kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Franse-literatuur

De Franse literatuur bestaat uit de literaire verhalende, lyrische en dramatische teksten in de Franse taal. Het gaat hierbij om teksten van auteurs uit Frankrijk en de (voormalige) Franse koloniën, uit Wallonië, Franstalig Zwitserland en Franstalig Canada.

Van een afzonderlijke Franse literatuur is sprake sinds de ontwikkeling van de Franse schrijftaal, die in de 11e/12e eeuw plaatsvond. Rond 1200 bestond er bovendien in Zuid-Frankrijk een rijke literatuur, vooral troubadourslyriek, in de Occitaanse taal: ook deze wordt tot de Franse literatuur gerekend.

In de loop van de Europese geschiedenis heeft de Franse literatuur tot het midden van de 20ste eeuw vrijwel voortdurend een leidende positie gehad, die slechts tijdelijk door de Italiaanse, Spaanse, Engelse en Duitse werd onderbroken of geëvenaard. De dominantie van de Engelse literatuur is dus een relatief recent fenomeen. Illustratief is dat gedurende de eerste 70 jaar dat de Nobelprijs voor Literatuur bestond, twaalf keer een Franse schrijver deze belangrijkste literaire prijs ter wereld kreeg.

De voornaamste literaire prijs in Frankrijk zelf is de Prix Goncourt, die sinds 1903 jaarlijks aan een prozaschrijver wordt uitgereikt.

Middeleeuwen (tot ca 1500)
De historische middeleeuwen worden meestal gesitueerd tussen zowat 400 en 1450. De literaire middeleeuwen vangen voor de Franse literatuur aan met het gebruik van het romaans (het geëvolueerde volkslatijn) als schrijftaal. Latijn zal trouwens gedurende de hele middeleeuwen de taal van een belangrijk aantal teksten blijven.

De feodale tijd (1050-1150)
De feodale maatschappij is streng hiërarchisch gestructureerd. De macht ligt in de handen van plaatselijke heren en van de Kerk. Het systeem van leenheer en leenman heeft een vrij grote verbrokkeling van die macht tot gevolg.
In deze omgeving ontstaat er een epische literatuur. 's Winters krijgen de kastelen het bezoek van rondtrekkende jongleurs die in de kastelen epische liederen zingen, de "chansons de geste". Ze verhalen van helden, vaak uit de tijd van Karel de Grote. Deze helden handelen vanuit een eergevoel dat de promotie beoogt, niet alleen van hun eigen persoon, maar vooral van hun land en de hele Christenheid. Deze liederen zijn eerst hard en wreed van toon, maar worden later zachter van inhoud.
Het bekendste voorbeeld is het Roelandslied, La chanson de Roland. Ten zuiden van de Loire, in de landen waar de langue d'oc werd gesproken, was er ondertussen een hoogstaande lyriek ontstaan, die door de troubadours werd rondgedragen. Na het huwelijk van Lodewijk VII met Alienor van Aquitanië in 1137, wordt deze lyriek noordwaarts gestuwd, naar de landen van de langue d'oïl, ten noorden van de Loire. Als Alienor zal scheiden en in 1152 zal hertrouwen met de Engelse koning Hendrik II Plantagenêt, steekt de Occitaanse lyriek mee het Kanaal over.

De hoofse tijd (1150-1250)
Op politiek vlak wordt deze periode gekenmerkt door een centralisatie van de macht onder de Franse koningen Philippe-Auguste en de Heilige Lodewijk IX. In de architectuur verschijnt de gotische stijl (bouw van de Notre Dame van Parijs).
De epische teksten verfijnen: assonantie wordt door rijm vervangen. Gevoelens doen hun intrede, en de vrouw krijgt een grote rol toebedeeld in de hoofse liefde. De superhelden krijgen meer menselijke trekjes. Bovendien doen magische elementen hun intrede.
De "chansons de geste" evolueren op die manier naar de hoofse roman of roman courtois (een roman is een tekst die geschreven is in de romaanse volkstaal, en niet in het Latijn). De romans zijn in meerdere cycli onder te verdelen. Zo zijn er verhalen die geïnspireerd zijn op de Oudheid (Le roman d'Alexandre ; Le roman de Troies). Bekender bij ons is de Bretoense cyclus: de romans die ertoe behoren verhalen de avonturen van koning Arthur en de ridders van de Ronde Tafel (Lancelot, Parsifal, ...), van Tristan en Isolde, enz. (Chrétien de Troyes, Perceval ou le roman du Graal, ± 1180; Tristan et Iseut). Daarnaast bestaat er ook een satirische literatuur, waar de burger zich vrolijk kan maken over adel en geestelijkheid. (Le roman de Renart, 1e helft van de 13e eeuw).

De eerste bekende vrouw uit de Franse letterkunde is Marie de France, die leefde aan het hof van Hendrik en Alienor. Zij schreef er haar lais, korte sprookjesachtige teksten in versvorm, waarin zij Keltische verhaalstof verwerkt.

De kroniekschrijvers behandelen de politieke gebeurtenissen bij uitstek van die tijd: de kruistochten. (Geoffroy de Villehardouin, La conquête de Constantinople, ± 1200.)

De gemeenten (1250-1350)
Naarmate de burgerij aan belang wint, gaan de steden zich onafhankelijker opstellen. De genres uit de vorige periode (chansons de geste, romans) overleven zichzelf in deze eeuw die niet uitmunt door originaliteit. Gelukkig is er nog het toneel dat zich langzaam ontwikkelt, en de filosofie van Thomas van Aquino. Men gaat de literatuur op een meer gekunstelde manier bedrijven, onder andere door het schrijven van allegorieën, waar natuur- en psychologische kenmerken worden verpersoonlijkt (de Dood, de Liefde, ...) Alles is symbool voor het christelijk geloof.

De Honderdjarige Oorlog (1340-1440)
Twee genres bloeien in deze ramptijd: de kronieken verhalen van de oorlog (Jean Froissart), de poëzie maakt een innerlijke vlucht mogelijk.
Dit is de periode waarin de Rederijkers (Rhétoriqueurs) opkomen: hun poëzie is niet natuurlijk of spontaan, maar aan strikte regels gebonden. Ballade en rondeel zijn voorbeelden van deze conventionele en formalistische dichtkunst. Een bekend dichter is Charles d'Orléans, neef van koning Charles VI.
Op toneelgebied is er een grote productie van "miracles" en "passions", mirakel- en passiespelen.

Einde van de middeleeuwen (1450-1500)
De rijke handelaars hebben de macht van de adel minstens ten dele overgenomen. De Nieuwe Wereld wordt ontdekt. De Renaissance komt naderbij.
De Rederijkers kennen hun triomfen. Toch onthouden we vooral de veel persoonlijker toets uit de gedichten van François Villon, de belangrijkste dichter uit de late middeleeuwen, wiens talrijke balladen een weerslag zijn van zijn avontuurlijke leven..
Het toneel wordt uitgesproken volks-komisch in de kluchtige blijspelen of farces.
Philippe de Commynes schrijft zijn kronieken.

Franse literatuur in de 16e eeuw
Al in de 15e eeuw kondigde in West-Europa een aantal factoren de komende Renaissance aan: een groeiend individualisme, aardrijkskundige ontdekkingen, de Italiaanse invloed, het toegenomen contact met en de filologische studie van de antieke literatuur en de verspreiding van de boekdrukkunst. In de 16e eeuw dan gaat het theocentrisch Middeleeuws denken over in een meer anthropocentrische gerichtheid: mens en rede krijgen een centralere plaats in denken en beleving. Ook de Hervorming past in deze beweging, als men met name de kritische bronnenstudie op de Bijbel gaat toepassen.

De laatste grote Rederijker is Clément Marot (1496-1544). Toch hoort hij al bij de nieuwe tijd door de badinerende stijl van zijn liefdes- en gelegenheidsgedichten en zijn protestantse sympathieën.

De eerste literaire "reus" van deze periode is François Rabelais (1494-1553?): eerst monnik, dan priester, vervolgens geneesheer, maar vooral humanist. Beroemd zijn zijn reuzenverhalen Gargantua en Pantagruel. Achter de verbale stortvloed en het soms wat boertig aandoende komische karakter worden ideeën van de Renaissance zichtbaar: vertrouwen in de mens, morele, pedagogische en politieke vrijheidsdrang en zucht naar kennis.

La Pléiade
In 1549 laat Joachim Du Bellay (1522-1560) een manifest verschijnen, getiteld La défense et illustration de la langue française. De Franse taal moest "verdedigd" ("défense") worden tegen de humanisten, die door een te beate bewondering van de Antieke schrijvers het Latijn tot enige literatuurtaal wilden maken. Het Frans moest ook "verrijkt" ("illustration") worden: qua woordenschat door ontleningen aan het Italiaans, aan verschillende Franse dialecten, aan het Latijn en aan het Grieks; inhoudelijk door het opnemen van Griekse en Latijnse mythologische elementen; stilistisch door literaire genres te ontlenen aan het Latijn, en aan de Italiaanse Renaissance (ode, epos, sonnet).
Een groep van zeven dichters, die zichzelf "La Pléiade" (het Zevengesternte) noemt, zal deze ideeën in praktijk brengen. Du Bellay en Ronsard zijn hun aanvoerders.
Joachim Du Bellay schrijft eerst gedichten (L'Olive) waarin hij, zoals Petrarca, de liefde op een idealistische wijze benadert. Hij volgt zijn oom, kardinaal Du Bellay, naar Rome. Eerst bezingt hij het oude Rome (Les antiquités de Rome), maar al snel krijgen ontgoocheling en nostalgie naar zijn geboorteland de bovenhand (Les Regrets).
Pierre de Ronsard (1524-1585) werd al jong door zijn doofheid gedwongen af te zien van een carrière in de diplomatie of in het leger. Hij zoekt zijn heil in de poëzie en wordt al snel de prins der Franse dichters. Het bekendst is hij om zijn epicuristische liefdesgedichten (Les Odes, Les Amours).
De Pléiade was een Parijs fenomeen. Maar de vernieuwingsbeweging was ook aan het werk in Lyon. Maurice Scève (1510-1564) is min of meer de voorvader van de hermetische poëzie. Ook zijn sterk symbolische liefdepoëzie onderging de invloed van Petrarca.

De godsdienstoorlogen
Omstreeks 1560 beginnen in Frankrijk de godsdienstoorlogen tussen katholieken en Hervormingsgezinden. Ze zullen pas eindigen als "de goede koning" Hendrik IV in 1593 zijn geloof afzweert. Sommige auteurs kiezen openlijk stelling, zoals de katholiek Blaise de Monluc (1502-1577) of de militante protestant Agrippa d'Aubigné (1552-1630) (Les tragiques).

Montaigne
Ver van het gewoel houdt zich Michel Eyquem, heer van Montaigne (1533-1592). Zijn gevoelige natuur en zijn zwakke gezondheid brengen hem ertoe diep na te denken over de wisselvalligheid van het leven. Inspiratie zoekt deze hyperbelezen auteur bij zijn geliefde klassieken. In zijn Essais, die vanaf 1580 verschijnen, neemt hij eerst een stoïcijnse houding aan, die later evolueert naar een mild sceptische levenskunst: leven is zich voorbereiden op de dood. Van hem is de beroemde formule "Que sais-je?"

De romantiek (circa 1800-1850)
De romantische beweging komt op gang in Duitsland en Engeland omstreeks 1750. Ongeveer een halve eeuw later manifesteert ze zich in Frankrijk. De Rede en de Verlichting hebben hun tijd gehad. Nu heersen gevoeligheid en individualisme: het onduidelijke melancholische lijden van het ik wordt vertaald in termen als "mal du siècle", "Spleen", "Weltschmerz". Romantische topics zijn o.a. de hernieuwde ontdekking van de christelijke middeleeuwen; de natuur als spiegel van de zielkundige toestand van de protagonisten; typische locaties als ruïnes, berglandschappen (liefst door de maan beschenen), afgronden, watervallen, enz. Karakteristiek is verder de voorliefde voor verbeelding, droom, mysterie, het fantastische en het metafysische. De vorm wordt meer en meer van voorschriften bevrijd; zo creëert men o.a. poëtisch proza.
. François René de Chateaubriand (1768-1848), Atala (1801); René (1805); Mémoires d'outre-tombe (1848-1850), Le génie du christianisme.
. Madame de Staël, De l'Allemagne (1813)
. Benjamin Constant (1767-1830), Adolphe.
. George Sand (1804-1876), La mare au diable.
. Victor Hugo (1802-1885), Notre-Dame de Paris; Les Misérables (1862); Les Contemplations (1856).
. Alfred de Vigny (1797-1863), Les Destinées (1864)
. Alphonse de Lamartine (1790-1869), Méditations poétiques (1820).
. Alfred de Musset (1810-1857), Lorenzaccio (1834).
. Gérard de Nerval (1808-1855), Aurélia (1855).
. Alexandre Dumas père (1803-1870), Les trois mousquetaires.
. Eugène Sue (1804-1857), Les mystères de Paris.
. Charles-Augustin Sainte-Beuve (1804-1869), Les Lundis (literaire kritiek).
.Jules Michelet (1798-1874), Histoire de France (geschiedschrijving).

Realisme, naturalisme en de "Parnasse" (± 1850-1880)

Realisme
Niet gevoelens, maar gedragingen -de materiële buitenkant- worden op een objectiverende manier beschreven. De mens wordt in zijn omgeving geplaatst. In de roman grijpt de confrontatie plaats tussen een persoon, dikwijls van lagere sociale komaf, en de maatschappij. De romans van Balzac zijn een architecturale constructie van taferelen. Stendhal interesseert zich meer voor psychologie; eigenlijk kan hij zowel bij de romantiek als bij het realisme worden ondergebracht. De personages van Flaubert zijn passief, tot mislukkingen veroordeeld, hun leven stelt "bijna niets" voor.
. Honoré de Balzac (1799-1850), La comédie humaine (1830-1850): o.a. Le Père Goriot (1834), Le Lys dans la vallée (1835).
. Gustave Flaubert (1821-1880), Madame Bovary (1857), L'Éducation sentimentale (1869).
. Stendhal (1783-1842), Le rouge et le noir (1830), La Chartreuse de Parme (1839).
. Prosper Mérimée, Carmen, Colomba.
. Edmond (1822-1896) en Jules (1830-1870) Goncourt
. Alphonse Daudet (1840-1897), Lettres de mon moulin.

Naturalisme
Ten gevolge van de industrialisering ontstaat een proletariaat. Filosofie, sociologie, psychologie en biologie gaan de literatuur beïnvloeden (het positivisme van Auguste Comte, het "scientisme" van Ernest Renan, de evolutieleer van Charles Darwin). De experimentele roman wordt een laboratorium voor personages: hun leven wordt gedetermineerd door sociale en historische omgeving, zowel psychologisch als biologisch zijn ze erfelijk bepaald. Het naturalisme is een doorgedreven realisme: het geeft een gedetailleerde beschrijving van het maatschappelijk leven; het neemt de nieuwe wetenschappelijke inzichten in zich op; het legt de nadruk op de negatieve tot soms ronduit morbide kanten van het leven (depressies, sociale ellende, ontregelde seksualiteit... De bekendste vertegenwoordigers van de naturalistische stroming zijn Zola (roman) en de Maupassant (novelle).
. Émile Zola (1840-1902), Les Rougon-Macquart: o.a. L'Assommoir (1877), Germinal (1885).
. Guy de Maupassant (1850-1893) Bel-Ami (1885), Le Horla (1887).

"Parnasse"
Deze beweging, genoemd naar de Parnassusberg, beoogt een poëzie met een zuivere vormschoonheid, zonder morele gepreoccupeerdheid. Ze wordt samengevat in de bekende formule "l'Art pour l'Art": alleen datgene kan mooi zijn, wat zonder enig nut is, tot niets kan dienen.
. Charles Baudelaire (1821-1867), Les Fleurs du Mal (1857), Le Spleen de Paris *(1869).
. Théophile Gautier (1811-1872), Mademoiselle de Maupin (1836).
. Leconte de Lisle (1818-1894).
. José-Maria de Hérédia (1842-1905)

Het symbolisme (1880-1900)

Poëzie
De symbolistische gedichten zijn extreem subjectief. In vage symbolen wordt de gemoedstoestand van de dichter gesuggereerd in plaats van uitgedrukt. Het "symbool" kan een woord zijn, of een stijlfiguur, of een beeld, of alleen maar een klank: het geeft de geheimzinnige "correspondances" (overeenkomsten) weer tussen de ziel van de dichter en de tastbare wereld. Via dit symbool, dat voor meerdere interpretaties vatbaar is, maakt de dichter de overgang van de reële naar de ideële wereld. De taal is vaak hermetisch en komt soms artificieel over. Het vers is ondertussen helemaal vrij geworden. De poëzie is, om het met Verlaine te zeggen, "de la musique avant toute chose".
. Charles Baudelaire
. Paul Verlaine (1844-1896), Poèmes saturniens (1866) ; Romances sans paroles (1874).
. Arthur Rimbaud (1854-1891), Poésies (1869), Une saison en enfer (1873).
. Stéphane Mallarmé (1842-1898), Poésies (1887)
. Émile Verhaeren (Vlaming) (1855-1916), Toute la Flandre.

Toneel
Het symbolisme heeft ook in het toneel één belangrijke vertegenwoordiger: de Vlaming Maurice Maeterlinck (1862-1949) met zijn stukken Pelléas et Mélisande en L'oiseau bleu.

De "fin de siècle"-roman
Ook enkele romanschrijvers kunnen bij de symbolistische beweging worden gerekend. Ze verzetten zich tegen het positivisme en de wetenschappelijkheid van het naturalisme. Ze herwaardeerden het individu als dusdanig. Hun romans zijn vaak van een donkere mystieke tonaliteit.
. Barbey D'Aurevilly (1808-1889), Les Diaboliques (1874).
. Villers de L'Isle-Adam (1838-1889), Les Contes cruels.
. Joris-Karl Huysmans, À rebours (1884).
. Georges Rodenbach (Vlaming), Bruges-la-Morte.

...-1914: Het "fin de siècle".
Pierre Gaxotte stelde dat "de 19e eeuw eindigde op 4 augustus 1914". De periode van 1870 tot 1914 wordt gekenmerkt door een veralgemeend pessimisme, decadentie, een "fin de siècle"-gevoel. De mentaliteit van de "Belle Epoque" is 19e-eeuws. Maar sociale conflicten leiden tot een verdere ontvoogding van de arbeidersklasse. In politiek opzicht vormen internationale allianties de fatale constellatie die de Eerste Wereldoorlog mogelijk zal maken. Deze "Grote Oorlog" is een ramp voor overwinnaars en overwonnenen, op menselijk, politiek en economisch vlak.

In deze periode maken we de opkomst mee van de arbeidersbeweging, van het anarchisme, en van het socialisme van Jean Jaurès. De zaak Dreyfus verdeelt Frankrijk ten gronde. Links verovert de macht.De schrijvers van deze periode geven in hun werk een beeld van deze woelige tijd, en zien het tegelijk als hun taak om hun lezers de weg te helpen vinden.
. Emile Zola, J'accuse (1898) (Zola neemt de verdediging van Dreyfus op zich).
. Maurice Barrès, La Colline inspirée (1913) (traditioneel nationalisme).
. Charles Maurras, Le voyage d'Athènes (1898) (antidemocratisch monarchisme).
. Romain Rolland, Jean-Christophe (1912) (socialisme, humanisme*, pacifisme).
. Charles Péguy, Le mystère de la charité de Jeanne d'Arc (1910) (katholiek socialisme).
. Anatole France, Les opinions de Jérôme Coignard (1893) (rationalistisch humanisme).

Irrationalistische tendensen.
De 19e-eeuwse positivistische manier van denken blijft de hele 20e eeuw doorwerken. Maar tegelijk stelt men het absolute karakter ervan op diverse manieren ter discussie. Het vertrouwen in de ontdekkingen van de wetenschap wordt o.a. weggeërodeerd door de bevindingen van Sigmund Freud over het onbewuste, en door de relativiteitstheorie van Albert Einstein (1905). Schrijvers die voorheen het positivisme beleden "bekeren" zich tot het katholieke geloof, tot het boeddhisme, zelfs tot het occultisme. De literatuur van symbolisten als Stéphane Mallarmé, Joris-Karl Huysmans, André Gide en Émile Verhaeren wordt steeds minder toegankelijk, en verglijdt naar decadentisme.
. Pierre Louÿs, Les chansons de Bilitis (1894).
. Maurice Maeterlinck, Pelléas et Mélisande (1892).

Geboorte van de moderne poëzie.
De beweging van "l'Art pour l'Art" streefde vooral naar een absolute stylistische schoonheid. De poëzie van het begin van de 20e eeuw richt een -vernieuwde- aandacht op wereld en werkelijkheid.
. Victor Ségalen, Les Immémoriaux (1907).
. Blaise Cendrars, La Prose du Transsibérien (1913).
. Guillaume Apollinaire, Alcools (1913) en Calligrammes (1918).
. Paul Valéry, La jeune Parque (1917).

Toneel.
Vernieuwingsdrang vindt men bij één auteur die verregaand absurd toneel schrijft. Zijn stukken waren trouwens oorspronkelijk bedoeld voor het marionettentheater.
. Alfred Jarry, Ubu Roi (1896).
Voor het overige worden er vooral amusementstoneelstukken geschreven: de schrijvers willen de burgers van de Belle Époque entertainen, zij het op een ironisch spottende wijze.
. Georges Feydeau, On purge bébé (1910)
. Georges Courteline, Messieurs les Ronds-de-Cuir (1910).

Romanliteratuur.
Zoals gezegd zijn de meeste romans gekenmerkt door hun politiek engagement. Daarnaast worden er toch ook verschillende andere thema's behandeld. Bijvoorbeeld de wereld van de adolescenten...
. Alain-Fournier, Le Grand Meaulnes (1913).
. Valéry Larbaud, Fermina Marquez (1911).
. Louis Hémon, Maria Chapdelaine (1913).
... of de "perversiteit" van een bepaald soort burgerij.
. Octave Mirbeau, Journal d'une femme de chambre (1900).

Franse literatuur in de 20e eeuw
De ideologische oorlog volgt op de oorlog van de natiestaten. Verschillende autoritaire regimes zien het licht, zowel ter linker- (oktoberrevolutie als ter rechterzijde (Italië, 1922 - Duitsland 1933). In 1929 luidt de "Krach" van Wall Street de grote economische crisis in. Ook de parlementaire regimes gaan bankroet (1936: Volksfront in Frankrijk; de Spaanse burgeroorlog). De Tweede Wereldoorlog vertoont, naast de gebruikelijke verschrikkingen, ook een macabere nieuwigheid: de nazi-concentratiekampen.
Het einde van de oorlog in 1945 is het begin van een schijnvrede: er is de Koude Oorlog tussen Oost en West; en de dekolonisering is de aanzet van een economische oorlog tussen Noord en Zuid. Op deze twee spanningslijnen ontstaan in de hele wereld talrijke conflicthaarden, waarboven dan ook nog de dreiging hangt van de nucleaire Apocalyps, de algehele vernietiging van de wereld.
De enorme wetenschappelijke en technische vooruitgang dient de oorlog en de mogelijke vernietiging van onze planeet. Hij wordt niet gebruikt voor de ontwikkeling van landen en volkeren. Deze absurde situatie ondergraaft vele psychologische, filosofische, en morele waarden. En de kunst, en meer bepaald de literatuur, gaat meer en meer vragen stellen, maar geen antwoorden meer leveren.

1914-1940: Op zoek naar nieuwe waarden.
Vlak na het einde van de eerste wereldoorlog komen de dolle jaren '20. Maar de vragen en onrust die door de oorlog werden opgeroepen hebben een diepliggende malaise veroorzaakt.
Heel wat schrijvers reageren tegen de mediocriteit van de massa, die de lessen van de oorlog niet schijnt begrepen te hebben. Bij zowat allen staan de literaire creatie, en het belang van het individu centraal. In hun meestal traditioneel opgevatte werken neemt de psychologische analyse een centrale plaats in.

Het individu wordt getranscendeerd in het unanimisme, dat het bestaan van een groep (massa, stad, natie, continent) voelbaar wil maken. Het zingt de lof van solidariteit, wederzijds begrip, naastenliefde, die de mens boven zichzelf doen uitstijgen.
. Jules Romains, Les hommes de bonne volonté (roman), Knock ou le triomphe de la médecine (toneel) (32-46).

Godsdienst kan de mens helpen om problemen op te lossen in plaats van ervoor te vluchten in het vermaak van de dolle jaren '20.
. Paul Claudel, Le soulier de satin (toneel)(24), L'annonce faite à Marie (toneel)(12).
. François Mauriac, Thérèse Desqueyroux (27), Génitrix (23), Le noeud de vipères (32), Le mystère Frontenac (33).
. Julien Green, Léviathan (29), Moïra (50).
. Georges Bernanos, Journal d'un curé de campagne (36), Dialogue des Carmélites (toneel)(48).

Voor verschillende schrijvers is de waarde van de mens het vertrekpunt om de problemen van het leven aan te pakken.
. Jean Anouilh, Le bal des voleurs (32), Le voyageur sans bagage (toneel)(37), Antigone (32), La répétition ou l'amour puni (47) (toneel).
. Jean Giono, Regain (30).
. Roger Martin du Gard, Les Thibault (22-40).
. Georges Duhamel, Les Pasquier (33-41).
. Jean Giraudoux, La guerre de Troie n'aura pas lieu (toneel)(35).
. Henry de Montherlant, Les Jeunes Filles (36), La reine morte (toneel)(42).
. Antoine de Saint-Exupéry, Terre des hommes (39).
. Raymond Radiguet, Le diable au corps (23).

Naast de meesters van de traditionele stijl ...
. Colette, La maison de Claudine (22).

... zijn er anderen die in hun literaire techniek een aanzet geven tot vormvernieuwing.
. Saint-John Perse, Éloges (11), Vents (46)(poëzie).
. Marcel Proust, A la recherche du temps perdu (13-27).
. André Gide, Les Faux-Monnayeurs (25), L'immoraliste (02), La porte étroite (08), Les caves du Vatican (14), La symphonie pastorale (19).
. Louis-Ferdinand Céline, Voyage au bout de la nuit (32), Mort à crédit (36), Nord (60), Rigodon (69).
. Jean-Paul Sartre, La nausée (38).
. Albert Camus, L'Etranger (42).
. Jean Cocteau, Les enfants terribles (29).

Uitgesproken politieke opvattingen zijn meestal afwezig in al de tot hiertoe opgesomde werken. De ontwikkelingen die de Franse en internationale politiek in de jaren '30 doormaken, zullen de meeste schrijvers ertoe brengen positie te kiezen.

Dada en het surrealisme (1916-1940)
Enkele groepen schrijvers gaan de wereld en de "cultuur" die de Eerste Wereldoorlog mogelijk maakten in hun geheel verwerpen. Zo bijvoorbeeld de scherp negatieve, agressieve, nihilistische, antiburgerlijke, antinationalistische "Dada"-beweging. (16-20)
. Tristan Tzara, Manifeste Dada (18).

De groep van de surrealisten (20-±60), met André Breton als onbetwiste leider, is complexer. De schrijvers sympathiseren met revolutionaire ideologieën (marxisme, materialisme). Tegelijk worden zij aangetrokken door de totale vrijheid, tot in het irrationele. De groep zal dan ook uiteenvallen.

Sommigen blijven die contradictie koesteren.
. André Breton, Manifeste du Surréalisme (24), Nadja (28), Second Manifeste du Surréalisme (30), L'amour fou (37).
. Benjamin Péret, Le grand Jeu (poëzie)(28).

Sommigen verlaten de groep omdat ze geen politiek engagement willen.
. Antonin Artaud, Le théâtre et son double (essais)(32).

Nog anderen laten de groep achter, juist om een politieke functie te kunnen uitoefenen.
. Louis Aragon, Le paysan de Paris (roman).

De surrealisten, die voorlopers hadden zoals Apollinaire, Cendrars, Jarry, reageren tegen de traditionele esthetica en literaire vormen. De traditionele schriftuur vervangen zij door taalspelen (collages, "écriture automatique", ...). Ook inhoudelijk voeren zij een radicale revolutie door: het surreële kennen, en zo de vrijheid veroveren, kan niet via de ratio, maar via poëzie, via het bovennatuurlijke ("l'amour fou", dromen, waanzin, toeval, erotiek, het freudiaanse onbewuste ...).
. Jules Supervielle, L'enfant de la haute mer (sprookjes)(31).
. Paul Éluard, Capitale de la douleur (poëzie)(26).
. René Char, Le marteau sans maître (poëzie)(34).
. Robert Desnos, Corps et biens (poëzie)(30).

Vele procedés van de surrealisten zijn ondertussen gemeengoed geworden. Maar in hun tijd vormden zij een avant- garde, bekend bij intellectuelen en artisten, maar niet bij het grote publiek.

Geëngageerde literatuur (1930-1960) (De term komt van Sartre, bij wie het dan wel uitsluitend gaat om een links engagement.)
De turbulente geschiedenis van de 20e eeuw (2 wereldoorlogen; economische crisis; burgeroorlogen; communisme; nazisme; fascisme; opkomst en verdwijnen van supermachten; ...) brengt heel wat schrijvers tot een politiek engagement, minstens in hun schrijven, soms ook in hun handelen.

Communisme.
. Louis Aragon, Le monde réel (34-51).

Links engagement in het algemeen.
. Jean-Paul Sartre, Les chemins de la liberté (45-51), Les mains sales (toneel)(48).
. Albert Camus, La Peste (47), L'homme révolté (essai)(51).

Nationalisme (na de oorlog wordt dit het gaullisme).
. André Malraux, La condition humaine (33), L'espoir (37).

Rechts engagement.
. Pierre Drieu la Rochelle, Notes pour comprendre le siècle (essais)(41).
. Robert Brasillach, Notre avant-guerre (essais)(41).

Uiterst rechts.
. Louis-Ferdinand Céline, Bagatelles pour un massacre (37).

Politiek geëngageerde literatuur beoogt sociaal nut, ze wil de wereld veranderen. De eerste bedoeling van de schrijvers is een boodschap overbrengen i.p.v. vormvernieuwing. Typische genres zijn het pamflet, de thesisroman, politiek theater. Dat "utilitarisme" belet overigens niet dat sommige werken uitzonderlijke literaire kwaliteiten bezitten.

Opkomst van de massacultuur (1918-...)
"Massacultuur" dient hier te worden verstaan als een cultuur waarvan de producten massaal worden geproduceerd, om door de massa te worden geconsumeerd.
De massa verkrijgt toegang tot die cultuurproducten, niet via het onderwijs, maar via de "nieuwe" media: vooral de film (Fernandel en Jean Gabin zijn twee bekende acteurs uit deze periode) en de radio (Edith Piaf, Maurice Chevalier, Tino Rossi).

De middenklasse en de kleine burgerij vormen het publiek van het boulevardtoneel.
. Sacha Guitry
. Marcel Pagnol, Marius / Fanny / César (28-31), Topaze (28).

Ook het stripverhaal vindt massaal zijn ingang bij het publiek, zowel ingevoerd uit Amerika (Tarzan, Superman), als authentiek Franstalig (Kuifje).

Franse literatuur 1960-1980
In de Franse literatuur in de 20e eeuw (1960-1980) hebben de ideologieën veel van hun glans verloren, men vindt steeds minder voorgekauwde antwoorden op de problemen die zich stellen. De literaire creativiteit wordt dan ook een individueel project waarin originaliteit vaak samengaat met wanhoop. Daarbij komt dat de nieuwe generatie van adolescenten beeld- en muziekcultuur (vooral van Angelsaksische origine) verkiest boven lectuur.
Het boek wordt een consumptievoorwerp. De kwaliteit van het lezen is vaak omgekeerd evenredig met het aantal lezers. Het lezerspubliek splitst zich op: er zijn teksten die worden geproduceerd voor massaconsumptie (pulpmagazines, stripverhalen, stationsromans, science-fictionverhalen, detectiveromans, romans van schrijvers als Guy Des Cars), en teksten die zich vooral richten op een intellectuele elite (avant-garde-literatuur) of minstens een gecultiveerd publiek (de "klassieke" teksten van Middeleeuwen tot Tweede Wereldoorlog).

Het einde van de ideologieën is waarschijnlijk de belangrijkste tendens die zich vanaf het begin van de jaren '70 aftekent. Jongeren, intellectuelen, de mensen in het algemeen lijken elke hoop, elk politiek ideaal op te geven. Ze engageren zich steeds minder in groepen met een sterke politieke of ideologische kleur. Eerder neutraal getinte bewegingen zoals de Groenen of de Vredesbeweging krijgen daarentegen meer aanhang.

De jonge talenten uit de vorige generatie zijn nu patriarchen geworden: Jean-Paul Sartre, Louis Aragon, André Malraux.
De "nouveau roman" en het "nouveau théâtre" verdwijnen vanaf de jaren '70 van de voorgrond. Maar het literaire experiment blijft bestaan.
. Raymond Queneau, Zazie dans le métro (59)
. Georges Pérec, La vie mode d'emploi (78)
Bestseller-auteur is o.a.:
. Henri Charrière, Papillon (69)
Schrijvers met een eerder klassieke factuur:
. Bernard Clavel, Malataverne (60), Le voyage du père (65)
. Henri Troyat, La neige en deuil
. Patrick Modiano, Rue des boutiques obscures (78), De si braves garçons (82)
En een origineel, de door mythes en metafysica geobsedeerde
. Michel Tournier, Vendredi ou les Limbes du Pacifique (67), Le Roi des Aulnes (70), Les Météores (75), Le Coq de Bruyère (78), Gaspard, Melchior et Balthazar (80).
Sommige genres van de massacultuur vinden hun weg naar een gecultiveerd publiek: chansons (Jacques Brel, Léo Ferré), sketches (Raymond Devos), onafhankelijke en vaak agressieve strips (Claire Brétécher).
Probleemromans voor een breed publiek:
. Claire Etcherelli, Elise ou la vraie vie (67)
. Christiane Rochefort, Les petits enfants du siècle (61)
De beschrijving van de eenzaamheid als zinzoeken in de romans van:
. Jean-Marie Gustave Le Clézio, Le procès-verbal (63), La fièvre (65), Désert (80).
Er tekent zich een groeiende belangstelling af voor regionale talen en culturen bij chansonniers als Martí (Occitaans) en Stivell (Bretoens) en romanciers als Bodon (Occitaans).
Er verschijnen nog steeds feministische romans:
. Dominique Rolin, Le lit
. Benoîte Groult, Ainsi soit-elle.
In het toneel wordt de verdeling van scène en zaal gereorganiseerd, en klassieke stukken krijgen een modernistische interpretatie, bijvoorbeeld in het "Théâtre du Soleil van Ariane Mnouchkine).
De universitaire wereld kent een nieuwe generatie van leidinggevende denkers (structuralisten en post-structuralisten).
. Filosofie, sociologie, anthropologie: Jacques Lacan, Louis Althusser, Claude Lévi-Strauss, Michel Foucault, Jean Baudrillard, Raymond Aron, Régis Debray, Gilles Deleuze, Jacques Derrida, René Girard, Ernest Mandel, Paul Ricoeur, André Glucksmann, Bernard-Henri Lévy.
. Literatuurkritiek en -theorie: Roland Barthes, Gérard Genette, Julia Kristeva.
. Taalkunde: Oswald Ducrot, Algirdas Greimas, André Martinet, Nicolas Ruwet, Tzvetan Todorov.
. Biologie: Henri Laborit.
. Geschiedschrijving: Philippe Ariès, Fernand Braudel, Jean Delumeau, Georges Duby, Emmanuel Le Roy Ladurie.


Copyright, This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Franse_literatuur
Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 1674.