kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Augusta de Wit

(bekend als Augusta de Wit; roepnaam: Gusta), schrijfster en journaliste,
Pseudoniem: G. (of George of Georges) W. Sylvius.

Augusta de Wit wordt beschouwd als een schrijfster uit de periode van de Neo-Romantiek.

Augusta de Wit werd geboren op 25 november 1864 te Siboga (nu Sibolga), op Sumatra's westkust. Haar vader Jan Carel de Wit, was resident van achtereenvolgens Tapanoelie, de Padangsche Bovenlanden en Timor, haar moeder was Anna Maria Johanna de la Couture.

Augusta de Wit bracht de jaren van haar leven als dochter van een hoge ambtenaar in Indië door, in kleine plaatsen en altijd buiten Java, onderbroken door een verblijf van twee jaar in Nederland. Augusta dweepte met de Indische natuur, die zij in haar werk zo veelvuldig zou beschrijven.

Augusta de Wit ging na een verblijf van acht jaar in Ned.-Indië in 1872 naar Nederland. In 1874 op haar tiende keerde de familie De Wit definitief terug naar Nederland en woonde achtereenvolgens in Helvoirt, Utrecht en Oosterbeek.

Na de lagere school en de meisjes-HBS in Utrecht bezocht te hebben studeerde zij engels aan het Bedford College te Londen en het Girton College te Cambridge.

Hierna keerde zij terug naar haar geboorteland waar ze van 1894 tot 1896 Duits, Engels en geschiedenis gaf aan de Hoogere Burgerschool voor Meisjes in Batavia.

Augusta de Wit maakte haar debuut als schrijfster van korte verhalen die onder het pseudoniem G.W. Sylvius verschenen. Zij schreef in reisreportages schetsen over Nederlands-Indië voor een Engelstalig blad de Singapore Straits Times, die in 1898 in Singapore gebundeld verschenen onder de titel 'Facts and Fancies about Java'.

Na haar terugkeer in Nederland was zij van 1896 tot 1905 lerares in Den Haag, waar zij zich tegelijkertijd toelegde op litterair en journalistiek werk.

De Wit's reizende en 'verbrokkelde' leven als correspondente voornamelijk op literair gebied van het Utrechtsch Dagblad, de Javabode en de Nieuwe Rotterdamsche Courant (NRC) begon. Zij woonde korte of langere tijd in onder meer Berlijn, Laren, Amsterdam (diverse adressen), Amersfoort, Lerici (Italië), Mittenwald en Fürstenfeldbruck (beide Beieren), Weimar, Oosterbeek, Freiburg im Breisgau, Zürich, Parijs en Granow/Neumark (Pruisen, voormalig DDR, waar haar zuster woonde).

Als literator debuteerde zij in 1895 en 1896 onder pseudoniem in Eigen Haard en De Gids met verhalen in de traditie van de Tachtigers, die in 1899 in haar debuut 'Verborgen bronnen' werden verzameld. Wat opvalt in haar boeken is dat zij kiest voor de zogenaamde ethisch politiek. Dat was de politiek waardoor men de inlanders wilde voorbereiden op meer autonomie en oog had voor het welzijn van de inlandse bevolking. Deze politiek speelde vooral in de jaren rond 1911 een belangrijke rol. Schrijvers hadden een vrij grote invloed hierbij omdat ze het grote publiek informeerden over de situatie in Indië. (Men kan hierbij ook denken aan de eerste schrijver die dit op indrukwekkende wijze deed; Multatuli.)

In 1903 schreef ze haar bekendste boek, de novelle 'Orpheus in de dessa', en de roman 'De godin die wacht', beide met Indische thema's. De novelle 'Orpheus in de dessa' (1903) behoorde tot de succesvolste boeken van Nederland uit het begin van de twintigste eeuw. Het boek werd verschillende keren herdrukt.

'Orpheus in de dessa' is een novelle waarin het tekort van de materialistisch gedreven Nederlandse fabrikant Bake zich pijnlijk toont als hij de fluitspelende Si Bengkok neerschiet: de muziek die de klassieke harmonie van het schone, het goede en het ware voor de menselijke verbeelding ontsluiert. Ze stelt de materialistische Bake tegenover de mysterieuze wijsheid van het oosten. Aan het slot van deze novelle wordt Bake zich bewust van het feit dat hij de inlander Si Benkok in de steek heeft gelaten, maar dan is het te laat om het onrecht te herstellen. En dit terwijl naar De Wits mening de westerse mens juist de oosterse zou kunnen helpen om tot ontwikkeling te komen. Deze opvatting - de zogenaamde ethische houding tegenover de inheemsen - plaatst haar evenzeer in de tijd van 1900 als dat het streven naar helderheid en waarheid haar dicht bij het nieuw-classicisme bracht, dat ongeveer terzelfder tijd een artistieke stroming kenmerkte. Aldus onderscheidde zij zich van andere schrijvers, die overwegend trouw bleven aan het naturalisme of zich beperkten tot een wat vlak realisme. Zij verwierf hiermee een eigen, zij het bescheiden, plaats in de Nederlandse literatuur.

Herman Gorter vroeg haar in april 1904 per brief (zij woonde op dat moment in Berlijn) 'bijgaand rapport over de Algemeene Staking zoo spoedig als het U mogelijk is, te vertalen en dan de vertaling aan Kautsky te zenden'. De Wit heeft dit blijkbaar gedaan, want in juni 1904 publiceerde Karl Kautsky het rapport in zijn tijdschrift Die Neue Zeit, zonder vermelding van de vertaler.

Litterair en journalistiek werk nam haar sinds 1905 geheel in beslag. Zij vestigde zich in Laren, waar zij tot 1910 woonde.

In 1907 verscheen de roman 'Het dure moederschap', De Wit's enige boek dat kan worden beschouwd als 'sociale belletrie' en dat zich afspeelt in het milieu van het Gooise textielproletariaat.

Tijdens een bijna driejarige reis door Nederlands-Indië schreef ze indrukken, die als feuilleton verschenen in de Nieuwe Rotterdamsche Courant en in 1914 ook in boekvorm uitkwamen (Natuur en menschen in Indië). Het Indië dat zij terug vond, was anders, vond zij, maar 'niet minder mooi, niet minder fantastisch.'.

Van 1914 tot 1921 woonde zij voornamelijk in Nederland, en uit deze periode dateren ook haar voornaamste politieke activiteiten. Zij waren zeer incidenteel en speelden zich zelden in de openbaarheid af. In april 1914 hield zij samen met Henriette Roland Holst in Groningen een spreekbeurt voor het Vera-Figner-Comité, dat zich inzette voor de verbannen Russische revolutionaire.
Voor Gorter maakte zij in 1915 een vertaling in het Duits, en wel van diens brochure Het imperialisme, de wereldoorlog en de sociaal-democratie uit 1914. Een eerdere vertaling door Anton Pannekoek was door Gorter afgekeurd, omdat Pannekoek volgens hem te veel in zijn tekst had ingegrepen. De Wit's vertaling verscheen in 1915 in Amsterdam als uitgave van de Sociaal-Democratische Partij (SDP) onder de titel Der Imperialismus, der Weltkrieg und die Sozialdemokratie. Gorter verontschuldigde zich in een voorwoordje voor de door de oorlogssituatie veroorzaakte gebreken van de vertaling.

Geboren en voor een belangrijk gedeelte van haar jeugd opgegroeid in het voormalige Ned.-Indië werd Augusta de Wit door dat land van herkomst in sterke mate bepaald. De verschillende functies die haar vader in dienst van het gouvernement vervulde, gaven haar de kans veel van dat grote eilandenrijk te zien. Deze vroege indrukken versterkte en corrigeerde zij door nog tweemaal gedurende enige jaren daar te werken en te reizen. Haar genegenheid voor land en volk, gepaard aan een kritische houding tegenover het Nederlandse, of in ruimere zin westerse, kolonialisme, dreef haar naar een voorkeur voor 'linkse' politiek.

In 1916 werd De Wit lid van de voorloper van de Communistische Partij in Nederland (CPN), de SDP, en van de Revolutionair-Socialistische Vereenigin, maar in geen van haar geschriften gaf zij van die keuze blijk. Zij was allerminst 'politiek', en volgens Henriette Roland Holst zeker niet in communistische zin.

De Communistische Partij was belangrijk voor haar omdat de Communistische Partij Holland de enige politieke partij was, die de autonomie van Nederlands-Indië in het programma had staan. Dit onderschreef Augusta ook door in haar werk een kritische houding aan te nemen ten opzichte van het kolonialisme dat zij ethisch niet kon rechtvaardigen.
In het eerste nummer van 1917 van het SDP-orgaan De Nieuwe Tijd trad zij voor het eerst met haar politieke overtuiging in de openbaarheid met de curieuze autobiografisch-allegorische tekst: 'Woorden vliegen als bijen uit', over een 'Hollandsche vrouw', die 'ver van Holland' onder een meidoorn staat en door 'woord-bijen' tot revolutionair handelen wordt bekeerd. 'En van gene zij en van deze te samen', zo eindigt de tekst, 'van uit verten ongezien, steeg op millioenen wieken het lied dat in alle landen viert werkers strijd en broederschap. De vrouw in den Meidoorn vernam het, door 't bonzen heen van haar hart ... En zieke hoop stond op en genas aan ... o! de ziels-artsenij van het woord, dat uitvliegt als de bijen.' Waarmee een indruk is gegeven van De Wit's karakteristieke stijl en van de opvatting van haar taak binnen de socialistische beweging. In een brief aan Willem van Ravesteyn formuleerde zij het in 1916 zo: 'Dit soort werk, litteratuur te maken tot een voertuig van socialistische gezindheid, is het eenige dat ik voor de zaak kan doen. Ik ben onwetend aangaande de socialistische leer; ik kan, zelfs afgescheiden van die onwetendheid, niet debatteeren, als ervaring mij heeft geleerd. Ik kan alleen socialistisch gevoel laten zien als iets zeer schoons, en zoodoende, liefde daarvoor ontsteken. Het is niet veel, ik weet het wel. Maar het is alles wat een 'gevoelssocialist' kan.'

In 1918 en 1920 verschenen verhalenbundels met opnieuw Indische thema's: 'De wake bij de brug' en 'De drie vrouwen in het Heilige Woud'.

Eind 1919 of begin 1920 meldde De Wit zich aan bij de Bond van Revolutionair-Socialistische Intellectueelen.

Begin 1920 kwam De Wit's CPN-lidmaatschap landelijk in de openbaarheid toen De Telegraaf en de NRC(haar voornaamste werkgever) berichtten over haar deelname aan de geheime Amsterdamse conferentie van het 'West-Europeesch Bureau', een ontmoeting van communisten uit verschillende landen. De hoofdredacteur van de NRC wilde een schriftelijke toezegging dat zij in zijn krant geen propaganda zou maken voor haar denkbeelden. De Wit antwoordde per kerende post dat zij die toezegging 'gereedelijk kon geven, te meer, wijl niets veranderd wordt in de houding die ik sedert mijn officieel toetreden tot de Communistische Partij in 1916 in acht heb genomen'. Zij voegde er nog aan toe, dat zij niet als gedelegeerde van de CPN maar enkel op uitnoodiging en als tolk aan de conferentie had deelgenomen. Gevolgen bleven uit: zij zou nog tot het midden van de jaren dertig voor de NRC schrijven.

Schrijven voor de partij deed zij daarentegen nauwelijks nog, de laatste van haar zeven bijdragen (onder meer over Multatuli) aan De Nieuwe Tijd verscheen in 1921. Verdere activiteiten voor de CPN of een andere politieke partij zijn hierna niet bekend. Wel meldde zij zich in 1928 bij Henriette Roland Holst aan als abonnee van Klassenstrijd.

Toen Augusta de Wit begon te schrijven, was de invloed van naturalisme en impressionisme nog krachtig. Onder strenge voorwaarden kan men haar werk 'realistisch' noemen, naturalisme bleef haar vreemd, en met het impressionisme had zij alleen de hartstocht voor de waarneming gemeen. Het realisme van haar verhalen tendeert naar een aanschouwing die poogt het waargenomene met een ideale schoonheid te doorlichten totdat een schone werkelijkheid zichtbaar werd. Daarom spreekt zij in 'Gods goochelaartjes' (Amsterdam, 1932) van 'een schoone schijn die de omhullende openbaring is van schooner werkelijkheid'. Hoewel haar stijl eerder aan plastiek doet denken dan dat hij muzikale ontroering wekt, kreeg toch de muziek haar sterkste aandacht. In 'De avonturen van een muzikant' (Amsterdam, ca 1927) worden de vervoeringen die tot de aanschouwing van de schone werkelijkheid leiden, opgeroepen door muziek en water. Dit vloeibaar element verenigde voor haar de 'natuurlijke' geluiden met de helderheid van waarneming. Aldus werkten zintuiglijkheid en verbeelding samen op een wijze die haar een bescheiden, maar eigen plaats in de literatuurgeschiedenis verzekerde. Is zij verwant aan De Tachtigers in haar zien, dan stelt haar schouwen haar tussen de neoromantici.

In 1934 schreef zij in een brief aan de Belgische socialist Julien Kuypers: 'Het socialisme van Uw landgenoot Hendrik de Man, dát is het mijne. Het socialisme van de Religieus-Socialisten hier te lande.' Zij, wellicht eerder een fellow-traveller van Henriette Roland Holst dan van het communisme, volgde ook in dit opzicht haar vriendin. Uit diezelfde brief aan Kuypers blijkt ook, dat zij als 'gevoelssocialiste' haar hele literaire werk vanaf Orpheus in de Dessa als 'socialistisch' beschouwde: 'toen ik Orpheus in de Dessa schreef, wist ik niets van het socialisme. Maar ik moet al 'socialistisch' gevoeld hebben, in deze zin althans, dat ik de huidige inrichting van de maatschappij besefte onrechtvaardig te zijn en een oorzaak van leed. Later werd mij dat alles duidelijker, en dat is ook wel te zien aan mijn later werk, vooral aan De Wake bij de Brug en aan De drie vrouwen in het Heilige Woud.' In deze verhalenbundels met Indische thema's komt De Wit's overtuiging naar voren, dat de oplossing voor onrechtvaardigheid en leed alleen tot stand kon komen met behulp van de wel- en 'ethisch' denkende Nederlanders. Een opvatting die zij deelde met andere vertegenwoordigers van de zogenoemde ethische richting in de Nederlands-Indische letterkunde maar die niet strookte met de dekolonisatie-ideeën van de partij waarvan zij lid was.

Voor de Surinaamse communistische schrijver Anton de Kom vertaalde zij diens boek Wij slaven van Suriname (1934) in het Duits. De geautoriseerde vertaling verscheen in 1935 resp. 1936 bij de Moskouse Verlagsgenossenschaft ausländischer Arbeiter in der UdSSR en de eveneens aan de Komintern gelieerde Ring-Verlag in Zürich onder de titel Wir Sklaven von Surinam.

Na jaren in het Hollandse Utrecht doorgebracht te hebben, verhuisde ze in 1937 naar Baarn/oosterbeek. Hier onderhield ze ongetwijfeld contact met de Zuid-Afrikaanse schrijfster Daisy Junius, een nicht van de romanschrijfster Annie Foore. Daisy was uitgeefster en hoofdredactrice van een periodiek getiteld Nieuw vrouwenleven. Maandblad voor dames in Nederland en de kolonieën.. Ook de Indische publiciste Beata van Helsdingen-Schoevers werkte hieraan mee, zodat er op een gegeven moment een kleine 'koloniale' enclave was in Oosterbeek.

Tot op het einde van haar leven bleef zij schrijven, vooral korte verhalen. Augusta de Wit overleed op 9 februari 1939 te Baarn in het pension 'Groot Malva-hoeve' waar ze twee jaar woonde. Zij werd op de Algemeene Begraafplaats te Oosterbeek begraven.

De stijl van De Wit rekent men tot de neo-romantiek. Zij stelde de artistieke verbeelding centraal en trachtte in haar werk de wereld mooier voor te stellen, dan zij in werkelijkheid is. In de aan De Wit gewijde necrologieën werd weinig of niet gesproken over haar politieke activiteiten.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 1958.