kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 11-04-2008 voor het laatst bewerkt.

Friedrich Schiller

(geadeld in 1802), (geb. 10.11.1759 - gest. 9.5.1805), naast Johann Wolfgang von Goethe, de belangrijkste dichter van het Duitse classicisme.

Het leven en werk van Schiller laat zich in drie afzonderlijke perioden opdelen:
A. De periode van verovering en prestatiedrang
Schiller, zoon van een heelmeester en officier, werd reeds in zijn jonge jaren met het despotisme van de absolutistische willekeursheerschappij in Württemberg geconfronteerd. Hij werd door Hertog Karel Eugen van Württemberg gedwongen de militaire en ambtenarenschool in Stuttgart te bezoeken. Hij studeerde aanvankelijk rechtswetenschappen, later medicijnen (1773-1780). Aansluitend hierop was hij regimentsarts in Stuttgart. Schiller ontdeed zich echter spoedig van dit weinig geliefde beroep en vluchtte, nadat hij van de Hertog een verbod tot publiceren had gekregen naar Meiningen in Thüringen.

Zijn existentie als ongebonden schrijver garandeerde weliswaar geestelijke onafhankelijkheid, maar bracht hem wel in grote financiële problemen. Schillers maatschappelijke situatie verscherpte zich nog, toen zijn contract met het nationale theater in Mannheim ten einde liep. Daar werkte hij in 1783 en 1784 als theaterdichter. Hierop besloot hij op een uitnodiging in te gaan van een, hem tot dan toe niet bekende vereerder en woonde vervolgens twee jaar bij Christiaan Gottfried Körner (1785-1787).

Jeugdwerk
In zijn jeugdwerk, dat tot de Sturm und Drang wordt gerekend, protesteert Schiller tegen de politieke realiteit van zijn tijdperk. Hij zet zich hierin af tegen het despotisme, de heerschappij van willekeur en de gecalculeerde macht van de absolutistische maatschappij en stelt hier menselijke waarden tegenover, zoals sentimentaliteit, liefde en oprechtheid van hart en ziel. Zo zijn in het toneelstuk Die Räuber (De rovers, 1781) de broers Frans en Karel Moor elkaars tegenpolen. De ene, een kille, op politieke macht beluste intrigant, en de andere een voor persoonlijke autonomie vechtende rebel. Dit stuk oefende toentertijd een volledig nieuwe en spectaculaire werking uit op het theaterpubliek.

Ook in Kabale und Liebe (Intrige en liefde, 1784) stelt Schiller met het individuele, zelfgenoegzame geluk van Louise Millerin een pendant tot de abstracte waarden en de morele corruptie van het hofleven.

Vrijheid
De centrale probleemstelling in deze drama's vormt het begrip 'vrijheid'. Hierbij wordt de ongebonden, willekeurige vrijheid van het individu tegenover de ‘vrijheid' als algemene zedelijke vordering gesteld.

B. De periode van de filosofische en dichterlijke verhandelingen
Na het tweejarig verblijf in Dresden, reist Schiller in 1789 naar Weimar. Hier moest hij zich in eerste instantie als redacteur en uitgever van tijdschriften door het leven slaan, tot hij door bemiddeling van Goethe, die hij een jaar eerder had leren kennen, een - in het begin onbetaald- professoraat voor geschiedenis en filosofie te Jena kreeg. In 1790 huwde hij met Charlotte von Engefeld. Toen in 1791 de gezondheidstoestand van Schiller vanwege een zware longaandoening sterk verslechterde, kreeg hij van de Deense prins een pensioen, waardoor zijn levensonderhoud was verzekerd. Schiller droeg als dank zijn beroemde verhandeling Über die ästhetische Erziehung des Menschen (Over de esthetische opvoeding der mensheid, 1793) aan hem op.

Theoretische reflecties
Deze periode van filosofische en dichterlijke verhandelingen, waarin Schiller zich zeer intensief met de werken van Immanuel Kant bezighield, staat in nauw verband met de ontwikkelingen van de Franse Revolutie. Zijn theoretische reflecties vormden de manier om de gebeurtenissen van deze tijd door een aan dezelfde tijd ongebonden, abstracte denkwijze te benaderen. Het spanningsveld tussen de maatschappelijke realiteit en menselijke idealen, dat in het, in bloedige anarchie en willekeur uitmondend verloop van de revolutionaire strijd voor vrijheid, gelijkheid en broederschap, steeds duidelijker naar voren kwam, werd door Schiller beantwoord met een programma voor de esthetische opvoeding van de mens. Slechts in esthetische voorbeelden - zo was Schillers basisgedachte - kon de mens, nu hij geen positieve metafysische kennis meer over zichzelf mocht veronderstellen, met andere woorden, niet meer aan een dogmatisch gefixeerde drang onderhevig was - conform de geschiedkundige situatie sinds de Verlichting- iets over zijn betrekking tot de wereld te weten komen. Slechts de kunst was in staat deze gespletenheid van de mens in haar natuur en zedelijkheid te overwinnen.

Schillers theoretische werk, zijn eveneens in deze tijd geschreven hymnen An die Freude (Aan de vreugde, 1785), Die Götter Griechenlands (De goden van Griekenland, 1788), en ook het drama Don Carlos (1787), allemaal werken waarin Schiller deze theoretische eis in dichtvorm omzet, markeert de overgang van zijn jeugdwerk naar de klassieke periode.

Belangrijke theoretische geschriften:
-Über Anmut und Würde (Over bevalligheid en waardigheid, 1793)
- Über naive und sentimentalische Dichtung (Over naïeve en sentimentele dichtwijzen, 1795/96).
Tijdens deze periode schreef Schiller ook de bekende geschiedkundige studies Geschichte des Abfalls der vereinigten Niederlande (Geschiedenis van de separatie van de verenigde Nederlanden, 1788), Geschichte des Dreissigjährigen Krieges (Geschiedenis van de dertigjarige oorlog, 1791/93).

C. De klassieke periode
In 1794 begon de nauwe vriendschap tussen Schiller en Goethe, die een periode van enorm vruchtbare creatieve samenwerking inluidde (bijvoorbeeld oprichting van het tijdschrift Die Hören (De godinnen der jaargetijden) en Muselalmanachs (De almanak van de muzelman), waarin het gemeenschappelijke werk de Xenien (Epigrammen) verscheen).

In 1799 verhuisde Schiller naar Weimar.

Hij stierf in 1805, op het hoogtepunt van zijn creativiteit, aan een chronische longaandoening.

Historische plaatsen
In het middelpunt van de klassieke drama's van Schiller staat de tegenstelling tussen personaliteit en maatschappelijk determinisme, waarbij het conflict niet meer plaatsvindt in het Duitsland van zijn tijd, doch op historische plaatsen: de Duitse geschiedenis van de 17e eeuw (Wallenstein-trilogie, 1798/99), de Engelse geschiedenis van de 16e eeuw (Maria Stuart, 1800), de Franse geschiedenis van de 15e eeuw (Die Jungfrau von Orleans (De maagd van Orléans, 1801).

Schiller breekt hiermee bewust met de conceptie van het burgerlijk drama van Lessing. Hij formuleert als het ware de dichtkunst van het classicisme, met zijn eis, dat een dichter zich "aan het gebied van de realiteit moet onttrekken", om door de opheffing van tijd en realiteit tot een tijdloze kunstzinnige uitdrukking, ja, tot een waarachtige dichterlijke realiteitsformulering te komen.

Een uitzondering hierop vormt Wilhelm Tell (1804), met name daar, waar Schiller de vrijheidsstrijd van het Zwitserse volk aan het begin van de 14e eeuw in direct verband brengt met het Duitsland van zijn eigen tijd. Dit stuk is, net als de Hermannsschlacht (Het Hermansbloedbad) van Heinrich Kleist, een standpuntbepaling tot het probleem van het nationale bewustzijn van een volk. De kritische en tot op de dag van vandaag actuele uiteenzetting van dit probleem heeft Georg Büchner aan het werk van Schiller verleend.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 40.