handelaars en tuinders, wier kleine bestaan wordt beheerst door de wijsgerig-religieuze problematiek van determinisme of vrije wil, noodlot of toeval, erfelijkheid of omstandigheden, menselijke zonde en Gods genade. In de toonzetting van een rustig-epische stijl keren hier na een kwart eeuw allerlei grondvragen van het naturalisme terug.

Veel succes kennen de romans van de jaren dertig - alle in de negentiende eeuw, en in Holland gesitueerd - Het fregatschip Johanna Maria (1930), De Waterman, (1933), Een Hollandsch Drama (1935), De grauwe vogels (1937).
Naast deze door sommige kritieken, 'wat somber' genoemde werken verschijnen de prachtige verhalenbundels, vol spottende humor en milde ironie, zoals Herinneringen van een dammen jongen (1934) en Anders en eender (1939). Ze worden nauwelijks gelezen, slechts de raamvertelling De Wereld een dansfeest (1938) werd populair.

In 1930 ging hij in Parijs wonen, waar zijn kinderen studeerden. In 1933 ging hij terug naar Italië, waar hij in Sestri Levante ging wonen (tot 1945).

1933 - Tollens-prijs voor zijn gehele oeuvre

Van Schendel was ook een bijzonder begaafd novellist. Tot zijn eerste periode behoort het klassiek geworden 'Maneschijn'. In de jaren dertig schreef hij talloze bijdragen in het Haagse dagblad Het Vaderland, waarin de kenmerken zowel van de tweede als van de derde periode duidelijk aanwijsbaar zijn. Samengebracht in talrijke bundels, vertegenwoordigen zij een groot schrijverschap in een klein bestek en voegen er nog enkele kwaliteiten aan toe: de levenswijsheid van de reiziger, de verwondering om de zichtbare dingen, de liefde voor de gewone mensen, de eenvoud van een goede vriend.

Zijn meesterschap vindt alom waardering, vooral bij de zogenoemde Forum-groep. Met hen heeft hij ook hechte vriendschapsbanden: Eddy du Perron, Jan van Nijlen, Menno ter Braak, Jan Greshoff en Hein 's-Gravesande - de laatste zijn latere biograaf.

Over zijn werk uit hij zich nauwelijks. Voor hij begint te schrijven is er hard gewerkt en diepgaand studie gemaakt van de tijd en omstandigheden die het raam van zijn volgend werk zullen zijn. Nochthans is dat studiemateriaal in het werk zelf geheel terzijde gesteld. Enkel sporadische, maar heldere en voldoende, mededelingen in de tekst geven ons inlichting over de tijdsomstandigheden. Het concept van het geheel was reeds voor de aanvang van het schrijven volledig in de geest van de schrijver gevormd. Van Schendel zelf was wars van elke kerkelijke of politieke gebondenheid, en in zijn romanfiguren toont hij zich dwars tegen de burgerlijke maatschappij.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog woonde Arthur van Schendel (noodgedwongen) in Italië (in Sestri Levante).
De dreiging van het fascisme, de oorlog, de dood van zijn vrienden - Ter Braak en Du Perron -, de gedwongen verwijdering van zijn land en de rampen die dat treffen werkten zeer neerdrukkend op hem. Hij was fel tegen de verdrukkers: 'ongedierte' schold hij hen. Het fascisme: 'een ander soort socialisme, het denkt met de laarzen'. Zijn boeken werden verboden: 'geestelijk nihilisme' heette het. Zijn naam mocht niet langer genoemd. In dat isolement, verzwaard door lichamelijk lijden, schrijft hij nog een aantal prachtige boeken.

In De wereld van een dansfeest (1938) deed Van Schendel afstand van een alwetend schrijverschap en gaf hij zijn figuren een dimensie van onkenbaarheid, bijv. door ze enkel te laten bestaan in de wisselende verhalen van hun omgeving.

De menschenhater (1941)

Het oude huis (1946).
Na het wezen van de mens te hebben gezien en verbeeld als verlangen, daarna als kruispunt van wetmatigheid en geweten, is Van Schendel geëindigd met een visie van veelvuldige schijn rondom een kern van ondoorgrondelijkheid. Geheel afgezien van de artistieke kwaliteit van dit laatste proza dient men te erkennen dat het in zijn principe uiterst modern en actueel was.

Bij de bevrijding van Italië ging hij de straat op en kreeg daar een hersenbloeding. Vanaf dat moment was hij gedeeltelijk verlamd. Hij werd naar Nederland vervoerd, maar was hierdoor zo uitgeput dat hij drie maanden het best moet houden. Toen hij van bed mocht, viel hij en brak een been. Hieroverheen kwam nog een longontsteking die hem fataal werd. Arthur van Schendel werd op 14-09-1946 begraven op begraafplaats Zorgvliet in Amstelveen (graf C-I-267).

P.C. Hooftprijs voor proza 1947 (postuum) voor 'Voorbijgaande schaduwen' (1948). Dit was de eerste P.C. Hooftprijs. Een beetje vreemd is de bekroning van van Schendel wel, want doel van de prijs was materiële ondersteuning van schrijvers. Daarom werd ook Amoene van Haersolte voorgedragen en werd het een gedeelde prijs.

In 1952 werd aan de Stadhouderskade in Amsterdam een bronzen borstbeeld van Van schendel onthuld (gemaakt door J.G. Wertheim). Dit borstbeeld is verdwenen.

Websites: www.dbnl.org, www.inghist.nl, www.schrijversinfo.nl, www.collegenet.nl


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 692.