kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Geertjan Lubberhuizen

Uitgever en oprichter van de Bezige Bij,

Geboren te Schoten 15 maart 1916, overleden 18 juli 1984 te Cornamona, Ierland.

Zoon van Jan Willem Lubberhuizen, werktuigbouwkundig ingenieur, en Josina Petronella de Muijnck.

Als oudste zoon van een ingenieur (werktuigbouw), die bij de AKU in Arnhem werkte, had Geertjan Lubberhuizen een gelukkig te noemen jeugd. Hij groeide op als halve wees - zijn moeder overleed toen hij anderhalf jaar oud was -, maar hij werd door de tweede vrouw van zijn vader liefderijk opgevangen. Pas op zijn achttiende ontdekte hij dat zij niet zijn echte moeder was.

Zijn avontuurlijke vader kon door grote vakkennis overal werk vinden. Zo woonde het gezin enige tijd in Buenos Aires in Argentinië (1920) en in Weltevreden in Nederlands-Indië (1921). Toen Geert de leerplichtige leeftijd had bereikt, werd van eind 1922 tot 1928 Ede en aansluitend, tot 1938, Arnhem de vaste woonplaats. Wel reisde vader Lubberhuizen voor de kunstzijdefabriek ENKA de halve wereld af, zodat de opvoeding van Geert en zijn jongere halfbroer en -zuster op zijn vrouw neerkwam.

Lubberhuizen was een rustige leerling, die zonder moeite zijn scholen doorliep, al toonde hij in de laatste jaren van het Christelijk Lyceum in Arnhem meer aandacht voor het bespelen van klarinet en saxofoon, voor toneel en bovenal voor medeleerlinge Willy van Reenen, die tien jaar later zijn (eerste) vrouw zou worden.

Na de HBS aan de Schoolstraat in Arnhem doorlopen te hebben, hij woonde in Bronbeek, op de grens van Arnhem en Velp schreef hij zich in 1935 in voor de studie chemie aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. Het eerste jaar was hij spoorstudent. De student begon veelbelovend, want vader Lubberhuizen eiste dat de zoon tot zijn 21ste jaar thuis zou wonen.

Eenmaal op kamers in Utrecht gaf Lubberhuizen zich over aan muziek, toneel, studentenjool en - niet te vergeten - vrouwelijk schoon. Hij speelde in het muziekgezelschap van het Utrechtsch Studentencorps en trad op in toneelstukken. Van afstuderen zou het nooit komen: eerst niet door de Duitse bezetting en daarna niet omdat Lubberhuizen volledig opging in zijn uitgeverswerk.

Lubberhuizen maakte deel uit van de studenten-jazzband The University Swingers en trad op als solo-klarinettist, saxofonist en zanger. In deze jazzband leerde hij Fedde Weidema kennen, trompettist, die later de prent tekende bij De achttien doden, de rijmprent die zou leiden tot de illegale uitgeverij De Bezige Bij .

In bijdragen aan Vox Studiosorum, het blad van het corps, gaf Lubberhuizen voor het eerst blijk van maatschappelijk engagement. Zo riep hij in oktober 1939 zijn medestudenten op meer aandacht te schenken aan de oorlog die elders in Europa was begonnen. Hij werd in september 1940 redacteur van dit Utrechts studentenweekblad, waarin hij al toneel- en boekbesprekingen had geschreven.

Na de Duitse inval, in mei 1940, ging het universitaire leven aanvankelijk door alsof er niets aan de hand was. Ook Vox Studiosorum stelde zich apolitiek op. Een Duits bevel, in november 1940, dat joodse hoogleraren moesten worden ontslagen, griefde hem echter diep, evenals het feit dat in Leiden en Delft wèl protestacties werden gevoerd, terwijl Utrecht passief bleef.

Op 29 november, de bezetting was een half jaar oud, legde hij in Vox de eerste getuigenis af van zijn walging van de bezetter, Sombere bladvulling getiteld. Openlijk kwam zijn woede tot uiting in een bespreking (Vox Studiosorum , 14-2-1941) van de Duitse propagandafilm Jud Süss , een toonbeeld van antisemitisme. Hij stelde dat de film 'bij den argeloozen toeschouwer slechts haat wekt, blinde haat, zonder eenig kunstgenot'. Het is een moedig en goed geformuleerd stuk, waarin hij de vertoning van de beruchte Duitse film Jud Süss afwijst. De gevolgen waren toen nog niet catastrofaal. Bloembergen werd als hoofdredacteur van Vox twee maanden vastgehouden, het blad verboden en Geert Lubberhuizen moest zich drie maanden lang dagelijks melden bij de SD (Sicherheitsdienst). Tegen Roegholt zei hij later: 'en het ergste was, nog wel om vijf uur, net op borreltijd.'

Het betekende de geboorte van de verzetsstrijder Lubberhuizen, die zich bij zijn illegale activiteiten van verschillende schuilnamen zou bedienen, variërend van Bas Ruys (of Ruysch), Karel Ferdinand de Lange - hij was 1 meter 93 - tot B. de Busy. In het laatste pseudoniem valt de naam te herkennen van de uitgeverij die Lubberhuizen in de oorlog oprichtte en die hij nadien jarenlang zou leiden, 'De Bezige Bij'.

Het verzet was aanvankelijk van studentikoze aard, zoals het leggen van een krans met oranje lint bij een standbeeld van Jan van Nassau in Utrecht. Maar geleidelijk werd het serieus.
De grote jacht op joodse Nederlanders en niet-Nederlanders, begon half juli 1942 en de hulporganisaties kwamen onmiddellijk op gang. Geert sloot zich aan bij een groep studenten in Utrecht die voor joodse kinderen onderduikadressen, bonkaarten, voedsel, kleding en transport verzorgde. Lubberhuizen maakte zich sterk voor het onderbrengen van joodse kinderen; naar schatting driehonderd kinderen zijn in de maanden van de jodendeportaties - van de zomer van 1942 tot de herfst van 1943 - via het door hem in Utrecht geleide kanaal aan een onderduikadres geholpen.

Geld moest er zijn, ook waren er natuurlijk valse papieren nodig, en het sprak vanzelf dat de groep zich eveneens ging bezighouden met de zorg voor joodse volwassenen. Tussen de bedrijven door stak een groepje van vijf, waarvan Geert Lubberhuizen, Anne Maclaine Pont en Rut Matthijsen -- die laatste twee de kern van het Kindercomité -- deel uitmaakten, de carthoteek van ingeschreven studenten aan de Utrechtse universiteit in brand, zodat zij de befaamde loyaliteitsverklaring niet hoefden te tekenen en een kans minder op wegvoering hadden.

Omdat met het transport en de huisvesting van de kinderen hoge kosten waren gemoeid, werd besloten een rijmprent te maken van Het lied der achttien doden van Jan Campert en de opbrengst voor dit doel te bestemmen. Dat gebeurde begin 1943. Het was Anne Maclaine Pont die Geert de tekst van Jan Camperts De achttien doden bezorgde en het was Geert die op het idee kwam een rijmprent te maken om met de opbrengst van de verkoop het Kindercomité te steunen. Fedde Weidema moest het doen. Hij deed het, vader en twee zoons Volkers van de clichéfabriek Photogravure maakten het cliché en drukker Jan Hendriks drukte de rijmprent, die bijna symbool van het verzet in Nederland werd en waarmee de loopbaan van Geert Lubberhuizen als uitgever een aanvang nam. Over de verschijningstijd van de prent is onzekerheid. Het waarschijnlijkst lijkt maart of april 1943, de datering van P. Volkers sr. en Weidema. Jan Campert heeft de verschijning niet meegemaakt. Hij was de 12de januari van 1943 in het concentratiekamp Neuengamme omgekomen. De prent beleefde vier drukken in oorlogstijd met een totaaloplage van 15.000 exemplaren. Na de oorlog werden er nog eens ruim 63.000 van gedrukt en verkocht. Het verzetsgedicht "De achttien doden", door Jan Campert was de eerste uitgave van De Bezige Bij. Met de opbrengst van deze ondergrondse publicaties werd hulp geboden aan joodse kinderen. Vanzelfsprekend deed Lubberhuizen dit werk niet alleen. Met name Charles van Blommestein, Rut Matthijsen en Sjoerd Leiker behoorden tot de waardevolle medewerkers.

Terwijl Geert bezig was met De achttien doden, had de jacht van de bezetter op studenten ingezet. Hij verhuisde, dook onder op de zolder van de chirurg Maarten Vink en werkte voornamelijk samen met de vervalsingsspecialist Rut Matthijsen, met Weidema en diens vriend Charles van Blommestein.

Het succes van de rijmprent bracht bij Lubberhuizen een onvermoed talent aan het licht: het bezielend omgaan met schrijvers, tekenaars, clichémakers, drukkers. Binnen anderhalf jaar verscheen een stroom van illegale uitgaven. Deze betroffen vertalingen van bijvoorbeeld Edgar Allan Poe, John Steinbeck en André Gide, literair proza in de reeks 'Quousque tandem' - 'Hoe lang nog?', naar de eerste woorden van Cicero's befaamde rede over de heersende terreur in Rome - met werk van Maurits Mok, P. Geyl, F. Bordewijk en anderen (allen onder schuilnaam), rijmprenten, liedteksten, een toespraak van koningin Wilhelmina. In totaal betrof het 72 uitgaven, een gigantische prestatie, want alles gebeurde in het diepste geheim. Tot veler verbazing ontpopte Lubberhuizen zich als een ware bibliofiel met een voorkeur voor fraai verzorgde boeken.

Uit We zullen wel zien, Marten Toonder: 'Hij zag niets in geweld. Dat kon je beter aan de Duitsers overlaten, vond hij. Het lag voor de hand dat mensen in nood geholpen werden, maar dat kon je op allerlei manieren doen. Door het uitgeven van mooie boekjes bijvoorbeeld. Want die kon men verkopen voor veel geld, en met dat geld waren er onderduikadressen, bonnen en zelfs persoonsbewijzen te krijgen. Trouwens, het was nog leuk werk ook, want je kon je erg gelukkig voelen wanneer je de hand had weten te leggen op een paar riemen papier van mooie kwaliteit. Dat was geen kwestie van geweld – het was alleen maar de kunst om goede vrienden te maken, die je hielpen bij het wegdragen van een baaltje of zo uit het magazijn van hun fabriek. Maar ja, het was soms erg moeilijk om een drukker te vinden, en ook het zetsel mocht niet onderschat worden. Er is een groot verschil tussen een garamond en een bodoni, terwijl het een bijzondere sensatie is om Simili Japonpapier op de kop te tikken.'.

Geert had zich ontwikkeld tot een gehaaide illegaal. Hij ging door het leven als Bas Ruys(ch), had talloze contacten met drukkers, clichémakers en papierhandels en hij ontwikkelde een uitstekende verhouding tot de schrijvers en illustratoren die hij voor zijn werk nodig had. Achteraf kan best gezegd worden dat hij zich met onverantwoord veel bezig hield. Zo behoorde hij ook al tot een groepje dat het dagelijks bulletin van het Parool in de hongerwinter in Amsterdam stencilde en verspreidde. De naam van de zich snel ontwikkelende uitgeverij was die van hemzelf. 'Bas busy as a bee can be' werd hij door zijn vrienden genoemd en zo werd het De Bezige Bij. De Lange noemde hij zich ook wel en toen hij naar Amsterdam verhuisde, Keizersgracht 260, heette hij weer De Wit.

Gehuwd op 19-4-1944 met Wilhelmina Jacoba van Reenen (geb. 1917). Uit dit huwelijk werden 2 zoons geboren. Hij was in Velp getrouwd met het meisje waarop hij al tien jaar verliefd was. Zij was op het Christelijk Lyceum in Arnhem geweest, ze waren op dezelfde dansles en op een HBS-feest kwam de wederzijdse liefde tot stand.

Na zijn huwelijk en verhuizing naar Amsterdam lieten de omstandigheden het verder publiceren van geschriften niet toe. Lubberhuizen gebruikte de vrijgekomen tijd om een basis te leggen voor voortzetting van de uitgeverij na de bevrijding.

De steun aan joodse kinderen en volwassenen was inmiddels uitgebreid tot financiële hulp aan auteurs en acteurs, die van het Tooneelfonds, en werd later ondergebracht in het Nationaal Steun Fonds. Kern van de organisatie waren behalve Lubberhuizen en Van Blommestein Sjoerd Leiker en Henriëtte van Eyk en, in de Spuistraat in Amsterdam, de drukkerij DAVID (de Algemeene Vrije Illegale Drukkerij), die ook Vrij Nederland, Trouw, Ons Volk, en Radio Oranje drukte en voor de Persoonsbewijs Centrale en de Binnenlandsche Strijdkrachten werkte.

Volgens bibliograaf Dirk de Jong heeft pas de vierde druk van de prent de opdruk De Bezige Bij gekregen, dat moet dan in 1943 geweest zijn. Het idee om tot een 'coöperatieve uitgeverij, over te gaan, ontstond tegen het eind van de oorlog. De stichtingsacte werd op 12 december door notaris P.W. van der Ploeg 'in het verborgene' gepasseerd; de Coöperatieve Vereeniging De Bezige Bij, Tot Uitgave van Boeken en Tijdschriften UA was een feit.

Op 5 mei 1945 begon een nieuw avontuur voor Geert. Hoewel van nature een vreedzaam man, werd het toch weer vechten voor hem. De beeldhouwer, schrijver en tijdschriftredacteur (Kroniek van Kunst en Kultuur) Leo Braat had in januari 1945 de oprichtingsacte van De Bezige Bij op microfilm door de linies naar Londen meegenomen, maar pas op 17 mei geschiedde de inschrijving in het Handelsregister, zodat de statuten op 13 september als Bijvoegsel tot de Nederlandsche Staatscourant konden worden gepubliceerd. Met Geert en Charles aan het hoofd betrok De Bezige Bij eerst het pand Herengracht 418 van de NSB-uitgeverij Westland en had etalages in vier boekhandels. Op de Herengracht vond het eerste befaamde feest plaats, dat niet enig in zijn soort zou blijven.

Samen met Charles van Blommestein en Wim Schouten - die erkend uitgever was - vormde Geert Lubberhuizen twee dagen na de capitulatie van Duitsland de driekoppige directie van wat notarieel werd vastgelegd als 'Coöperatieve Vereeniging ''De Bezige Bij'' '. Auteurs wier werk bij de uitgeverij verscheen, zouden zowel medezeggenschap krijgen als delen in de te maken winst. Overigens liet Lubberhuizen meteen vastleggen dat 'de dagelijkse leiding en de leiding van technische zaken berusten bij de Directie'.

Max Nord in de zomer van 1945: 'Ik voelde erg veel voor het idee van een uitgeverij die eigendom zou zijn van de schrijvers. Die moesten dan ook het beslissingsrecht hebben, en toen ik het laatste oorlogsjaar aan de besprekingen over de statuten deelnam, bij Geert thuis op de Keizersgracht, met Charles van Blommestein en een fles van iets dat moest doorgaan voor rode wijn, hadden we daarover geen verschil van mening. Het pakte evenwel anders uit. Ik kreeg plotseling Zes kaarsen voor Indië thuisgestuurd, een betreurenswaardig boekje van Leonard Huizinga dat ter propaganda van de werving van 'oorlogsvrijwilligers' voor de 'bevrijding' van Nederlandsch-Indië moest dienen. Ik had niet alleen ernstig bezwaar tegen het boekje, maar ook tegen het feit dat de leden niet door de directie in de uitgave waren gekend en de mogelijkheid hadden gehad die tegen te houden. Omdat Geert niet toegaf -- ik schrijf dat nu toe aan zijn levenslange a-politieke houdig, waarvoor de grondslag was gelegd in zijn studententijd -- en de andere leden, toen nog weinig in getal, geen steun gaven, trad ik onmiddellijk uit. Voor mij was de uitgeverij als schrijvers- coöperatie mislukt. Deze houding, en ook dit beleid, zijn karakteristiek voor Geert gebleven.

Het startkapitaal van 25.000 gulden was in het laatste oorlogsjaar verkregen door reservering van de winst op twee in 1944 verschenen illegale boeken: W.A.-man van W. Swaertreger (pseudoniem van Theun de Vries) en Het raadsel van Arend en Hendrik Goudt van Jan Jacob ten Hove (pseudoniem van D. Hoek). Vrij spoedig na de bevrijding bleek dit bedrag onvoldoende, en de prille uitgeverij kwam in de problemen. De opbrengst van het boek Die van ons (1945) van Willy Corsari zorgde voor een betere basis.

Charles van Blommestein, afgestudeerd indoloog en na de bevrijding Geerts eerste mededirecteur had, werkend voor De Bezige Bij in Utrecht en Den Haag, veel goede relaties met drukkers en binders, zoals met Fokke Tamminga (drukkerij Ando), die eveneens Vrij Nederland en Het Parool drukt en met Bert Bakker en Cees Bantzinger de Mansardereeks maakte, bibliofiele boekjes. Via hem maakte Van Blommestein weer het contact tussen Geert en Simon Carmiggelt. Sjoerd Leiker was de man in Haarlem. Zo breidde de kring van drukkers, papierleveranciers, schrijvers en illustratoren zich gestadig uit en had De Bezige Bij na de bevrijding ruim zeventig uitgaven op haar naam! Onder haar auteurs waren de dichters Mok, Roland Holst, Keuls, Hendrik de Vries, Bernard Verhoeven, Adriaan Morriën en Anton van Duinkerken, en prozaschrijvers als Blijstra, Van Schendel, Theun de Vries, Johan van der Woude, prof. dr. P. Geyl en Bordewijk. Rijmprenten van Jan H. de Groot, Jan Gerhard Toonder, Gerrit Kamphuis, Yge Foppema, Fedde Schurer, W. Nagel, Han G. Hoekstra en Koos Schuur. Hoogtepunten waren onder andere de verzameling verzetsgedichten, samengesteld door Halbo C. Kool, Han G. Hoekstra en Jan H.de Groot, Vrij Nederlandsch Liedboek, en De stilte der zee van de Fransman Vercors. Edgar Allan Poe, John Steinbeck, Guy de Maupassant en André Gide behoorden tot de auteurs van over de grenzen.

De geschiedenis van 'De Bezige Bij' is nauw verbonden met de oprichter. Het was Lubberhuizen die de goodwill van een ondergrondse uitgeverij omzette in een respectabel fonds, dat vooral literair betekenis kreeg. De directeur behandelde de schrijvers als een vader en sprong voor hen in de bres. Alleen van inspraak in de coöperatieve uitgeverij kwam weinig terecht, want Lubberhuizen hield de teugels strak en besliste zelf. Hoewel hem werd verweten dat 'economie absoluut prevaleert boven kultuur' (Wennekes, 217-218), was onmiskenbaar dat hij bij een uitgave niet alleen lette op zakelijke aspecten, maar terdege de literaire kwaliteiten voor ogen hield. Zelfs was hij bereid de kansen op winst weg te wuiven wanneer een manuscript afweek van geaccepteerde stijlen, maar hij er zelf de betekenis van inzag. Ook gaf hij geregeld poëzie uit die zakelijk kansloos moest worden geacht. Zelf zei hij hierover: 'Een uitgever heeft een januskop. Hij is half commercieel en half niet. Je moet alleen maar uitgeven wat je fijn vindt' (Frenkel Frank). Lubberhuizen ging sterk op zijn gevoel af. Oude gevestigde literatuur lag hem niet, baanbrekende des te meer.

Geert Lubberhuizen, zijn candidaats chemie op zak, had zich ontwikkeld tot een hartstochtelijk liefhebber van mooi verzorgde uitgaven, verliefd op papier, lettersoorten, druk, illustraties, bindwerk. Hij was een kenner geworden. De inhoud van de boeken liet hem niet onverschillig, maar kwam toch op de tweede plaats.

26 oktober 1945 verhuisde de nieuwe uitgeverij al naar de Van Miereveldtstraat 1 in Amsterdam-Zuid, dat met hulp van de Town Major en het Gemeentelijk Bureau voor Inkwartiering gerequireerd kon worden. Het is nog de huidige huisvesting. In 1948 werd het pand gekocht, en zowel Charles van Blommestein als Geert Lubberhuizen hebben er ook gewoond. Eind van het jaar had de Coöperatieve Vereeniging tweeëntwintig leden, een jaar later waren dat er drieëntwintig. Voorzitter in oorlogstijd Sjoerd Leiker maakte plaats voor Victor E. van Vriesland; Geert Lubberhuizen en Charles van Blommestein vormden de directie. Maar vechten werd het om de erkenning als uitgeverij door de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels. Daar was sterke tegenstand, die werd overwonnen door Wim J . Schouten op te nemen in de directie. Hij had zowel het boekhandels- als het uitgeversdiploma, had in de oorlog bij boekhandel Van Stockum in Den Haag gewerkt en samengewerkt met De Bezige Bij. Schouten heeft met Lubberhuizen een sterk stempel gedrukt op de na-oorlogse uitgeverij, zij heetten in de wandeling de 'terrible twins'.

Geregeld uitten de leden-auteurs van 'De Bezige Bij' bezwaren tegen niet-literaire uitgaven, die volgens hen niet in het fonds thuishoorden. Maar juist zulk werk zorgde voor de winst waarmee de uitgeverij zich kon wagen aan literaire experimenten. Zo boekte het bedrijf succes met de 'Gouden Boekjes', een Amerikaanse serie die vanaf 1949 door Annie M.G. Schmidt en Han G. Hoekstra op eigenzinnige manier werd vertaald. Veel deeltjes zijn nadien keer op keer herdrukt.

Na echtscheiding (24-9-1952) gehuwd op 1-11-1952 met Anna Simonis (geb. 1920). Dit huwelijk bleef kinderloos.

Het driemanschap als directie heeft niet lang bestaan. Van Blommestein nam in 1953 ontslag, omdat zijn vrouw, Anneke Simonis, een relatie had aangeknoopt met Lubberhuizen; drie jaar later zou hij met haar trouwen.

Na echtscheiding (24-9-1955) gehuwd op 20-10-1955 met Hilda Helena Nelly Tjeenk Willink (1919-1998). Dit huwelijk bleef kinderloos.

1956 Schouten verdween bij De Bezige Bij, zoals Van Blommestein al na enkele jaren naar (toen nog) Batavia was verdwenen, en werd vervolgens door de leden-auteurs tot bestuurslid benoemd. Lubberhuizen gaf daarna, als enig overgebleven directeur, op eigen wijze inhoud aan de uitgeverij. Ook wanneer de ledenvergadering het met zijn beleid oneens was - en dat gebeurde nogal eens -, ging hij zijn eigen gang, en omdat de resultaten gunstig waren, wist hij zijn positie moeiteloos te handhaven. Zelfs bij zware kritiek bleef hij rustig en werd nooit driftig. Dit leidde er toe dat Sjoerd Leiker eind 1966 bedankte voor het lidmaatschap.

Na echtscheiding (10-1-1967) gehuwd op 24-2-1967 met Cornelia Harmsen (geb. 1930). Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren.

In 1967 golden de oude bezwaren van de leden-auteurs van 'De Bezige Bij' wederom bij de krantenstrips van 'Tom Poes' en 'Ollie B. Bommel' van Marten Toonder. In tegenstelling tot Lubberhuizen vonden de leden der coöperatie deze verhalen niet literair. Maar de bundel werd gevolgd door meer dan dertig andere 'reuzenpockets', die de jaren door zijn herdrukt en enorme oplagen bereikten. 'De Bezige Bij', die omstreeks 1970 voor financiële problemen stond, werd erdoor gered. Lubberhuizen kon doorgaan met zijn creatieve manier van uitgeven. De uitgeverij werd in literair opzicht als een van de belangrijkste van Nederland beschouwd.

Vooral de poëzie had de voorkeur van Lubberhuizen. Hij was mederedacteur van Bijster en had met zijn medewerking aan het onvergetelijke Barbarber van zijn niet aflatende nieuwsgierigheid en schrijflust blijk gegeven.

Lubberhuizen dankte zijn succes aan zijn charme, aan zijn talent als weinig anderen te kunnen omgaan met schrijvers, zelfs de vedetten onder hen. Overigens konden veel vrouwen hem evenmin weerstaan. Naast zijn vier huwelijken begon hij voor korte of lange tijd een relatie, soms enkele tegelijk. Die met de schrijfster Mischa de Vreede duurde een aantal jaren; zij zou haar ervaringen in 1977 verwerken in de roman Eindelijk mezelf, waarin Lubberhuizen herkenbaar wordt opgevoerd. De uitgever zag er geen been in het werk zelf te publiceren en te herdrukken. Toen zijn tweede vrouw, Anneke Simonis, hem verliet voor een ander, raakte hij evenwel totaal uit balans, omdat niet hij, maar zij het initiatief had genomen.

Geert Lubberhuizen beschikte over een gigantische werkkracht. Zijn medewerkers op de uitgeverij klaagden geregeld dat de directeur vaak afwezig was, zij het bijna altijd in functies die betekenis hadden voor de uitgeverij. Toch werd hem nooit gebrek aan leiding verweten, want op cruciale momenten was hij er altijd. Hij hield de touwtjes strak in handen en nam alle belangrijke beslissingen. De jaren door ontplooide hij nevenactiviteiten, doorgaans onbezoldigd, maar in het belang van 'De Bezige Bij'. In vakkringen was Lubberhuizen actief, onder meer van 1961 tot 1964 als voorzitter van de Commissie voor de Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek. Van 1967 tot 1968 was hij voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Uitgeversbond en tegelijkertijd, van 1964 tot 1970, redacteur van het vakblad De Uitgever .

Van 1974 tot kort voor zijn overlijden was hij als organisator en als presentator betrokken bij het dichtersfestival 'Poetry International' in Rotterdam.

'Tegen Max Pam zei Lubberhuizen in 1978: "Als er een vergadering is van de Koninklijke Nederlandse Uitgeversbond zitten er voor het grootste deel managers in de zaal. De echte uitgevers worden schaars. Die managers zijn prima ondernemers, maar hun eigen produkt krijgen ze nauwelijks meer in handen. Er moet niet alleen winst worden gemaakt voor het bedrijf zelf maar ook voor de anonieme aandeelhouders. Geen winst met poëzie. Weg ermee. Ik zou niet kunnen werken onder een opperleiding, zoals bij Elsevier of Kluwer.".'

Na zijn pensionering nam Geert Lubberhuizen - die zich omstreeks die tijd opeens Geertjan ging noemen - zich voor, op een vergelijkbare manier door te gaan. Vanuit Ierland, waar hij het grootste deel van het jaar wilde wonen, richtte hij in 1981 de naar zijn woonplaats genoemde 'Cornamona Pers/Press' voor bibliofiele uitgaven op, bedoeld om in typografisch opzicht verfijnde boekjes uit te geven. Het aantal uitgaven zou beperkt blijven, ten eerste om de tijdrovende zorg die ze vroegen en ook omdat Lubberhuizen een beperkt aantal jaren te leven had.

Drie jaar na zijn pensionering gaf hij ook de bloemlezing Dichters bij De Bezige Bij 1944-1984 uit: 'een zeer persoonlijke keuze, soms snel bepaald door louter liefde voor een bepaald gedicht.' In zijn inleiding zegt hij nog: 'Dat kan een lang of een kort gedicht zijn; daarover wens ik [...] dus geen gezeur.' De liefhebber van poëzie, de liefhebber van mooie boeken, hij had de vrijheid nodig. Hij had die vrijheid helpen bevechten en hij bevond zich in die vrijheid als een vis in het water.

Eind 1983 werd Lubberhuizen onwel; bij onderzoek werd een hersentumor geconstateerd. Na een aantal zorgelijke maanden overleed hij op 68-jarige leeftijd in zijn huis in Ierland. Op zijn verzoek werd hij in Ierland begraven. Een voorgenomen autobiografie kwam nooit tot stand; zijn geschreven herinneringen beperken zich tot vier bijdragen aan het tijdschrift Bijster in 1969.

Zijn vrouw noemde hem 'een buitengewone man' toen hij daar stierf in 1984. Schrijvers en medewerkers van de uitgeverij spraken van 'onze geliefde Geert Lubberhuizen', collega Rob van Gennep noemde hem 'een voorbeeldig uitgever en een perfecte vriend, en 'ongetelde joodse onderduikkinderen, uit Haifa-Israël lieten weten hem te zullen blijven 'gedenken als onze redder tijdens de bezetting.'

Zie verder: vriendschap uitgroeide. Het fonds groeide snel, zij het met inzinkingen, en vertoonde (vertoont) geen duidelijke lijn, zoals dat van Van Oorschot, Bert Bakker, Johan Polak en Rob van Gennep doen, alle pas na 1945 ontstaan. De Bezige Bij gaf niet alleen Zes kaarsen voor Indië uit, maar ook Volg het spoor terug van J.B. Charles, niet alleen De avonden van (nu) Gerard Reve maar ook Tom Poes en Ik Jan Cremer, het eerste fotoboek van Ed van der Elsken en de befaamde Wereldatlas.

De tijdschriften waren geen succes: Het Woord werd opgevolgd door Podium, Randstad, De Nieuwe Stijl, Film- en Schrijfkrant en Bijster. Nee, een duidelijk literair gezicht heeft de uitgeverij niet gekregen, al leek het er een beetje op toen zij de 'Vijftigers' onder haar hoede kreeg. Maar dat was evenmin blijvend. Niettemin is De Bezige Bij onder leiding van Geert Lubberhuizen een uitgevershuis geworden dat een grote literaire reputatie heeft verworven met onder anderen schrijvers als Hugo Claus, Remco Campert, Harry Mulisch en W.F. Hermans. Geert zag ook kans om Vestdijk in zijn fonds te halen en het tekent zijn persoonlijkheid weer dat hij na diens dood toeziend voogd werd over zijn kinderen. Zo is het ook geen toeval dat vertalingen van Joyce, Proust en Borges verschijnen bij De Bezige Bij.

Hij heeft hard gewerkt, veel vriendschappen gemaakt, veel feesten georganiseerd, in veel besturen en jury's gezeten, zelfs zijn naaste medewerkers veel verrassingen bezorgd, hij heeft eremedailles, penningen en een ridderorde gekregen, de naar hem genoemde Marten Toonder-Geertjan Lubberhuizenprijs voor het beste literaire debuut is voor de eerste maal in 1985 uitgereikt.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 31.