kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Gerard Walschap

Vlaams schrijver, dichter, toneelschrijver, essayist en criticus, geboren te Londerzeel (St. Jozef) op 9 juli 1898, overleden te Antwerpen op 25 oktober 1989.

Walschap is steeds een voorstander geweest van de ‘eenvoudige’ literatuur, die toegankelijk voor iedereen moest zijn. Zijn werk moest voor velen herkenbaar zijn zowel qua thematiek als qua taal. Vandaar dat bij hem ook vaak een soort van tussentaal te vinden is die in sommige gevallen erg naar een dialectvorm neigt (bv. De wereld van Soo Moereman uit 1941). Zijn verteltempo sluit hier nauw bij aan. Walschap kiest ervoor om niet al te lang stil te staan bij ontwikkelingen in het verhaal, maar geeft de voorkeur aan “een ongecompliceerde vertelsituatie, [...], waarin de volksverbondenheid zo belangrijk is, de meest aangewezen, om zijn gehoor direct aan zich te kluisteren” (Borré 1990, p. 12).

De na 1940 verschenen boeken ademen een humanistische geest, waarbij de strijd tussen gelovigen en ongelovigen regelmatig terugkeert.

Zie voor meer poëticale opvattingen Gerard Walschap ongeveer dertig romans. Bovendien was hij actief als essayist en toneelschrijver en schreef een aantal verhalenbundels en jeugdboeken.

Levensloop
Jacob Lodewijk Gerard Walschap werd geboren als tweede in een middenstandsgezin van negen kinderen. Zijn vader was herbergier/kruidenier van een café dat nog steeds onder de Londerzeelse kerktoren wordt opengehouden.

Gerard Walschap volgde middelbaar onderwijs in het Klein Seminarie te Hoogstraten, later voltooide hij zijn Grieks-Latijnse humaniora te Asse. In die periode wakkerde de priester-dichter Jan Hammenecker zijn Vlaams bewustzijn aan. Hij wilde missionaris worden, en grootse dingen doen, volkeren bekeren, zoals hij later zelf zei.

Hij vatte in Leuven de studies filosofie en theologie voor priester aan in de missiecongregatie van het Heilige Hart, doch gaf deze studies vlak voor zijn eerste priesterwijding op. Hij beseft dat priesterschap en celibaat niet aan hem zijn besteed.

Hij werd dankzij August van Cauwelaert redactiesecretaris van het Antwerps weekblad "Het Vlaamsche land" (1923-1928), Dietsche Warande & Belfort (1923-1939), en verhuisde daarvoor in 1924 naar Antwerpen.

Hij debuteerde met godsdienstig geïnspireerde, retorisch-romantische verzen (Liederen van leed, 1923; De loutering, 1925), waarin eenzaamheid, weemoed en onrust de toon aangeven. In samenwerking met F. Delbeke schreef hij burgerlijk toneel met ethische problematiek en katholieke tendens: Flirt (1924), Dies irae (1924), Lente (1925) en De vuurproef (1925).

In 1925 huwde hij, tegen de wil van haar ouders, te Maaseik met Marie-Antoinette Theunissen. Het jaar daarop wordt zijn zoon Hugo geboren. Alice Nahon treedt hierbij op als verpleegster en schrijft het gedicht "Aan Hugo's fijne stemmeke". In 1927 volgt dan de geboorte van zijn tweede zoon Guido. In 1930 zal dan nog zijn derde zoon Lieven geboren worden en in 1932 zijn dochter Caroline (Clara).

Van 1927 tot 1939 was hij redacteur van het weekblad Hooger Leven dat door de Norbertijnen in Averbode werd uitgegeven. Hierin reageerde hij heftig tegen ‘het Vlaams folklorisme, het regionalisme en het literatureluren. [Hij] spaarde daarbij niemand [...]’. (eigen woorden, geciteerd uit Bernard-Frans van Vlierden, 1963, Gerard Walschap, p. 6)

Zijn eerste roman is de in 1928 verschenen humanitair-expressionistische Waldo.

Geïnspireerd door zijn heftige antipathie tegen de woordkunststijl van de vorige generaties, zijn liefde voor het dorpsleven en de kernachtige diepte van eenvoudige volksmensen, ook door zijn ontdekking van buitenlandse schrijvers (Dostojevski, Hamsun, Unamuno e.a.) publiceert hij zijn eerste volksverhalen: Volk (1930), De dood in het dorp (1930), en de roman Adelaïde (1929).

Adelaïde, geschreven in 1928 verschenen in 1929, vormt samen met Eric (1931) en Carla (1933) een trilogie, in 1939 samengevoegd in De familie Roothooft, die over drie generaties de ondergang van een familie door psycho-pathologische, erfelijke en morele factoren beschrijft, maar ook haar uiteindelijke regeneratie. Alhoewel niet zo door hem bedoeld, deed bij de clerus wrevel tegenover de schrijver ontstaan. Dit kwetste Gerard Walschap en na een lange tijd van twijfel en innerlijke strijd werd hij vrijzinnig. In "Vaarwel dan" (1940) verantwoordde Walschap zijn besluit om de kerk de rug toe te keren.

Hij maakte vanaf 1933 deel uit van de Vlaamse redactie van Forum tot aan de opheffing ervan in 1935.

In 1935 ontsnapte hij op het nippertje aan de dood nadat hij in de badkamer door gasuitwasemingen bevangen was. Hij werd gered door zijn echtgenote.

In 1939 eindigde zowel zijn medewerking aan Dietsche Warande en Belfort als aan Hooger Leven. M.E. Belpaire bedankt hem na publicatie van zijn roman Sibylle voor bewezen diensten aan DWB. Steeds groter wordende meningsverschillen met mede-opricher pater Emiel Valvekens zorgden ervoor dat Hooger Leven in 1939 werd stopgezet.

In een deel van zijn werken beschouwt de schrijver de maatschappij als een moeilijk te dragen last. Een treffend voorbeeld hiervan is "De bejegening van Christus" uit 1940. Maatschapplijke uitersten worden door hem als het ware verheerlijkt, zowel het primitieve leven in "Volk" en "De dood in het dorp" (1930), als de bijna agressieve vrijheid in "Het kind" (1939) en "De consul" (1943) en de kommerloze vrijheid in misschien wel zijn beste werk "Houtekiet" (1939).

In 1940 werd hij voorzitter van de onder druk van Duitsgezinden opgerichte Antwerpse kamer van Letterkundigen om te voorkomen dat collaborateurs de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen zouden overnemen. In datzelfde jaar werd hij tot aan zijn pensioen in 1963 inspecteur Openbare Bibliotheken.

In 1946 werd hij redactielid van het Nieuw Vlaams Tijdschrift met Herman Teirlinck als hoofdredacteur en Hubert Lampo als redactiesecretaris.

"Zwart en wit" uit 1948 gaat over het repressieprobleem.

"Zuster Vergilia" uit 1951 behandelt de eeuwige strijd tussen geloof en ongeloof.

Van maart tot juli 1951 maakte hij een lange reis doorheen de toenmalige Belgische kolonie waar hij ook een aantal lezingen hield. Naar eigen zeggen was het voor hem de mooiste reis van zijn leven die bovendien voor een vernieuwing in zijn schrijverschap zorgde. Zijn rondreis door de voormalige Belgische kolonie vormde de aanleiding voor zijn roman Oproer in Congo uit 1953 die als een hoogtepunt binnen de Vlaamse koloniale literatuur wordt gezien.

In "Het gastmaal" en later "Het avondmaal" uit 1968 gebruikt de schrijver een modernistisch vertelprocédé om zijn eigen innerlijke te onthullen.

Walschap was een tijdlang voorzitter van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde waarvan hij in 1970 ontslag nam om plaats te maken voor de jongere generatie. In 1970 en in 1972 droeg de Academie hem voor als kandidaat voor de Nobelprijs voor literatuur.

Walschap was de meest gelauwerde auteur in Vlaanderen: tweemaal de driejaarlijkse staatsprijs voor de roman, namelijk voor Trouwen en Zuster Virgilia, de driejaarlijkse prijs voor de koloniale roman voor Oproer in Congo (1953) en de vijfjaarlijkse prijs ter bekroning van een ganse carrière. Boven de vele Vlaamse en Belgische onderscheidingen ontving hij uit handen van de Nederlandse koningin in 1968 de "Prijs der Nederlandse Letteren". In mei 1975 werd hem de eretitel "baron" verleend.

Gerard Walschap stierf op 91-jarige leeftijd en werd begraven op het erepark van de begraafplaats Schoonselhof.

Websites: users.pandora.be, nl.wikipedia.org, www.dbnl.org , www.ned.univie.ac.at


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 94.