kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

E. du Perron

Nederlands (proza)schrijver en dichter, geboren 2 november 1899 te Meester-Cornelis, onder Batavia (Jakarta) West-Java, overleden 14 mei 1940 te Bergen.

Hoewel Du Perron tot de Nederlandse literatuur gerekend wordt, was hij in feite een kosmopolitisch schrijver. Opgegroeid in Nederlands-Indië kwam hij in 1921 met zijn ouders naar Europa. Het gezin vestigde zich in België, in een kasteeltje te Gistoux. Met zijn tweede vrouw woonde Du Perron later in Parijs, de stad waar hij ook in 1922 al enkele maanden verbleef en die het decor vormde voor zijn eerste roman, Een voorbereiding. Toen hij door de recessie in Europa moeilijk aan werk kon komen, vertrok hij in 1936 weer naar Nederlands-Indië, waar hij enkele jaren werkzaam was als free-lance journalist. In 1939 ging hij terug naar Europa. Daar vestigde hij zich in Nederland, in het kunstenaarsdorp Bergen, waar hij op 14 mei 1940, vlak na de Duitse inval, overleed.

Pseudoniemen: Joseph Joséphin, Bodor Guíla, Duco Perkens, W.C. Kloot van Neukema, Cesar Bombay en Angèle Baedens. De auteursnaam E. du Perron was voor het eerst in Indië gebruikt en werd gangbaar vanaf het moment dat Duco Perkens ten grave was gedragen (1926).

levensloop
Charles Edgard (Eddy/Edgar) du Perron werd op 2 november 1899 geboren in Nederlands-Indië, in het ten zuiden van Batavia, tegenwoordig Jakarta, gelegen plaatsje Meester-Cornelis. Zijn vader was Charles Emile du Perron, landheer, zijn moeder Marie Mina Madeline Bédier de Prairie. Zijn vader kwam van een adellijk Frans geslacht dat al generaties in Nederlands-Indië gevestigd was; zijn moeders familie was afkomstig uit Réunion. Zijn geboortehuis heette naar zijn grootmoeder Gedong 'Menu', (gedong=herenhuis) het was een oud-Indisch herenhuis dat zijn afkomst uit het koloniale patriarchaat markeerde. Perron bleef enig kind en groeide in een beschermde omgeving op. Al vanaf zijn jeugd was hij verslaafd aan boeken en lezen. Voorts werd hij in zijn jonge jaren bepaald door grote liefde voor en van zijn moeder en vrees en ontzag voor zijn tyrannieke vader. (Zijn jeugdjaren heeft hij zelf indringend beschreven in zijn magnum opus, de 'roman' Het land van herkomst uit 1935.

Zijn vader behoorde tot de groep van particuliere landeigenaren die zich kantten tegen de ethische politiek, waardoor in het gouvernementsbeleid het accent was komen te liggen op het welzijn van de inheemse bevolking; zijn katholieke moeder hield er een Indische levensstijl op na, waarvan allerlei soorten van inheems bijgeloof een integrerend onderdeel waren. Bang voor zijn harde vader, verwend door zijn onevenwichtige moeder, onderwezen door gouvernantes, groeide Eddy op tussen het inlandse personeel, sprak bij voorkeur Maleis en nam de gespleten sfeer van het vooroorlogse Nederlands-Indië diep in zich op.

Zijn jeugd in Nederlands-Indië werd gekenmerkt door ziekte, verhuizingen en mislukking op school. Zijn vader, vermogend en behorend tot het dan al een eeuw in de kolonie gevestigde patriciaat van Franse oorsprong met vertegenwoordigers in de hoogste rangen van leger, bestuur en rechtspraak, besloot in 1906 bij wijze van lucratief avontuur een rijstpellerij op te zetten aan de nauwelijks bewoonde zuidkust van West-Java. Met tussenpozen bleef het gezin er tot 1911, waardoor de enige zoon maar weinig regelmatig onderwijs kreeg.
Nadat de onderneming was mislukt, keerde het gezin naar Meester Cornelis terug. In die randgemeente van het toenmalige Batavia doorliep Eddy met moeite de lagere school. Na een kort verblijf op een HBS aldaar kon hij door een lange tijd van ziekte de lessen niet volgen. In 1913 verhuisde het gezin naar Bandoeng. Ook daar bezocht hij nog één jaar zonder succes de HBS. Omdat hij een literaire aanleg had, kreeg hij enkele jaren privaatlessen in moderne talen voor de akte mo Nederlands.

Daarna deed hij journalistiek werk, nam deel aan het demi-mondaine leven met velerlei erotische avonturen, ondernam voor zijn ontwikkeling langdurige reizen, en bezocht in deze tijd ook de Boroboedoer.
In 1919 werd hij in Batavia redacteur van Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië. Ook daar kon de schrijver in de dop, die door de vertaling van een roman en door weekbladartikelen over koloniale en Franse literatuur te meer blijk gaf van zijn literaire interesses, niet aarden. Hij nam er algauw ontslag.

Du Perrons éducation sentimentale in een harde en soms wrede koloniale maatschappij heeft een onuitwisbaar stempel op hem gedrukt. Hij heeft maar weinig formeel onderwijs genoten en nooit de tweede klas van de HBS gehaald. Een maatschappelijke loopbaan heeft hij nooit geambieerd, een baantje als assistent-bibliothecaris bij het Bataviaasch Genootschap moest hij opgeven toen zijn ouders besloten zich in Europa te vestigen. Du Perron bereisde Java nog en vertrok dan met zijn ouders in 1921 naar Europa. Daar stortte Eddy zich verwoed in het literaire leven, eerst in Parijs, later in Vlaanderen en ten slotte ook in Nederland.
Het schatrijke gezin uit Java reisde via Marseille en Parijs naar Brussel, waar de zoon zijn weinig schoolse opvoeding op Europese leest zou moeten afronden. Tussen 28 augustus 1921, toen hij in Marseille landde, en 13 oktober 1936, toen hij weer naar Indië terugging, heeft hij in Brussel, Gistoux (in 't Z. van Waals Brabant op het kasteeltje van zijn ouders), Bellevue en Parijs gewoond en veel door Europa gereisd, onderwijl hard werkend aan zijn literaire carrière.

Parijs Montmartre
Met een bohémien-bestaan voor ogen, zij het altijd met de achtergrond van het vaderlijke kapitaal, vestigde Du Perron zich in maart 1922 op Montmartre in Parijs waar hij correspondent was voor Het Vaderland.

Dank zij de criticus Pascal Pia verdiepte hij zich in de literatuur die hem zou beïnvloeden: Gide, Larbaud, Léautaud, Stendhal. In Parijs maakte hij kennis met jonge Franse schrijvers en schilders en via hen met alles wat de toen fel beleden Esprit Nouveau vertegenwoordigde, zoals kubisme, futurisme, dadaïsme en surrealisme. Van zowel zijn verbijstering als zijn bereidheid tot navolging gaf hij blijk in zijn debuut, het Frans geschreven geschrift Manuscrit trouvé dans une poche (1923).

Manuscrit trouvé dans une poche gaf hij in 1923 uit in Brussel en het bracht hem in contact met de Belgische Franstalige schrijver Franz Hellens. In diens kring ontmoette hij o.a. de jonge in het Frans schrijvende dichter Odilon-Jean Périer, wiens dood hem in 1928 zou inspireren tot het zo bekend geworden vers 'Gebed bij den harden dood'.

Zijn verblijf in Montmartre duurde een half jaar en werd aangevuld door lange reizen en afgesloten, na het verbreken van zijn relatie met Julia Duboux, door de terugkeer naar België in 1924. Geïnteresseerd in het modernisme in de letteren en de beeldende kunst, kreeg hij contact met het expressionisme in Antwerpen: hij ontmoette er Paul van Ostaijen en Gaston Burssens, maar ook de Nederlandse schilder A.C. Willink, toen nog geheel abstract à la Mondriaan.

Begin 1924 maakte hij in Antwerpen kennis met de redacteur van het aan de moderne kunst gewijde tijdschrift Het Overzicht, de constructivistische schilder Jozef Peeters. Via hem knoopte hij ruim een jaar later vriendschapsbanden aan met Paul van Ostaijen, erkend leider van de Vlaamse expressionistische schrijvers. Du Perron is dan al definitief in het Nederlands gaan schrijven, had in Het Overzicht gepubliceerd onder het pseudoniem Duco Perkens en in eigen beheer zowel proza- als poëziewerkjes in 1924 uitgegeven (Het roerend bezit. Kwartier per dag).

Na het verdwijnen van Het Overzicht werd met het geld van Du Perron in 1925 het tijdschrift annex uitgeverij De Driehoek opgericht, waarvan hijzelf en de Antwerpse Jozef Peeters de redactie vormden; er kwamen tien afleveringen (april 1925-januari 1926) en enkele afzonderlijke cahiers. Du Perron leverde bijdragen in proza en poëzie aan het blad en korte verhalen van hem verschenen in de door de uitgeverij verzorgde Cahiers, waarvoor de toen ook modernistische en met hem bevriend geraakte schilder A.C. Willink illustraties maakte. Du Perron was bijzonder gesteld op privé-uitgaven in kleine oplaag en bezorgde op die wijze niet enkel werk van zichzelf (onder de schuilnaam Duco Perkens), maar ook van anderen.

Begin 1926 sloot Du Perron zijn zg. Duco Perkens-periode af met de bundeling van zijn dan verschenen verzen en verhalen onder de titel Bij gebrek aan ernst Du Perron publiceerde aanvankelijk vrijwel uitsluitend onder het pseudoniem Duco Perkens. Met deze uitgave van de volledige werken uit 1926 maakte hij daar radicaal een einde aan. In een nawoord herdenkt hij de helaas zo jong gestorven schrijver. Bovendien liet hij zijn naaste vrienden het gerucht verspreiden dat de schrijver overleden was. Kennelijk deden ze dit met zoveel overtuiging dat Henrik Scholte in het tijdschrift Nederland een In Memoriam schreef voor Perkens. Het omslag voor deze eerste druk werd ontworpen door de schilder A.C. Willink, die ook een frontispice tekende bij ieder verhaal. Bovendien bevat dit exemplaar een foto van Willinks 'Du Perron en zijn muze', een schilderij dat later verloren is gegaan.

Voorjaar 1926 voltooide hij een al op Montmartre begonnen roman met autobiografische inslag.

Een voorbereiding (1927), zijn eerste Nederlandse uitgave, verscheen onder het pseudoniem Kristiaan Watteyn.

In de jaren 1925-1926 schreef hij norse, spottende gedichten waarin hij trachtte los te komen van zijn verleden: Poging tot afstand (1927), gevolg door Parlando (1930).

Najaar 1926 maakte hij in Parijs kennis met André Malraux, dan al bekend als een van de begaafdste onder de jonge Franse schrijvers, als revolutionair activist en als Nietzscheaans prediker van de zelfverwerkelijking door de daad. In warme vriendschap zal Du Perron jarenlang met hem omgaan, zoals hij het ook deed met de literatuurhistoricus en journalist Pascal Pia, die hij al in 1922 op Montmartre had leren kennen.

In 1926 kochten zijn ouders kasteel Gistoux bij Waver, dat met op veilingen gekochte meubelen werd ingericht. De familie Du Perron bewoonde het in de Indische landherentrant en de door geen werkkring geplaagde zoon bewoog er zich in die tijd als een zich alleen om de literatuur bekommerend lettré. Op het tussen Brussel en Namen gelegen buitengoed Gistoux, in het gelijknamige dorp, was de vriendenkring, waartoe ook de Vlaamse dichter Jan van Nijlen was gaan behoren, regelmatig te gast.

Hij schreef verhalen, gedichten, kritieken en een roman. Aanvankelijk bewoog hij zich in de marge van de literatuur, doordat zijn werk in eigen beheer verscheen, in kleine oplagen of bij obscure uitgevers.

26-11-1928 trouwde hij met Simone Elise Sechez, die twee jaar daarvoor de moeder van zijn zoon Gille was geworden, maar het huwelijk werd later 18-3-1932 met wederzijds goedvinden ontbonden.

Aan het einde van de jaren twintig publiceerde Du Perron onder het pseudoniem W.C. Kloot van Neukema een aantal uitgaven met obscene gedichten. Deze bundels waren privéuitgaven.

Omstreeks het eind van de jaren twintig en het begin van de jaren dertig kwam Du Perron in contact met andere schrijvers, met name door het contact met de uitgever AAM Stols en de dichter en journalist Jan Greshoff. Met veel schrijvers die hij leerde kennen sloot hij een hechte vriendschap: A Roland Holst, JC Bloem, JJ Slauer-hoff, Menno ter Braak, H Marsman, S Vestdijk en Jan van Nijlen. Hij had er te meer houvast aan na de dood van Van Ostaijen in maart 1928 en het verdwijnen van het tijdschrift Avontuur, dat hij even eerder met hem en de Vlaamse expressionist Burssens had opgericht. Hij werkte mee aan De Vrije Bladen en Den Gulden Winckel, en publiceerde in het jaarboek Erts (1929) zijn aangrijpende gedicht 'Gebed bij de harde dood'.

De beurskrach van 1929 en de economische wereldcrisis van de jaren dertig noodzaakten hem van de pen te gaan leven.

Door publikaties in De Gids van o.a. in 1928 'Het gebed bij den harden dood' en in 1930 van een verhaal 'Het drama van Huize-aan-Zee', dat was geïnspireerd door de zelfmoord van zijn vader in 1926, alsook in De Vrije Bladen van 1930 van het essay 'Gesprek over Slauerhoff, manifesteerde Du Perron zich als een van de belangrijkste jongeren met een gerijpt talent en een uitgesproken standpunt ten aanzien van de normen waaraan literatuur moest voldoen.

Forum
Met Menno ter Braak en de Vlaming Maurice Roelants richtte Du Perron eind 1931 het maandblad Forum op. Dit vertegenwoordigde een belangrijke, nieuwe stem in het sterk verzuilde Nederland: Forum was kritisch, geëngageerd, onafhankelijk en persoonlijk. In Forum poneerden hij en Ter Braak de waarde van de persoonlijkheid als bepalend voor het niveau van het kunstwerk en zij bestreden fel de vormcultus, waarbij het esthetische vermogen van de kunstenaar norm voor de kwaliteit van kunst is. 'Vorm of vent' was de leuze volgens de formulering van J.C. Bloem.
In zijn behoefte aan absolute waarheid en waarachtigheid was het hem duidelijk geworden waar hij wel en waar hij niet bij behoorde: niet bij de traditionalisten, de estheten, de gearriveerden of de halfzachten. Vandaar dat hij afstand hield van Bloem, Nijhoff en Donker, en een weerzin had tegen het retorisch humanisme van Coster en De Stem.
In 1931 schreef hij zijn geruchtmakende afrekening: Uren met Dirk Coster, dat een plaats kreeg in de eerste jaargang van Forum, en daarna in boekvorm verscheen (1933). Hierin bestreed hij Dirk Coster als een halfzachte romanticus: (zie Vitalisten). In een programmatische polemiek rekende hij af met wat hij als ethische halfzachtheid en esthetisch bedrog in onze literatuur zag. Het heeft het gezag van Coster bij de jongere generatie definitief ondermijnd.
Hierdoor en door Ter Braaks Démasqué der schoonheid was een frontpositie gemarkeerd, die moraliserend was in de trant van de 18de-eeuwse Franse encyclopedisten en zowel individualistisch als anti-totalitair.
Hoewel Forum maar vier jaar bestond, had het door zijn positie kiezen voor zuiverheid en eerlijkheid van een mens die buiten religieuze voorschriften om als 'honnête homme' voor zijn zelfontplooiing verantwoordelijk is, een grote invloed tot ver na de Tweede Wereldoorlog. Ofschoon Du Perron tot de oprichters van Forum behoorde, en geregeld meewerkte, heeft dit blad zich niet volgens zijn ideeën ontwikkeld.

Voor kleine parochie (1931)
Vriend of vijand (1931)
Mikrochaos (1932)
Tegenonderzoek (1933)

Opnieuw gehuwd op 17-5-1932 met Elisabeth Geertruida de Roos, uit welk huwelijk ook 1 zoon werd geboren. Zij vestigden zich in Parijs, waar de vriendschap met de zeer bewonderde Arthur van Schendel vernieuwd werd.

Het familiebezit bleek na de zelfmoord van Du Perrons vader kleiner dan men had gemeend, en was na het overlijden van Du Perrons moeder in januari 1933 tot niets gereduceerd. Toch slaagde hij erin door medewerking aan kranten en tijdschriften samen met zijn vrouw een bestaansbasis te vinden.

Intussen leefde Du Perron in het chaotische Parijs van crisis, volksfront, opkomend nationalisme, en de corrupte Stavisky-affaire; In Parijs had hij intensief contact met André Malraux, die La condition humaine aan hem opdroeg, en andere letterkundigen. Hij publiceerde talrijke kritieken, werkte aan vertalingen en bloemlezingen. Intussen werkte hij aan zijn confrontatie van heden en verleden: Het land van herkomst (1935), en aan de polemisch-essayistische bevestiging van zijn eigen onafhankelijke positiekeuze: De smalle mens (1934).

Het land van herkomst (1935)
In Frankrijk schreef hij het boek waardoor hij het meest bekend werd, zijn autobiografische roman Het land van herkomst. In deze autobiografische roman vormen Nederlands-Indië en Parijs het decor voor de confrontatie van Arthur Ducroo met de wereld. Hij roept er zijn Indische jeugd in op en vlecht door zijn herinneringen verslagen van gesprekken en voorvallen die zich in het Parijs van zijn dagen hadden voorgedaan. Het was het in beeld brengen van een persoonlijke ontwikkeling en tegelijk het getuigenis van een generatie die zich te weer stelde tegen de dreigende totalitaire machten. Kritisch-essayistisch gaf Du Perron van deze instelling blijk in zijn bundels De smalle mens (1934) en Blocnote klein formaat (1936); zoals hij het eerder aan de hand van zijn lectuur had gedaan in zijn periodiek gepubliceerde Cahiers van een lezer.
Du Perrons literaire werk is in de eerste plaats een zoektocht naar zichzelf, een confrontatie met zichzelf en een plaatsbepaling van zichzelf. Aanvankelijk zocht hij naar de juiste publicatievorm, zonder die snel te vinden. In feite was zijn beste medium zijn leven lang de brief, hij schreef er meer dan 4000, maar dat was nu juist tijdens zijn leven geen geschikte publicatievorm. Wel heeft hij dikwijls gebruik gemaakt van de dialoog: in het ‘Gesprek over Slauerhoff', Het sprookje van de misdaad, met als ondertitel ‘Dialogen over het detektive-verhaal', en de verhalen uit Nutteloos verzet.
Du Perron begon te schrijven aan Het land van herkomst in 1932. Dat was het jaar waarin hij trouwde met Elisabeth de Roos. Het was zijn tweede huwelijk en Du Perron beschouwde Bep de Roos als de ‘ene' waarop hij zo verwoed gejaagd had. Du Perron zelf was van mening dat het beste wat hij had geschreven, het beste wat hij kon schrijven, stond in de brieven aan Bep. Die brieven zijn niet bewaard gebleven. Niettemin is Het land van herkomst te beschouwen als een soort van rekenschap omtrent zichzelf die hij aflegde aan Bep. Du Perron beschrijft hierin indringend en meeslepend zijn Indische jeugd, zijn opvoeding, zijn ‘land van herkomst' in talrijke facetten.
In feite volgen de hoofdstukken die in Indië spelen min of meer chronologisch op elkaar, en beschrijven ze de persoonlijke geschiedenis van Du Perrons alter ego Arthur Ducroo, compleet met een historisch overzicht van voorgaande generaties. Daar tussendoor spelen enkele hoofdstukken in Parijs, op het moment dat het boek geschreven wordt.
Er is wel gewezen op een groot verschil in stijl tussen de ‘Indische' en de ‘Parijse' hoofdstukken van het boek. Het boek dankt zijn roem vooral aan die 'Indische' hoofdstukken. ‘Van alles wat Forum heeft voortgebracht aan romans, is Het land van herkomst zonder twijfel de belangrijkste,' aldus WF Hermans. Het in wezen zeer autobiografische boek draagt op de titelpagina inderdaad de aanduiding ‘roman'. Du Perron voorzag terecht dat talrijke figuren die in het boek voorkomen zouden worden geïdentificeerd met in werkelijkheid bestaande vrienden en familieleden van hem. Om op voorhand die identificatie af te wijzen of op zijn minst te relativeren werd Het land van herkomst dus als fictie de wereld ingestuurd. De meeste figuren uit het boek zijn natuurlijk ook niet letterlijk dezelfde als in de werkelijkheid bestaande mensen. Maar ze zijn er wel naar gemodelleerd.
Du Perron zelf heeft een sleutel verschaft tot het boek. Hij deed dit voor zijn vriend Jan Greshoff in een speciaal exemplaar van het boek, dat voor dat doel met witte bladzijden werd doorschoten. Daarop schreef Du Perron talrijke verklaringen, verwijzingen en toelichtingen. In 1996 verscheen van Het land van herkomst een geannoteerde uitgave waarin alle aantekeningen uit dit Greshoff-exemplaar openbaar zijn gemaakt.


PRIVÉ-UITGAVEN
Hoewel Du Perrons boeken nooit goed verkocht hebben, zijn er in de loop der jaren wel veel verschillende uitgaven van zijn werk verschenen. Enkele daarvan zijn door Du Perron zelf op eigen kosten vervaardigd en niet in de handel geweest. Naast publicaties van zijn eigen werk, waaronder de vrijwel onvindbare boekjes met erotische gedichten, gaf Du Perron tussen ca 1924 en 1939 ook enige tientallen werkjes uit van vrienden of door hem bewonderde auteurs, in kleine oplagen. De Du Perron-collectie van de Koninklijke Bibliotheek omvat een vrijwel complete verzameling van deze uiterst zeldzame privé-uitgaven. Du Perron hield er voor een bibliofiel eigenaardige gewoonten op na. Als gedeelten uit boeken hem niet bevielen werden deze stukken eenvoudigweg verwijderd. Fragmenten uit het ene boek bracht hij soms over in het andere, waarna het geheel in grijslinnen werd gebonden. In het verlengde van deze gewoonten moeten Du Perrons privé-uitgaven worden bezien. Hij maakte een keuze uit het werk van een auteur die het karakter dat die auteur volgens Du Perron bezat het meest recht deed. De boekjes zijn minder interessant om het uiterlijk dan wel om de inhoud ervan. Ze werden in een oplaag van meestal dertig exemplaren gedrukt ‘aux frais d'un amateur' en waren bedoeld voor een ‘kleine parochie': ze werden alleen verspreid onder vrienden en bekenden. Enkele ervan bevatten illustraties. Over Du Perrons vroegste uitgaven is weinig bekend. Het jaar waarin ze verschenen is bij de meeste niet aangegeven, noch een plaats of drukker. Nu inmiddels duizenden van Du Perrons brieven zijn gepubliceerd komt over enkele wat meer licht te vallen, maar er schijnen er nog altijd enkele niet als Du Perron-uitgave te zijn herkend. Voor zover nu bekend liet Du Perron in de twintiger jaren veertien boekjes drukken. Negen boekjes in het Frans, met teksten van Pascal Pia, Jules Choux, Malherbe, Kao Tong T'sia, Alfred Jarry, Pierre Louÿs en Claude le Petit en vijf van Nederlandse auteurs, twee bundels van Slauerhoff, beide herziene herdrukken, en drie bloemlezingen, uit de gedichten van Jan Greshoff, Jan van Nijlen en A Roland Holst. Van Uren met Dirk Coster verschenen tien luxe exemplaren. Hierin schreef Du Perron enkele toepasselijke citaten, die hij vervolgens ook weer van ironisch commentaar voorzag

Van een flink aantal schrijvers heeft Du Perron alleen het plan gehad een bloemlezing te maken, van sommige auteurs heeft Du Perron daadwerkelijk een bloemlezing samengesteld zonder dat die ooit werd uitgegeven. Voorbeelden hiervan zijn Paul van Ostaijen en JA dèr Mouw. Tijdens het werk aan deze laatste heeft Du Perron gespeeld met de gedachte op meer gestructureerde basis geregeld boekjes te doen verschijnen in een oplage van vijftien exemplaren, zonder auteursrechten, voor de club ‘Ne quid ni-mis', wat door Du Perron als volgt wordt verantwoord: ‘We hebben een paar uitgevers bestolen: soit! maar niets te veel.' Deze club is echter altijd een papieren onderneming gebleven.

Pas in 1938 komt hij er weer toe om voor zichzelf gedichten te laten drukken. In Indië ging het de Du Perrons niet voor de wind. Ze leidden er het moeizame bestaan van freelance journalisten en vanaf 1 januari 1938 werkte Du Perron een paar maanden als 'daggelder' voor een vrij karig inkomen op het Landsarchief te Batavia. Dat hij in 1938 en 1939 nog vier boekjes liet drukken kwam vooral doordat het hem zo weinig kostte. Op 11 juli 1938 schrijft Du Perron aan zijn vriend Hugo Samkalden dat de dertig exemplaren Poèmes van Henry J-M Levet gedrukt zijn voor ƒ 42,50, ‘dus werkelijk spotgoedkoop!' Bovendien blijkt uit deze brief dat het te betalen bedrag niet geheel van Du Perron afkomstig was, maar werd opgebracht door een aantal vrienden, zodat de toch al geringe lasten verdeeld werden. In de loop van de jaren dertig had Du Perron zijn uitgever Stols al verscheidene malen aangeraden de gedichten van Levet en Nerval uit te geven. Stols was om welke reden dan ook niet tot uitgave overgegaan. In Indië liet Du Perron deze door hem geliefde teksten zelf drukken. Vóór Nerval verschenen nog twee andere boekjes: Cortège priapique, scabreuze gedichten van Guillaume Apollinaire (in werkelijkheid geschreven door Du Perrons vriend Pascal Pia), en de filosofische Réflexions van F Paulhan.

3-jarig verblijf in Indië (1936-1939)
Afkeer van de politieke verwikkelingen, materiële nood door verlies van het familievermogen en heimwee deden hem in 1936 met vrouw en zoontje weer naar Java trekken. Tegenslag en teleurstellingen achtervolgden hem ook daar. Hij werd gekweld door moeizame maatschappelijke omstandigheden en een slechte gezondheid. Niettemin werkte hij hard. Hij werkte in Bandoeng en in Batavia, deed archiefonderzoek, bezocht Lebak ter wille van zijn Multatulistudie, stelde de bloemlezing De muze van Jan Companjie samen, schreef kronieken in het Bataviaasch Nieuwsblad en in Kritiek en Opbouw, het meest vooruitstrevende 'Indische' tijdschrift. Daarnaast stimuleerde hij jonge, Indonesische intellectuelen om zich kritisch en onafhankelijk op te stellen. Hij ontdekte belangrijke stukken met betrekking tot Multatuli's ambtenarentijd en schreef over hem twee biografische studies: De man van Lebak (1937) en Multatuli, Tweede pleidooi (1938).

De man van Lebak (1937)
Schreef in 1937 De Man van Lebak, anekdoten en dokumenten betreffende Multatuli, opgedragen aan Dr. E.F.E. Douwes Dekker. Dit boek loopt tot 1857.

Multatuli, tweede pleidooi (1938)
In 1938 kwam Multatuli, Tweede Pleidooi, vooral gericht tegen de bestrijding van Multatuli door J. Saks.

Als mederedacteur van het vooruitstrevende tijdschrift Kritiek en Opbouw publiceerde hij er artikelen in, als ook een geruchtmakende polemische aanval op de toen bekende journalist H.C. Zentgraaff, die de aandacht trokken van jonge Indonesische intellectuelen. Zij vonden in hem een even onbaatzuchtig als oprecht leidsman, die zij later ook als vriend dankbaar zouden herdenken.

Hij had contact met anti-koloniale Nederlanders en met Indonesiërs, zoals Sjahrir. Zijn bekendheid met het Maleise Indië kwam hem nu van pas; maar het 'land van herkomst' was onherkenbaar veranderd. De koloniale voorkeur voor het nationaal-socialisme maakte hem woedend. Omdat hij zijn vrienden in Nederland miste en daar archiefstudies wilde doen voor een reeks historische romans, hijzelf ziek werd en zijn vrouw het klimaat slecht verdroeg, verlieten zij Java in het najaar van 1939; In september 1939 vestigde hij zich met zijn (tweede) vrouw en zoontje in Nederland, ze verbleven in Den Haag, waar Menno ter Braak, en later in Bergen, waar A. Roland Holst woonde.

Schandaal in Holland (1939)
Kort na zijn terugkeer verscheen het eerste boek van de reeks, de documentaire roman Schandaal in Holland, die handelt over de door een geruchtmakende affaire getroffen Friese staatsman en dichter Onno Zwier van Haren. Zijn plotselinge dood als gevolg van angina pectoris liet dit plan onvoltooid.

In het najaar van 1939 keerde Du Perron teleurgesteld terug naar Europa, waar juist de Tweede Wereldoorlog was uitgebroken. Du Perron had zich altijd fel verzet tegen het nationaal-socialisme. Hij volgde de ontwikkelingen met afschuw en maakte zich geen illusies. Het bericht van de Nederlandse capitulatie op 14 mei 1940 raakte hem diep. Hij overleed kort daarna aan een hartaanval. Aldus ontviel de Nederlandse literatuur in korte tijd een aantal belangrijke auteurs van dezelfde generatie. In 1936 Slauerhoff, in 1940 Du Perron en vrijwel tegelijkertijd Ter Braak, die zelfmoord beging uit vrees voor de Duitsers, en ruim een maand later in datzelfde jaar Marsman. Voor velen, misschien juist door het overlijden van de ‘voor-mannen', bleef de generatie van Forum zeer tot de verbeelding spreken. De invloed ervan heeft nog lang doorgewerkt in de Nederlandse literatuur.

Op 14 mei 1940, enkele dagen na de gedwongen evacuatie uit zijn eigen huis, stierf hij in de kustplaats Bergen aan een hartkramp.
Eerst na de oorlog, toen veel van zijn werk werd herdrukt, bleek ten volle hoe richtinggevend het was geweest voor tijdgenoten en jongeren.

Na in 1937 De man van Lebak te hebben gepubliceerd, had Du Perron allerlei Multatuli-plannen, zoals de heruitgave van de werken, chronologisch gecombineerd met de brieven; hij schreef aan de cyclus De onzekeren, waarvan één deel gereed was gekomen: Schandaal in Holland (1939), gewijd aan de beruchte 18de-eeuwse zedenkwestie rondom Onno Zwier van Haren. Bij de Duitse inval verbrandde hij een groot deel van zijn persoonlijk archief. Toen in de late namiddag van 14 mei de capitulatie bekend werd, kreeg hij een aanval van angina pectoris die het einde betekende.

De buitengewoon, vooral in de Franse literatuur, belezen E. du Perron moest van literaire genootschappen en manifestaties van het literaire establishment niets hebben; literaire prijzen zijn hem nooit toegekend.

De grijze dashond (1941)
Een grote stilte (1942)
Scheepsjournaal van Arthur Ducroo (1943)

Verzameld werk (1955-1959)
Menno ter Braak/E.d.P. Briefwisseling 1930-1940 (1962-1967)
Brieven (vanaf 1977)

Bronnen:
roman Het Land van Herkomst, 1935, die over zijn eigen ervaringen handelt; novellen en gedichten; in 1939 Schandaal in Holland over Onno Zwier van Haren; in 1940 Multatuli en de luizen, ‘aantekeningen bij een nieuw waarheidsboek', n.l. De Waarheid over Multatuli, door diens schoondochter. Ook van 1940 is nog de studie Een lettré uit de 18e eeuw (Willem van Hogendorp). Du Perron was begonnen met dadaïstische kwatrijnen onder ps. Duco Perkens.

Zijn laatste werk met nieuwe dokumenten betreffende de Havelaarzaak verscheen na zijn dood in 1940 als De bewijzen uit het pak van Sjaalman. In 1941 verscheen in de Helikonreeks het gedicht De grijze dashond, met een inleiding van S. Vestdijk.

Vestdijk schreef ook de inleiding bij Parlando, de verzamelde (verhalende) gedichten, 1941.

Een bundel aantekeningen verscheen nog in 1946: In deze grootse tijd. Zijn Verzameld Werk wordt uitgegeven.

Over Du Perron en Ter Braak een studie van S. Tas, Een critische periode.
Over Du Perron, Ter Braak en Marsman, zie Van Leeuwen.
Over Du Perron alleen een studie van 's-Gravesande, 1947, Herinneringen en Bescheiden.
F. Batten en A.A.M. Stols gaven de Bibliographie van Du Perrons werken uit; 1948.

Du Perron, die aanvankelijk zeer gereserveerd tegenover Marsman stond, heeft op het oeuvre van de dichter een enorme invloed gehad. Tussen hen beiden groeide een hartelijke vriendschap. Zie dichter is Du Perron vooral de vertegenwoordiger van een anti-esthetische poésie parlante: geestig, nuchter, zakelijk, anekdotisch en psychologisch. Het is na de woordkunst van tachtig en na de symbolistische versverzorging van de generatie van 1910 een stijl waaraan de pretentie van eeuwige schoonheid vreemd is. Maar ook het expressionisme is voorbij, zowel naar inhoud als naar vorm. Zowel de gedichten van Vestdijk als die van de Criterium-groep (Hoornik, Van Hattum) zijn op Du Perrons poëzie-opvatting geïnspireerd, een opvatting die in feite pas omstreeks 1950, door het optreden van de dichters der experimentele atonale poëzie haar invoed heeft verloren.

Als criticus en essayist vertegenwoordigt Du Perron te zamen met Menno ter Braak de littérature engagée op zijn best: wars van alle compromis, wars van alle sentimentaliteit, keerde hij zich tegen middelmatigheid, epigonisme, statuszoekerij, vrijheidsbeperking en politieke dwang. Hij was een ontmaskeraar die door zijn `Indisch' verleden en zijn Parijse contacten een scherp inzicht had in het benepen Hollandse en zich verplicht voelde de Nederlandse grootheid te meten met internationale maat. Dit geldt zo goed voor de literatuur als voor de politiek en het leven in het algemeen. Hij was naar wezen en overtuiging een anti-burger: eerst als rijkeluiszoontje, dan als bohémien, ten slotte als niets-dan-schrijver, en steeds als onafhankelijk individualist.

Evenals Multatuli vormde Du Perron een eenmanspartij: tussen het geweld van het nationaal-socialisme dat hij onvoorwaardelijk verachtte en het communisme, dat hij wel begreep maar niet aanvaardde, verdedigde hij zichzelf en zijn kleine groep creatieve geestverwanten als de 'smalle mens'. Terwijl Ter Braak het type Busken Huet vertegenwoordigt is Du Perron meer het type Multatuli; zijn invloed op de kritiek na wo ii blijkt o.a. bij Willem Frederik Hermans en in Vlaanderen bij Weverbergh.

Evenals Max Havelaar is Het land van herkomst een dubbelroman, zij het eenvoudiger van structuur. Ook invloeden van Proust, Larbaud en Stendhal kan men aanwijzen, de moderne ontgrenzing van de vorm, de vermenging van de genres. In de lange reeks hoofdstukken geeft de schrijver zich afwisselend rekenschap van de boeiende actuele situatie, Parijs 1933, en van zijn eigen boeiend verleden: het Java uit het begin van de eeuw. De hoofdvraag: wie ben ik en hoe ben ik zo geworden, is beantwoord in een onvoorwaardelije biecht aan de geliefde: zijn vrouw. Het boek is een sleutelroman: de gevarieerde kring van kennissen en vrienden (Ter Braak, Greshoff, Van Schendel, Malraux en anderen) komen er onder doorzichtige schuilnamen in voor; de talrijke gesprekken zijn ofwel authentiek ofwel op correspondenties gebaseerd. Evenzo komt de niet minder gevarieerde groep van Indische vrienden en vriendinnen, van familieleden en dienstpersoneel, van onderwijzers en tegenstanders ten tonele, zo authentiek als een herinnering maar kan zijn, en voor iedere ingewijde herkenbaar achter het masker van het pseudoniem. De term 'roman' op het titelblad garandeert in dit geval geen verhaal, wel echter een heel conglomeraat van verhalen, beschouwingen, herinneringen en veronderstellingen, die te zamen het caleidoscopische beeld geven van de mens Du Perron, een overstelpende eenheid-in-veelheid waardoor het levensechte van dit boek beter is gegarandeerd dan door een meer klassieke structuur had kunnen geschieden.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 2385.

Tweets by kunstbus