kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Elias Canetti

Elias Canetti (1905-1994)

Duitstalige schrijver,

Canetti werd in 1905 als kind van sefardisch-Joodse ouders geboren in een Turkse stad die thans tot Bulgarije behoort. Na de dood van zijn vader vestigde het gezin zich in Londen, daarna in Wenen en vervolgens in Zürich.

Elias Canetti heeft de reputatie 'een zware schrijver' te zijn. Hij is vooral bekend door zijn cultuurfilosofische studie Massa en Macht, zijn roman Het Martyrium (Die Blendung) en zijn driedelige autobiografie in de Privédomein-reeks: De behouden tong, De fakkel in het oor en Het ogenspel. Daarnaast schreef hij boeken vol met aantekeningen en aforismen; kleine puntige notities over leven en dood. Ook beoefende hij het genre van het reisverhaal en schreef talloze essays, o.a. over Franz Kafka, zijn grote voorbeeld.

In 1931 voltooide Elias Canetti in Wenen zijn eerste en laatste roman Die Blendung (Het Martyrium) over de boekengek dr. Peter Kien. De roman bestaat uit drie delen: Een Hoofd zonder wereld, Een Wereld in het hoofd, Een Hoofdloze wereld.

Eerste ideeën
Oorspronkelijk was het Canetti's bedoeling om acht boeken te schrijven, met als overkoepelende titel comédie humaine over dwazen (menselijke komedie). Elk boek zou het leven van een geobsedeerd personage behandelen, variërend van een geloofsfanaat tot een vijand van de dood, of een technisch fantast, die zich alleen met ruimtevaartplannen bezighield. Een vol jaar heeft Canetti aan alle acht tegelijk gewerkt. Drie belangrijke gebeurtenissen in zijn leven hebben ertoe geleid dat uiteindelijk alleen de lotgevallen van de boekengek Kien op schrift gesteld zijn.

Een nieuw uitzicht
In 1927 zocht de scheikundestudent Canetti een kamer. Hij vond er eentje aan de rand van Wenen naast de dierentuin. Bij zijn binnenkomst begon de vrouw des huizes een aanklacht tegen de jeugd van tegenwoordig. Deze tekst staat letterlijk in 'Die Blendung'. Uit deze ontmoeting is Therèse ontstaan, de huishoudster van Kien en zijn grootste tegenspeelster in het boek. De nieuwe kamer bood uitzicht op Steinhof. Dit is een beroemd krankzinnigengesticht, dat een enorme aantrekkingskracht had op Weense schrijvers. Voor Canetti was dit gesticht een grote drijfveer om een jaar lang elke dag te werken aan zijn ‘comédie humaine over dwazen'.

In Berlijn
In de zomer van datzelfde jaar werd Canetti uitgenodigd om met een uitgever drie maanden naar Berlijn te gaan. Hier ontmoette hij beroemde mensen als de Russische schrijver Isaac Babel, de schilder Georg Grosz en de toneelschrijver Brecht. Vooral Grosz, met zijn stripachtige figuren, die er verlopen en wanhopig uitzien, hebben een grote invloed gehad op Canetti. Met Babel kon hij goed praten en door Brecht werd Canetti steeds weer geshockeerd (vooral door zijn vrije ideeën over sex). In Berlijn werd alles gedaan, waar in Wenen alleen maar van werd gesproken. In Wenen was men onder de indruk van de theorieën van Sigmund Freud, een van de eerste psychologen. In zijn werk spelen het verklaren van dromen, het onderbewuste en onderdrukte verlangens een grote rol. Canetti raakte in de war van zijn bezoek aan Berlijn, maar wist sindsdien wel zeker dat hij schrijver wilde worden, en niet in een scheikunde laboratorium wilde werken.

Opstand
Verreweg de belangrijkste gebeurtenis in het ontstaan van Die Blendung was een opstand van arbeiders in Wenen op 15 juni 1927. Een aantal arbeiders was doodgeschoten en de Weense rechtbank had de daders vrijgesproken. Dit veroorzaakte zoveel woede dat uit heel Wenen de arbeiders samenstroomden en het paleis van justitie (de rechtbank) in brand staken. Uiteindelijk opende de politie het vuur, waarbij negentig doden vielen. Canetti was onder de demonstranten en was verbijsterd over wat er met hem gebeurde. Hij werd meegezogen in de massabeweging die op gang kwam, en zonder nadenken, als een willoos wezen, liet hij zich meevoeren. In deze gebeurtenis liggen de wortels van Canetti's fascinatie voor de wetten van de massa. Het grootste deel van zijn leven heeft hij besteed aan de studie hiervan, wat uiteindelijk resulteerde in zijn enige filosofische werk Massa en Macht. Ook in Die Blendung zijn duidelijke sporen van deze fascinatie te vinden. Tijdens de opstand keek Canetti een zijstraatje in, naast het brandende paleis van justitie, en daar zag hij een man, die boven iedereen uittroonde en met opgeheven armen schreeuwde: 'De archiefstukken verbranden. Alle archiefstukken.' Verontwaardigd riep Canetti: 'Daarginds hebben ze mensen neergeknald en dan hebt u het over archiefstukken!'. Maar de man herhaalde alleen maar: 'De archiefstukken verbranden. Alle archiefstukken.' Na de confrontatie met deze geobsedeerde man, die archiefstukken belangrijker vond dan mensen, besloot Canetti niet acht maar een boek te schrijven en zijn aandacht enkel en alleen te richten op zijn boekengek, dr. Kien.

Zijn laatste roman
In 1931 was het boek dan eindelijk af. Hij was ervan overtuigd dat hij een meesterwerk had geschreven. Het eerste exemplaar zond hij naar Thomas Mann, als eerbetoon aan deze grote schrijver. Thomas Mann ontving het, keek het niet in en stuurde het terug met een briefje dat hij helaas geen tijd had om het te lezen. Verbolgen over deze bruuske afwijzing, weigerde Canetti vier jaar lang om zijn boek te laten uitgeven. In 1935 werd hij overgehaald en het boek -dat tot dat moment de titel Kant vat vlam droeg - werd onder de titel Die Blendung uitgebracht. Vreemd genoeg heeft Canetti daarna nooit meer een roman geschreven.

Canetti heeft in zijn zestig jaar durende schrijversloopbaan nog een lijvig filosofisch werk geschreven; daarnaast heeft hij een reisbeschrijving gemaakt De stemmen van Marrakech over zijn reizen in Marokko. De oorlog overleefde Canetti in Londen.

Een prachtige illustratie van zijn oog en oor voor wat zich onder zijn neus afspeelt, vormt de bundel Stemmen van Marrakesch. Het is zijn meest bescheiden boekje: niet alleen in omvang (het telt zo'n honderd pagina's), maar ook in pretentie. Het is als het ware een schetsboekje van de schrijver. In veertien miniatuurtjes noteert Canetti zijn impressies van een reis die hij in 1954 maakte naar de Marokkaanse koningsstad. Hij is dan negenenveertig en nog vol verwondering en nieuwsgierigheid. Ondanks zijn enorme eruditie is hij allesbehalve blasé en zonder een spoor van dédain tegenover de primitieve samenleving die hij aantreft. Niet gehinderd door kennis van de taal (en de cultuur) laat hij zich betoveren. 'Ik wilde zo door de woorden geraakt worden als in hun klankschoonheid besloten ligt, en niets aan hun waarde laten inboeten door gebrekkige en kunstmatige kennis.' Hij verkent de stad met zijn zintuigen op scherp, met liefdevolle aandacht, zonder vooringenomenheid, ontvankelijk voor 'het andere' van de Noord-Afrikaanse werkelijkheid. 'Op reis neemt men alles zoals het valt, de verontwaardiging blijft thuis. Je kijkt, je luistert, je bent verrukt over de meest afschuwelijke dingen omdat ze nieuw voor je zijn. Goede reizigers hebben geen gevoel.'
Dat laatste is een prikkelende gedachte, maar ondertussen is Canetti wel degelijk vervuld van gevoel: van afschuw en ontzetting (over de armoede, over het wrede lot van ezels en kamelen), maar ook van ontroering door de staaltjes overlevingskunst die hij om zich heen waarneemt.
Behalve een scherp en gevoelig waarnemer is Canetti ook een heldere stilist, eenvoudig en precies in zijn taal. Ragfijn schetst hij de sfeer in de medina en in de souks. Over een steegje vol tassenwinkeltjes schrijft hij: 'Men zou zich er geheel niet over verbazen, wanneer zij plotseling, alle tassen tezamen, ritmische bewegingen zouden volvoeren en in een bonte orgiastische dans alle verleidelijkheid ten toon zouden spreiden waartoe zij in staat zijn.'
Hij is gefascineerd door de verhalenvertellers - des te meer in hun ban omdat hij ze niet verstaat -, door de klerken (de écrivains publics) en vooral door de (blinde) bedelaars met hun eindeloos herhaalde smeekbede tot Allah. Hij doopt ze tot 'de heiligen van de herhaling' en concludeert: 'De bedelaars houden zich volgens mij veeleer in leven door hun bedelformules dan door hetgeen zij bij elkaar bedelen.' Vol liefde schrijft hij over de straatschoffies die hun hele trukendoos en hun theatrale talent in de strijd werpen om de reiziger tot een kleine gift te verleiden.
Het liefst is hem een pleintje in de Mellah, de jodenwijk, waar hij een 'gelukzalige betovering' ervaart en waar hij steeds naar terugkeert. 'Ik wilde hier niet meer vandaan; honderden jaren eerder was ik hier al geweest, maar ik was het vergeten en nu herinnerde ik het me allemaal weer. Ik vond er die dichtheid en warmte van het leven uitgestald die ik in mijzelf voel. Ik was dat pleintje toen ik daar stond. Ik geloof dat ik dit pleintje altijd ben.' Zo wemelt het in dit bundeltje van de fijnzinnige observaties en reflecties.

Hij ontving de Nobelprijs voor literatuur in 1981 en stierf in 1994. De stad Zürich liet hem in een eregraf begraven, pal naast James Joyce. Canetti is tijdens zijn mobiele leven met grote delen van Europa intiem vertrouwd geraakt.

Canetti heeft drie toneelstukken geschreven, die bijna niet gespeeld worden - waarschijnlijk omdat ze gewoon niet zo goed zijn. Maar veruit het meest heeft hij geschreven. Dit zijn voornamelijk autobiografische geschriften, dat wil zeggen dagboeken, herinneringen en terugblikken op zijn leven. Er zijn een aantal bundels met aforismen, korte opmerkingen en gedachten over het leven dat hij om zich heen zag van niet langer dan een paar zinnen. Deze zijn in Nederland verschenen in de beroemde Privédomein-reeks bij de Arbeiderspers met brieven, dagboeken en herinneringen van bekende schrijvers.

Canetti vertelde over de enorme invloed die de Weense voordrachtskunstenaar en schrijver Karl Kraus op het zijn denken heeft gehad. Via Karl Kraus kwam Canetti in aanraking met Johann Nestroy, een Oostenrijkse acteur en toneelschrijver uit de negentiende eeuw. Nestroy heeft het genre van de intellectuele satire tot grote bloei gebracht. Zijn vijftig stukken waren allen bewerkingen van populaire kluchten, toverstukken en huiskamer-tragedies waarin hij de gegoede burgerij op de hak nam. En die -mede door zijn eigen hoofdrollen- juist bij deze gegoede burgerij een enorm succes werden. Karl Kraus heeft deze satire-lijn doorgezet, maar met een veel venijnigere pen. Via zijn eigen tijdschrift maakte hij alles en iedereen om zich heen belachelijk, vooral politici en kunstenaars.
In deze traditie moet ook Canetti gezien worden. Er wordt vaak gezegd dat Die Blendung zo'n zwaar en depressief boek is. Maar hoe gruwelijk het soms ook is wat Kien en de andere figuren allemaal overkomt, het is vooral erg komisch. In een gesprek met zijn vriend Herman Broch zegt Canetti hierover: '(...) Het moesten hoogst extreme figuren zijn, zo ver mogelijk op de spits gedreven. Komisch en verschrikkelijk tegelijk en wel zo dat het verschrikkelijke in het geheel niet te scheiden is van het komische.'

Canetti barst van de geheimen. Dat geldt zeker voor zijn bijna altijd raadselachtige aantekeningen. Maar ook in zijn essays, autobiografie, toneelstukken, roman of zijn niet catalogiseerbare studie Massa en Macht, stoot men voortdurend op geheimen. Ze vormen het cement van zijn oeuvre. Het lijkt wel of hij de levensduur van zijn werk afmeet aan de tijd die zijn lezers nodig zullen hebben om het laatste erin verborgen geheim te onthullen. En hij is er tamelijk gerust in dat dat nooit zal gebeuren. Met veel genoegen en trots verklaarde hij in de luttele interviews die hij heeft gegeven, dat zijn interpretatoren het belangrijkste gewoonlijk over het hoofd zagen. Zij bleven maar wat aan de oppervlakte krabben. Het grootste compliment dat hij een lezer kon geven, was dat die iets had opgemerkt dat 'nog niemand eerder had gezien'. Maar hij liet er dan gewoonlijk op volgen dat er nog heel veel te ontdekken viel en dat daar nog maar amper een begin mee was gemaakt. Canetti beschouwt zijn werk als een ark van Noach. Alle levende wezens moesten daarin een plekje krijgen. Maar die barstensvolle aanwezigheid moest niet zo nodig te zien zijn van de buitenkant. Belangrijker was dat al die levende wezens veilig tegen de ondergang beschermd waren, geheim en wel.

In onze hypercommunicatieve tijd plaatst Canetti levensgrote vraagtekens bij de communicatieve functie van de taal. Woorden dienen minder om te communiceren (want mensen verstaan mekaar toch niet, of maar half) dan om tot leven te wekken. Canetti's taalfilosofie, als je het zo noemen wil, is die van het adamisme. Dingen hebben hun juiste naam, en door ze zo te benoemen worden ze in leven gehouden (of tot leven gewekt). Als kind was Canetti verrukt toen hij van een speelkameraadje vernam dat hij genoemd was naar de profeet Elias, die in een vlammende wagen ten hemel kon stijgen. Hij nam aan dat dat een eigenschap van zijn voornaam was. Weldra zou ook hij gezwind door de lucht kunnen vliegen. Toen zijn moeder hem aan het verstand bracht dat dit alleen gold voor de profeet en niet voor hem, was hij zo zwaar teleurgesteld dat hij die naam niet langer wilde gebruiken. Hij heeft zich nooit door iemand Elias laten noemen. Die naam had zijn geldigheid voor hem verloren. Deze ervaring typeert Canetti, voor wie woorden als namen zijn. Ieder woord heeft onvervreemdbare eigenschappen, ook al heeft niemand er nog weet van. Zolang ze maar worden uitgesproken of opgetekend, zolang ze maar intact blijven, zolang iemand ze maar in leven houdt, desnoods dwazen.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 4451.

Tweets by kunstbus