kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 24-01-2016 voor het laatst bewerkt.

experimenteel proza

Experimenteel proza

In de breedste zin van het begrip gaat het over literatuur die zich afzet tegen heersende conventies en nieuwe mogelijkheden van literatuurbeleving/creatie wil scheppen. Deze nieuwe mogelijkheden spelen zich vooral af op het gebied van de taal, meer bepaald op het spel met taal. Door met taal te gaan experimenteren wil men ‘de grenzen van het zegbare verleggen en nieuwe betekenislagen aanboren [...].' (Van Gorp, 1991:137) In de Franse literatuur kwam dit spel tot uiting in de nouveau roman van Alain Robbe-Grillet.

Experimenteel proza in de Nederlandse letterkunde
Na de Tweede Wereldoorlog lijkt het of er, afgezien van de Vijftigers, geen echte groepen auteurs meer bestaan die onder die onder verschillende noemers gegroepeerd kunnen worden. In tegenstelling tot de poëzie van de Vijftigers is er enkel sprake van vernieuwingen in het proza van een enkele schrijver of in slechts een werk uit zijn hele oeuvre. Bovendien zijn vernieuwingen in de roman veel minder opvallend dan vernieuwingen in het gedicht. De roman had tijdens het interbellum al een aantal radicale vernieuwingen gekend, zoals de stream of consciousness, waardoor vernieuwend proza minder in het oog sprong dan vernieuwende poëzie. Romans die wel opvallen zijn De God Denkbaar, Denkbaar de God (1956) van W.F. Hermans, Het boek Alfa (1963) van Ivo Michiels, Het boek ik (1951) van Bert Schierbeek en Mijn kleine oorlog (1946) van Louis Paul Boon en Breekwater (1963) van Sybren Polet.

Wanneer men de Nederlandstalige roman echter gaat vergelijken met wat er op internationaal vlak aan het gebeuren is, blijkt dat er in de jaren zeventig wel experimenterende auteurs als aparte groep belicht kunnen worden. Vooral het tijdschrift Raster dat in zijn beginjaren (1967-1973) aandacht besteedt aan nieuwe ontwikkelingen op artistiek gebied speelt een belangrijke rol op het groepsvormingsproces. In dat tijdschrift probeert men in 1970 een profiel te schetsen van het experimentele proza dat zich volgens hen vooral zou bezighouden met taalbewerkingen. Het schrijfproces zelf wordt onderwerp van de literatuur. De rol van de schrijver verschuift daarbij van schepper van een fictieve werkelijkheid naar die van ‘operator' die de taal in al haar vormen bewerkt en herwerkt tot ze een nieuwe tekst vormt. Men is niet echt geïnteresseerd in de compositorische opbouw van het verhaal dan wel in het betekenisproces ervan.

Het experiment toont zich o.a. in de personages, men werkt niet langer met mooie afgeronde karakters, maar met steeds variërende en ‘verhakkelde' figuren en soms zelfs met alleen maar stemmen. Daarvoor maken schrijvers soms gebruik van manieren van spreken die toneelmatig worden uitgebeeld. Niet alleen de personages worden anders beschreven, ook plaatsen en handelingen uit het verhaal worden aan het experiment onderworpen. Dat alles moet in taal worden uitgedrukt en het spreekt voor zich dat taal een belangrijk aspect was van het experimentele schrijven. Men speelt met klank en ritmiek, bedenkt nieuwe woorden door reeds bestaande woorden samen te nemen of in stukken te breken. Vaak hebben die woorden niet langer een vaste plaats op het witte blad, maar geven ze een ‘vrije' indruk. Die nieuwe, vrije beleving van tijd en ruimte en de plaats van de mens daarin brengen de beoefenaars van het experimentele proza terug op de ontwikkelingen in de steden. Daarnaast heeft het toenemende belang van nieuwe media als film en televisie de rol van literatuur als verteller gedeeltelijk overgenomen en moet die een nieuwe functie krijgen.

Wanneer het tijdschrift 4 jaar later in boekvorm verschijnt, besteedt men nog meer aandacht aan experimenteel proza uit binnen- en buitenland en probeert men het experimentele karakter van de besproken werken te omschrijven.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 894.