kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Carry van Bruggen

Nederlands schrijfster en essayiste, geboren 1 januari 1881 te Smilde, overleden 16 november 1932 te Laren (Nh). Carry van Bruggen schreef romans, toneelstukken, essays en filosofische werken. Haar vroegste werk is realistisch-psychologisch. Haar later werk is meer autobiografisch en geeft vaak een beeld van haar jeugd en het joodse milieu.

Pseudoniemen: Justine Abbing, May. Haar eerste boeken publiceerde ze onder de naam Carry v. Bruggen-de Haan, na 1915 onder Carry van Bruggen. Ook na haar scheiding van Kees van Bruggen en haar huwelijk met A. Pit bleef ze schrijven onder de naam Carry van Bruggen.

Levensloop
Carolina Lea de Haan werd geboren Kloosterveen (gem. Smilde), in een gezin dat uiteindelijk 16 kinderen zou tellen. Ze was de dochter van de streng joods-orthodox voorzanger en godsdienstonderwijzer Izak de Haan en Betje Rubens, Carry was het derde kind, haar broer, de later bekende schrijver Jacob Israël de Haan het vierde kind.

In 1882 vertrok de familie De Haan naar Gorredijk. In Gorredijk kreeg vader De Haan een aanstelling als rabbijn. Hij kwam hier al snel in conflict met de zelfs voor vader De Haan conservatieve gemeente. In 1885 kreeg hij dan ook zijn ontslag, waarna het gezin De Haan naar Zaandam vertrok. Hier werd Izak in een soortgelijke functie benoemd. Ook in Zaandam kwamen al spoedig conflicten met het bestuur. In deze conflicten speelde de geringe betaling van de functie een rol. Door het steeds toenemende kindertal in het gezin De Haan was de financiële situatie er verre van rooskleurig.

Carry van Bruggen bezocht te Zaandam de gemeentelijke ULO-school, volgde vanaf ongeveer 1895 aan de normaalschool een opleiding tot onderwijzeres en vestigde zich als zodanig vanaf oktober 1900 te Amsterdam. Hier kwam zij door toedoen van haar broer Jacob Israël de Haan in contact met een studentikoos en artistiek milieu.

6 januari 1904 huwde ze de socialist, journalist en letterkundige Kees van Bruggen. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren.
Kees was onder meer redacteur en criticus van Het Volk en Algemeen Handelsblad en werd bekend door de roman "Het verstoorde mierennest" (1916). Deze roman speelt zich af in een fantasiewereld.

Carry brak met haar joodse traditie en vertrok met haar echtgenoot naar Delhi en Nederlands-Indië. Kees had voor Carry zijn echtgenote verlaten, werd ontslagen en dacht in Nederland geen voet meer aan de grond te krijgen."We hadden het land niet lief en zouden er geen vrienden maken", zou zij er in 'Bij 't heengaan' (De Nederlandsche Spectator 48 (1907) 234) van zeggen. De dubbele moraal die ze er aantrof in rechtsgevoel en seksuele opvattingen heeft in haar romans Goenong-Djatti (1909) en Een Indisch huwelijk (1921) haar kritische neerslag gevonden. Wel schreef zij op Sumatra boekbesprekingen en een vrouwenrubriek in de Deli Courant, waarvan haar man redacteur was, en novellen in het Weekblad voor Indië.

In 1907 keerde het echtpaar terug in Nederland en debuteerde Carry van Bruggen met verhalen in de bundel In de schaduw (Van kinderleven). Dit is het eerste van een vijftal boeken die zij tussen 1907 en 1910 het licht zou doen zien en die deels handelen over het leven in de tropen, deels zich afspelen in het joodse milieu van haar jeugd. Ze zijn alle geschreven onder invloed van de literaire mode van die tijd, het naturalisme, waarbij de gedetailleerde sfeertekening van een dominant milieu het belangrijkste thema vormt.

Carry van Bruggen schreef voor tal van tijdschriften, o.m. voor Groot Nederland en De Gids. Veel van haar werk werd gepubliceerd onder het pseudoniem Justine Abbing. Na grotendeels op eigen kracht Frans, Duits en Engels geleerd te hebben, heeftze zich ook intensief met vertaalwerk beziggehouden. Zo vertaalde zij werk van Sheridan en Shaw, en later nog van De Musset, Galsworthy, Hugh Walpole en Dumas (père).

Haar beste en meest succesrijke werk uit deze periode was De verlatene (1910), waarin zij in vier kinderen even zovele afwijkingen weergeeft van het orthodox-joodse patroon van de vader.

Intussen was Van Bruggen zich meer en meer gaan interesseren voor filosofie en daarbij vond ze steun en aanmoediging bij Frans Coenen met wie ze innig bevriend was geraakt.

Naar haar eigen zeggen achtte ze haar schrijverschap pas echt begonnen met de roman Heleen uit 1913 die gekenmerkt wordt door kritische zelfreflectie. Veel van haar werk vertoont autobiografische trekken, waarbij haar joodse jeugd vaak een belangrijke rol speelt. In Heleen maakt het beschrijvende plaats voor het meditatieve en filosofische dat haar latere werk zou kenmerken. In het enige interview met haar dat bekend is, met André de Ridder in Den Gulden Winckel 14 (1915) 97-102, zegt ze dat het realisme niet bij haar paste, dat ze met Heleen zichzelf geworden was, omdat de gemoedsbeschrijving hoofdzaak geworden was.

In 1914 gingen Carry en Kees van Bruggen uit elkaar. De officiële echtscheiding volgde 24-2-1917. Carry woonde inmiddels zelfstandig in Laren in het Gooi en voorzag in haar onderhoud voor haar en haar twee kinderen door lesgeven en het houden van lezingen.

Veel van haar ervaringen van haar huwelijk en echtscheiding verwerkte Carry in haar roman Een coquette vrouw (1915), waarin zij ook voortborduurde op het slot van Heleen en het probleem van de liefde die dienstbaar is zonder vernederend te zijn.

Het filosofische in het werk van Carry van Bruggen vindt zijn oorsprong in het dialectische denken van Hegel. Zij paste dat denken toe op de tegenstelling tussen collectiviteit en individu. Collectieven streven naar uniformiteit, naar absolute of algemeen geldende regels en dogma's. Voor het individu daarentegen zijn er geen vanzelfsprekendheden. De rol van het individu is steeds relativering van zekerheden, twijfel aan het algemeen aanvaarde.
Bij Carry van Bruggen echter is de individualist tevens de zoeker naar eenheid op een hoger niveau: in liefde, vriendschap, gemeenschapszin. Het zijn deze ideeën die zij uitwerkt in Prometheus (1919), waarin zij de ontwikkeling van individualiteit in de literatuur onderzoekt en de vloer aanveegt met alle vormen van conservatisme en verstarring. Prometheus mag wel één van haar belangrijkste werken genoemd worden en heeft een grote invloed gehad op het denken van Menno ter Braak.

In 1920 hertrouwde ze met de 21 jaar oudere kunsthistoricus A. Pit. In de eerste gelukkige jaren van dit huwelijk schreef ze onder andere de verhalenbundel "Het huisje aan de sloot" (1921). Voor deze bundel kreeg ze de prijs van de Maatschappij voor Nederlandse Letterkunde.

20-7-1920 hertrouwde ze met de kunsthistoricus Adriaan Pit. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. In de gelukkige eerste jaren van dit huwelijk schreef ze de uitstekende verhalenbundels Het huisje aan de sloot (1921), Avontuurtjes (1922) en Vierjaargetijden (1924), die vooral opvallen door de zachte herinnering, de acceptatie van het verleden. Het huisje aan de sloot behaalde zelfs de prijs van de Haagsche Post, die de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden toekende aan de beste roman van dat jaar.

Vooral onder het pseudoniem Justine Abbing, zagen wat mindere romans het licht als Uit het leven van een denkende vrouw (1920) en Het verspeelde leven (1922). In 1925 paste zij de grondgedachte van Prometheus toe op de taal in Hedendaagsch fetischisme, een analyse van moderne vormen van bijgeloof. Dit boek is meer op de taal als voertuig van formuleerbare zekerheden gericht. Het boek is emotioneel dan Prometheus, veel ironischer, en is vooral uit op de ontmaskering van de eerbied voor de taal - in welke vorm dan ook, landstaal, voertaal, kunsttaal - als de absurde distinctiedrift van een kaste.

Al in haar vroege scheppend proza is groepsgedrag waaraan haar personages onderworpen zijn een van haar belangrijkste thema's. Daarbij speelt ongetwijfeld Van Bruggens joodse afkomst, die zij ervoer als ‘anders zijn’, een niet te onderschatten rol. Dat blijkt onder meer uit In de schaduw en Breischooltje (1910). Maar in Eva (1927) komen al haar ideeën in romanvorm tot volle ontplooiing. Ook een onderwerp als seksualiteit krijgt in deze roman een plaats in de synthese die uit liefde en erotiek gesmeed wordt.

Lange tijd zijn de roman De verlatene (1910) en de verhalenbundel Het huisje aan de sloot (1921) het meest populair geweest (van beide verschenen meer dan 20 herdrukken). Na WO II is mede onder invloed van de tweede feministische golf en een sterker accent op Van Bruggens denkbeelden de roman Eva steeds populairder geworden en veruit haar meest herdrukte werk geworden.

Niet lang na het verschijnen van Eva begon Carry van Bruggen te lijden aan psychische problemen die haar op de rand van krankzinnigheid brachten. De laatste jaren van haar leven moest zij voortdurend verpleegd worden in instellingen. Ze schreef: "Ik lijd dagelijks. Om de verbroken contacten. Om de hersenvermoeidheid, die toeneemt. Om de lange, lange maanden voor mij." 16 november 1932 overleed ze, vermoedelijk bewust, aan een overdosis slaapmiddelen in haar woonplaars Laren. Carry van Bruggen ligt begraven op de Algemene Begraafplaats in Laren (graf 9 E). Op haar grafsteen staat haar schrijversnaam.

Websites: www.inghist.nl, www.dbnl.org, www.schrijversinfo.nl


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 89.