kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 08-05-2009 voor het laatst bewerkt.

Gerrit Achterberg

Geboren: 20 mei 1905 Nederlangbroek Utrecht
Overleden: 17 januari 1962 Leusden

Genre: Poëzie

Biografie
Op de twintigste mei 1905 werd in de koetsierswoning bij kasteel Sandenburg in Nederlangbroek (bij Doorn, Utrecht) Gerrit Achterberg geboren. De derde zoon van Hendrik Achterberg en Pietje van de Meent die al twee jongens hadden (waarvan er één was overleden) en later nog een jongen en vijf meisjes zouden krijgen.

De Achterbergs en de Van de Meents, die tot een oude boerenfamilie behoorden, waren gelovige calvinisten en voedden hun kinderen in dezelfde gewetensvolle geest op waarin ze zelf waren grootgebracht. Maar daarbinnen was ruimte voor allerlei prettige dingen die voor het leven van een kind van zo grote betekenis zijn en die in dit gezin ook op de zondagen waren toegestaan. Zo had hij aan zijn jeugd in later jaren de beste herinneringen. Als kind las hij al met een ware leeshonger, en uit de lectuur van Karl May kwamen de Indianenspelletjes voort, die tegen het decor van schuren, stallen en hooibergen met volle overgave konden worden gespeeld. Voor de wel eens geuite bewering dat hij als jongen eenzelvig of zonderling zou zijn geweest is dan ook geen enkele grond.

Op zijn vijfde jaar viel Achterberg van een hoge trap en was een paar dagen bewusteloos, dit zou hem op zijn zestiende nogmaals overkomen.

Op één april 1911 ging Achterberg naar de openbare lagere school te Nederlangbroek. Hij was een goede leerling op deze school met een christelijke inslag.

Toen zijn vader een lichte tuberculose kreeg en de koets werd vervangen door een automobiel kon hij een boerderij pachten. Sinds omstreeks zijn achtste jaar had het gezin de hofstede Klein Jagerstein betrokken, een van de boerderijen die tot het kasteel Sandenburg behoren als eigendom van de adellijke familie Van Lynden van Sandenburg. Aangezien de broer van Gerrit, Rijk, de boerderij van hun vader zou overnemen, kon Achterberg verder leren voor onderwijzer. Zoals in deze omgeving gebruikelijk was zou Gerrit als jongere zoon of dominee of onderwijzer moeten worden.

Gerrit Achterberg volgde onderwijs aan de openbare normaalschool in Wijk bij Duurstede. Die school werd na twee jaar opgeheven en Achterberg ging vanaf één mei 1920 naar de christelijke Jan van Nassaukweekschool in Utrecht. Achterberg had goede cijfers, hij was de beste van de klas, behalve op gedrag en vlijt. Tijdens de vierjarige opleiding woonde Achterberg twee jaar op kamers bij zijn oom en tante Schoonheim. Door het werk van zijn oom te volgen deed Achterberg voldoende vakkennis op voor het schrijven van zijn bundel Ballade van de gasfitter(1953).

Op negentien juni 1924 deed Achterberg onderwijzersexamen en slaagde. Hij solliciteerde en werd aangenomen op de Bijzondere Lagere School voor Hervormd Christelijk Onderwijs te Opheusden (gemeente Kesteren). Gerrit Achterberg werd onderwijzer van de vierde klas. De mensen in het dorp vonden Achterberg een eigenaardige en in zichzelf gekeerde man. Achterberg leerde, in Opheusden, Arie Jacobus Dekker (1901) kennen die hem de literatuur liet proeven en hem tot schrijven bracht. Samen publiceerden ze in 1924 de bundel 'De zangen van twee twintigers'.

In september ontmoette Gerrit Achterberg op een tentoonstelling Johanna Catharina van Baak (1908). Zij kregen een verhouding en verloofden zich. (Catharina betekent 'de zuivere', Achterberg zou in 1944 zijn bundel Morendo aan 'de zuivere' opdragen. Ook het gedicht Wedergeboorte en de bundel Afvaart (1931) werden aan Cathrien opgedragen).

In november van dat jaar kreeg Achterberg een oproep voor het vervullen van de militaire dienstplicht, maar hij kreeg uitstel omdat hij moest studeren voor zijn hoofdakte. Na een aanvaring met de vader van Cathrien waarbij Achterberg een pistool trok en met zelfdoding dreigde, kon hij Cathrien niet meer ontmoeten. Het thema in Achterbergs gedichten was nu ook niet langer sexualiteit maar nu overheerste het thema van de verloren ((ge)dode) liefde.

De Nieuwe geluiden van Dirk Coster, in september 1924 verschenen, was voor Achterberg een openbaring. Gerrit bewonderde in deze tijd vooral de gedichten van Leopold en De Mérode.

Van grote betekenis voor de ontwikkeling van zijn eigen dichterschap was de kennismaking met de zes jaar oudere Roel Houwink(1899-1987), die zijn dichterschap destijds al overtuigend bewezen had. Hij zond hem in 1925 een aantal gedichten ter beoordeling, waarop Houwink met begrip reageerde. Uit zijn mededelingen weten we dat het lang geduurd heeft eer Achterberg zelf van zijn talent overtuigd was. Dat hij er wel in geloofde blijkt uit het feit dat hij onmiddellijk na zijn volstrekt onrijpe debuut aan allerlei tijdschriften verzen begon te zenden, soms meer dan veertig tegelijk. De meeste kreeg hij terug; een enkel werd geplaatst, wat hem het bewijs gaf dat anderen er toch ook wel iets in zagen.

In januari 1927 moest Achterberg zich toch melden in Amersfoort bij het zestiende regiment infanterie. Na een maand kreeg hij een herkeuring en werd afgekeurd wegens zielsziekte.

Op de school in Opheusden was een vervanger voor Achterberg aangesteld, die er later een vaste aanstelling kreeg. Deze Henk van Zalingen (1907) had een zus Bep (1909). Op haar werd Achterberg verliefd en ze kregen een relatie.

Zijn dichterschap is voor hem zelfs een verontschuldiging om zijn studie voor de hoofdakte niet te voltooien. Houwink heeft hem in deze jaren steeds aangemoedigd; voor zo ver een jong dichter als Achterberg aanmoediging nodig had, heeft hij de letterkunde daarmee een onschatbare dienst bewezen.
Door bemiddeling van graaf Lynden van Sandenburg kon Achterberg in september 1930 een baan krijgen in Den Haag aan de Paul Krugerschool.

Debuut: Afvaart (1931, poëzie)
Omstreeks 1930 doet Achterberg moeite, een bundel bij een uitgever onder te brengen. Ten slotte vindt hij Van Dishoeck senior daartoe bereid, mits de dichter een deel van het risico op zich neemt. Omstreeks zijn vijfentwintigste verjaardag verschijnt Afvaart (1931), ingeleid door Houwink. Slauerhoff was de eerste die het bundeltje, onwaarschijnlijk vlug, besprak. Hij vond er weinig in te waarderen, in tegenstelling tot Bloem, die hem op de voet volgde. Zijn recensie en die van enkele andere critici, en vooral ook de inleiding van Houwink, zullen hem aangespoord hebben om door te gaan met publiceren. Toch zou het acht jaar duren voor de volgende bundel verscheen. De critici vonden het werk vaag, eigenaardig maar ook zeer dichterlijk. Ze vonden een gelijkenis met het werk van A. Roland Holst en Leopold.

Op 13 maart 1932 deed Achterberg belijdenis van het geloof in de Nederlandsche Hervormde kerk. Hij deed dit samen met het verder studeren voor zijn hoofdakte, omdat hij onder druk werd gezet door de school. Achterberg raakte in een crisis door de tegenvallende verkoop van Afvaart en de weigering van publikatie door 'de Gids'. Langzaamaan vervreemde Achterberg van de werkelijkheid. Hij depersonaliseerde. Ook twijfelde hij aan de kwaliteit van zijn poëzie.

Achterberg nu zeer eenzaam, schreef nauwelijks meer en dacht niet aan publikatie. Het schoolbestuur besliste dat Achterberg zich onder behandeling van een psychiater moest laten stellen. Op zestien november 1932 bracht zijn vader hem naar de kliniek in Utrecht. Daar werkte Annie Kuiper (1901) die hem opving.

In April 1933 vraagt Achterberg ontslag aan, wat hem eervol wordt verleend. Achterberg koopt in Den Haag een pistool en gaat op zoek naar Bep. Hij wordt door de politie gearresteerd en overgebracht naar de psychiatrisch-neurologische kliniek de Willem Arntszhoeve in Den Dolder. Houwink weet hem eruit te krijgen en Achterberg verlooft zich met Annie Kuiper.

Achterberg ging weer schrijven en op eenentwintig augustus 1934 krijgt hij een baan als Ambtenaar derde klas bij de administratie van de Crisis Vee Centrale te Utrecht. In Utrecht leerde Achterberg Roel van Es (1897) en haar dochter Bep kennen. Achterberg kreeg met haar een relatie en huurde bij haar een kamer. Hierover sprak Achterberg ook met Annie Kuiper. Achterberg besloot een nieuwe bundel uit te brengen en vroeg Houwink advies over de naam. Ze besloten dat de bundel Eiland der ziel zou gaan heten.

Op de vijftiende december schoot Achterberg in december 1937 in een vlaag van verstandsverbijstering zijn hospita Roel van Es neer, zij betrapte hem in het bed van haar dochter, en verwondde haar dochter. De afwijzing van zijn liefde heeft ertoe geleid dat hij haar in een moment van waanzin vermoordde. Hierdoor wordt deze afgewezen liefde omgezet in een oneindige liefde. Hij meldde zich zelf bij de politie en werd door de rechtbank in 1938 ter beschikking van de regering gesteld. Achterberg werd op genomen in het Rijksasyl voor Psychopathen, te Avereest.

Intussen was in 1939, midden in de donkerste periode van zijn leven, bij de Maastrichtse uitgever Stols in sierlijke uitvoering een nieuwe bundel, Eiland der ziel, verschenen. Ze bevestigde niet alleen zijn dichterschap, maar bewees tegelijk zijn meesterschap. De kritiek was dan ook over de hele linie gunstig. Hoornik schreef er een inleiding voor. Met hem had Achterberg al eerder contact gekregen; hij kreeg het nu ook met Marsman, met wie hij in een briefwisseling trad die door diens dood abrupt werd afgebroken.

Het was inmiddels 1940 geworden en Achterberg deed pogingen om vrij te komen. Tevens hield hij zich bezig met een nieuwe bundel Dead end. Ook had Achterberg in twee jaar 147 verzen gepubliceerd en hoopte hij in 1940 op de 'Van der Hoogtprijs' die hij niet kreeg.

Achterberg zou opnieuw psychiatrisch worden onderzocht maar doordat Nederland inmiddels in de Tweede Wereldoorlog was betrokken werd dat uitgesteld en de tbr met twee jaar verlengd. De correspondentie met Marsman was gestopt door diens tragische dood, de communicatie met Annie Kuiper verslechterde wegens de oorlogomstandigheden en zijn ouders verhuisden. Dit alles bracht Achterberg in een crisis.

In 1941 werd het beter. Hij kreeg een herkeuring en publiceerde twee bundels Osmose (al gepubliceerde gedichten) en Thebe.

Dr. Palies zorgde ervoor dat Achterberg in 1941 overgeplaatst werd naar de Christelijke Rekkensche Inrichting te Eibergen. Daar bleef Achterberg tot december 1942.

Gerrit Achterberg ging toen naar het sanatorium 'Rhijngeest' te Oegstgeest, en bleef daar tot augustus 1943.

Ook in augustus 1943 ontmoette Achterberg zijn vroegere vriendin Cathrien van Baak. Zij kregen opnieuw een relatie.

Tot 1944 verbleef Achterberg in een pleeggezin en legde nieuwe artistieke contacten.

Door een advertentie in de krant kwam Achterberg aan een nieuw pleeggezin (familie Ter Winkel) waarnaar hij in februari 1944 naar toe verhuisde. Het echtpaar woonde in Neede.

Gerrit Achterberg heeft bijna de helft van zijn oeuvre geschreven in de acht jaren (1944-1952) dat hij in Neede woonde.

Achterberg bezocht ondertussen Bloem en Vestdijk. Verder verschenen de bundels Sintels en Eurydice.

Na de bevrijding kampte Achterberg met een paar problemen. Hij had geen goede sigaretten, geen vaste baan en de uitgever geen papier. Na de oorlog kwam wel de correspondentie weer op gang. Achterberg schreef onder andere met B. Aafjes, M. Nijhoff, E. Hoornik en veel minder met Roel Houwink.

Op 27 juni 1946 trouwde hij met Cathrien in het gemeentehuis van Neede, met letterkundige Ed. Hoornik en uitgever Bert Bakker als getuigen.

Zij gingen wonen in (een gedeelte van) de Mariahoeve in het buurtschap Hoonte.

Het huis, een laat negentiende-eeuwse herenboerderij, lag afgelegen en was door hoge bomen omringd. In de schitterende natuur rondom de herenboerderij 'Mariahoeve' kwam hij tot rust. Deze hoeve komt in zijn werk voor en Hoonte werd een titel van een bundel (1949).

In dat zelfde jaar trouwden ook twee zusters van Achterberg en verschenen van zijn hand maar liefst vijf nieuwe bundels. ( Stof, Radar, Sphinx, Energie en Existentie ).

1946 - Pinksterprijs van Amsterdamse poëzieminnaars 1946 voor Radar.

In 1947 raakt Cathrien zwanger. Achterberg reageerde overemotioneel en moest een paar dagen in Rekken worden opgenomen. Het kind werd in augustus geboren maar leefde slechts een paar uur. Achterberg schreef ook hier een gedicht over: Kindergraf.

In de jaren 1947-1952 verschenen nog een aantal bundels waaronder Jezus schreef in 't zand (1947), Hoonte (1949) en Mascotte 1950).

In 1949 ontving Achterberg voor Jezus schreef in 't zand de P.C. Hooftprijs en de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam 1949 voor het gedicht Afreis uit de bundel Hoonte.

In 1952 werd de tbr-verklaring met twee jaar verlengd totdat deze in 1955 werd ingetrokken.

Achterberg voelde zich niet meer thuis in Neede en hij en Cathrien verhuisden op vijf mei 1953 naar Leusden waar Gerrit Achterberg nog bijna negen jaar zou wonen.

Cenotaaf verscheen in oktober 1953.

Achterberg zocht oude vrienden op zoals Arie Dekker.

Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam 1954 voor de bundel Ballade van de gasfitter.

In 1959 ontving Gerrit Achterberg de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele werk.

Hij ging dikwijls naar de openbare leeszaal in Amersfoort; daar verdiepte hij zich dan in de tijdschriften en raadpleegde de encyclopedieën waarin hij naar de betekenis van de moderne vakwoorden zocht die hij in zijn gedichten te pas wilde brengen. Hij las graag en veel, en omdat hij veel tijd had om te lezen bezat hij een grote belezenheid. Vooral Vestdijk las hij graag. Van de buitenlandse schrijvers las hij Poe, Dostojewski en Kafka het liefst. Toen hij stierf was hij bezig met Oblomów van Gontsjarow. Bovendien had hij een grote belangstelling voor nieuwe richtingen en nieuwe ontdekkingen; zo verdiepte hij zich in Teilhard de Chardin, al was hij door de kernfysica en de astronomie nog meer geboeid.

In 1961 verscheen nog het Vergeetboek en de verzamelbundel cryptogamen IV.

Aan het eind van zijn leven had Achterberg er moeite mee dat hij geen kinderen had gekregen. Op zeventien januari 1962 overleed Gerrit Achterberg in zijn auto op zevenenvijftigjarige leeftijd aan een hartaanval. Op tweeëntwintig januari werd Gerrit Achterberg begraven in Leusden.

Bi(bli)ografie


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 657.